Genesis 32:24-32
Wij hebben hier de merkwaardige geschiedenis van Jakob's worsteling met de engel en zijn overwinning, waarnaar verwezen wordt in Hosea 12:4. Zeer vroeg in de morgen, lang vóór het dag was, had Jakob zijn vrouwen en kinderen over de rivier geholpen, en nu wenste hij alleen te zijn, ten einde nog meer ten volle zijn zorg en vrees voor God uit te spreiden in het gebed. Wij behoren te volharden in het gebed, altijd te bidden en niet te vertragen, het menigvuldige en dringende van ons bidden bereiden ons voor de zegen. Terwijl nu Jakob zo ernstig en dringend bad, zich opmaakte om God aan te grijpen, grijpt een engel hem aan. Sommigen denken dat dit een geschapen engel was, de engel van Zijn aangezicht Jesaja 63:9, een van hen, die altijd het aangezicht van onze Vader zien en de Shechina of Goddelijke majesteit vergezellen, die waarschijnlijk ook door Jakob aanschouwd werd. Anderen denken, dat het Michaël, onze Vorst was, het eeuwige Woord, de Engel van het verbond, die de Heere is van de engelen, en dikwijls in menselijke gedaante is verschenen, eer Hij de menselijke natuur voor altijd had aangenomen. Wie het nu ook was, wij zijn er zeker van, dat Gods naam in het binnenste van hem was, Exodus 23:21.
Merk op:
I. Hoe Jakob en deze engel worstelden vers 24. Het was een tweegevecht, man tegen man, zonder getuigen. Jakob was nu vervuld van zorg en vrees ten opzichte van het onderhoud met zijn broeder, dat hij tegemoet zag voor de volgende dag, en om die beproeving nog te verzwaren, scheen God zelf hem als vijand tegemoet te komen en zijn binnenkomen in het land van de belofte te verhinderen, hem niet toe te laten zijn vrouwen en kinderen, die hij vooruit had gezonden, te volgen. Krachtige gelovigen moeten velerlei en zeer sterke verzoekingen verwachten. De profeet zegt ons, Hosea 12:4, 5, hoe Jakob worstelde, hij weende en smeekte, tranen en gebeden waren zijn wapens. Het was niet slechts een lichamelijke, maar ook een geestelijke worsteling, door de krachtige werkingen van geloof en heilige begeerte, en aldus moet het geestelijk zaad van Jakob, dat bidt, in het gebed worstelen met God.
II. De uitslag van die worsteling.
1. Jakob behield de overhand, hoewel de worsteling lang duurde, heeft de engel hem niet overwonnen, vers 25, dat is: deze ontmoediging heeft zijn geloof niet doen wankelen en zijn gebed niet doen ophouden. Het was niet in zijn eigen kracht, dat hij worstelde, of door zijn eigen kracht, dat hij overwon, maar in en door de kracht hem van boven geschonken. Dat woord van Job kan tot opheldering hiervan dienen: "Zou Hij naar de grootheid van Zijn macht met mij twisten?" Job 23:6. Neen (indien de engel dit gedaan had, zou Jakob verpletterd zijn) maar Hij kon kracht in mij leggen en "door die kracht heeft Jakob de engel overwonnen,' Hosea 12:4. Wij kunnen niet anders bij God overwinnen dan in Zijn eigen kracht. Het is Zijn Geest, die in ons bidt, en "onze zwakheden te hulp komt," Romeinen 8:26.
2. De engel ontwrichtte Jakob's heup, om hem tonen wat hij doen kon, en dat het God was, met wie hij worstelde, want geen bloot mens zou zijn heup kunnen ontwrichten door een aanraking. Sommigen denken dat Jakob weinig of geen pijn van die kwetsuur gevoelde, waarschijnlijk heeft hij dit ook niet, want hij hinkte niet eens voordat de worsteling voorbij was, vers 31. Indien dit zo is, dan is het wel een bewijs, dat het werkelijk een Goddelijke aanraking was, die tegelijk verwondde en genas. Jakob overmocht, maar zijn heup was ontwricht. Worstelende gelovigen kunnen heerlijke overwinningen behalen, maar er toch gebroken beenderen door hebben, want "als zij zwak zijn, dan zijn zij machtig," 2 Corinthiërs 12:10.
3. Met bewonderenswaardige, neerbuigende goedheid verzoekt de engel Jakob om hem te laten gaan, vers 26, zoals God tot Mozes zei: Laat mij toe, Exodus 32:10. Zou een machtige engel zich niet aan Jakob's greep kunnen ontwringen? Jazeker! Maar aldus wilde hij eer bewijzen aan Jakob's geloof en gebed, en nog verder zijn standvastigheid op de proef stellen. De koning is als gebonden op de galerijen, Hooglied 3:5. Ik hield hem vast, zegt de bruid en liet hem niet gaan, Hooglied 3:4. De reden die de engel opgeeft waarom hij heen wil gaan, is, dat de dageraad is opgegaan, en daarom wilde hij Jakob niet langer ophouden, daar deze werk te doen had, een reis te volbrengen, een gezin te verzorgen, dat vooral in dat hachelijk tijdstip zijn zorg nodig had. Alles is schoon op zijn tijd, zelfs de zaken van den Godsdienst en de lieflijkheid van gemeenschapsoefening met God moeten soms plaatsmaken voor de noodwendige zaken van dit leven, God wil barmhartigheid en geen offerande.
4. Jakob volhardt in zijn heilige onbeschaamdheid: Ik zal u niet laten gaan, tenzij dat gij mij zegent. Hoe het ook moge gaan met zijn gezin en met zijn reis, hij besluit een zo goed mogelijk gebruik te maken van deze gelegenheid, en het voordeel van zijn overwinning niet te verliezen. Hij wil niet voor niets de hele nacht geworsteld hebben, maar in ootmoed van het hart besluit hij een zegen te willen hebben, en liever wil hij dat al zijn beenderen zich vaneen zullen scheiden, dan zonder zegen heen te gaan. De eer van de overwinning zal hem geen goed doen, zonder de troost van een zegen. Door om die zegen te vragen, erkent hij zijn minderheid, hoewel hij in de worsteling de overhand had, want hetgeen minder is wordt gezegend van hetgeen meerder is. Zij, die de zegen van Christus willen hebben, moeten hem ernstig begeren er dringend om bidden als degenen, die niet afgewezen willen worden. Het is het vorig gebed, dat krachtig en overmogend is.
5. De engel plaatste een altijddurend ereteken op hem, door zijn naam te veranderen vers 27, 28. "Gij zijt een kloekmoedig strijder," zegt de engel, neen man van heldhaftige vastberadenheid. Hoe is uw naam?" "Jakob," zegt hij, "hiel vasthouder", dat is de betekenis van Jakob. "Welnu," zegt de engel, "zo moet gij voortaan niet meer genoemd worden, van nu aan zult gij vermaard zijn, niet vanwege list of behendigheid, maar vanwege ware kloekmoedigheid. Gij zult genoemd worden Israël, een vorst Gods, een naam, roemruchtiger dan die van de groten van de aarde." Die man is waarlijk een vorst, die een vorst is voor God, en diegenen zijn eervol en eerwaardig, die machtig zijn in het gebed. Israëlieten, waarlijk Israëlieten. Jakob wordt hier als het ware in het strijdperk tot ridder geslagen, en hij ontvangt een eretitel van Hem, die de fontein is van de eer, en tot aan het einde van de tijd zal dit zijn roem blijven. Maar dit was niet alles machthebbende bij God, zal hij ook macht hebben bij mensen. Overwonnen hebbende voor de zegen van de hemel, zal hij ook overwinnen voor Ezau's gunst. Wèlke vijanden wij ook hebben, zo God onze vriend is, is het wèl met ons. Zij, die door het geloof macht hebben in de hemel, hebben daardoor zoveel macht op aarde als zij behoeven.
6. Hij zendt hem weg met een zegen, vers 29. Jakob begeerde den naam van de engel te weten, ten einde hem, naar zijn vermogen, eer te doen, Richteren 13:17. Maar dit verzoek werd geweigerd, opdat hij niet te trots zij op zijn overwinning, en niet zou denken dat hij de engel kon verplichten om te doen wat hij wilde. Neen, Waarom is het, dat gij naar mijn naam vraagt? Welk goed zal het u doen die te weten?" De ontdekking daarvan was bewaard voor zijn sterfbed, toen hij leerde Hem Silo te noemen. Maar in plaats van hem zijn naam te zeggen, geeft hij hem zijn zegen, en dat was het, waar hij om had geworsteld, hij zegende hem aldaar, herhaalde en bekrachtigde de zegen, die hem tevoren gegeven was. Geestelijke zegeningen, die ons de zaligheid verzekeren, zijn beter en begerenswaardiger dan schone denkbeelden, die onze nieuwsgierigheid bevredigen, en aandeel te hebben aan de zegen van de engel is beter dan bekend te zijn met zijn naam. De boom van het leven is beter dan de boom van de kennis. Aldus heeft Jakob zijn doel bereikt, hij worstelde om een zegen en hij verkreeg hem, en van zijn biddend zaad heeft ook nog nooit iemand tevergeefs gebeden of gezocht. Zie hoe verwonderlijk God zich verwaardigt om dringend en aanhoudend gebed te steunen en te kronen. Zij, die het vaste besluit nemen om op God te verbouwen, al zou Hij hen ook doden, zullen ten laatste meer dan overwinnaars zijn.
7. Jakob geeft een nieuwe naam aan die plaats, hij noemt haar Pniël, het aangezicht van God, vers 30, omdat hij er de verschijning van God had gezien, en de gunst van God had verkregen. De naam, dien hij aan de plaats gaf, bewaart en bestendigt niet de roem van zijn dapperheid of overwinning, maar alleen de eer van de vrije genade van God. Hij zegt niet: "In deze plaats heb ik met God geworsteld en overmocht", maar: "in deze plaats heb ik God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest", niet: "het is mijn eer en roem, dat ik overwinnaar ben geweest" maar: het was Gods barmhartigheid, dat ik er het leven heb afgebracht. "Het betaamt hun die door God geëerd worden, beschaamdheid van het aangezicht te hebben," en sparende liefde van God en genade jegens hen te erkennen. Dat heeft David gedaan, nadat God hem een genaderijke boodschap had gezonden, 2 Samuël 7:18. Wie ben ik, Heere Heere?
Eindelijk. Het gedenkteken, dat Jakob hiervan met zich omdroeg in zijn gebeente. Hij was hinkende aan zijn heup, vers 31. Sommigen denken dat hij tot aan zijn dood hinkende is gebleven, indien dit zo is, dan had hij geen reden van klagen, want de eer en de vertroosting, die hij door deze worsteling verkregen heeft, waren meer dan voldoende om op te wegen tegen het nadeel, al is hij dan ook hinkende naar zijn graf gegaan. Hij had geen reden om er op te zien als op zijn schande, om aldus "de littekenen van de Heer Jezus in zijn lichaam te dragen," Galaten 6:17. Het zou echter kunnen dienen, evenals de doorn in het vlees van Paulus, om hem er voor te bewaren zich te verheffen door de uitnemendheid van de openbaringen. Er wordt nota van genomen, dat de zon hem oprees als hij door Pniël gegaan was, want het is zonsopgang voor de ziel, die gemeenschap oefent met God. De gewijde schrijver maakt melding van een traditioneel gebruik onder de nakomelingen van Jakob, ter herinnering aan deze gebeurtenis, om nooit van een dier de zenuw of spier te eten, waarmee het heupbeen aan het gewricht verbonden is. Door dit gebruik bewaarden zij de herinnering aan deze geschiedenis, en gaven zij gelegenheid aan hun kinderen om er naar te vragen, en hebben zij de nagedachtenis van Jakob in ere gehouden. En wij kunnen er dit gebruik van maken: dat wij de goedertierenheid Gods erkennen en onze verplichtingen aan Jezus Christus, daar wij nu gemeenschap met God kunnen onderhouden in geloof, hoop en liefde, zonder enigerlei gevaar voor lijf of leven.