Genesis 25:19-28
Wij hebben hier een bericht van de geboorte van Jakob en Ezau, de tweelingzonen van Izaak en Rebekka. Hun intrede in de wereld was-en dit is voorzeker iets ongewoons-een der merkwaardigste delen van hun geschiedenis. Er wordt ook over Izaak niet veel meer verhaald dan hetgeen in betrekking stond tot zijn vader, terwijl deze leefde, en later hetgeen betrekking had op zijn zonen. Want Izaak schijnt geen man van de daad geweest te zijn, en was ook niet zwaar beproefd, hij heeft zijn dagen in rust en stilte doorgebracht. Betreffende Jakob en Ezau nu wordt ons gezegd:
I. Dat om hen gebeden werd. Hun ouders hebben hen, nadat zij lang kinderloos geweest waren, verkregen op het gebed, vers 20, 21. Izaak was veertig jaren oud toen hij trouwde, hoewel hij een enige zoon was, en de persoon uit wie het beloofde zaad zou voortkomen, maakte hij toch geen haast om te trouwen. Hij was zestig jaar oud toen zijn zonen geboren werden, vers 26, zodat hij twintig jaren gehuwd was voordat hij een kind kreeg. Hoewel de vervulling van Gods belofte altijd zeker is, is zij toch dikwijls langzaam, en schijnt door Gods voorzienigheid als het ware tegengesproken te worden, opdat het geloof van Gods kinderen beproefd worde en hun geduld geoefend, en opdat de zegen, die lang verwacht werd, dubbel welkom zal zijn als hij komt. Terwijl deze zegen nu op zich liet wachten, is Izaak niet zoals Abraham gedaan heeft, en later ook Jakob tot het bed van een dienstmaagd genaderd, want hij had Rebekka lief, Hoofdstuk 24:67, maar:
1. Hij bad, hij heeft de Heere zeer gebeden voor zijn vrouw. Hoewel God beloofd had zijn geslacht te vermenigvuldigen, bad hij er toch om. Want Gods beloften moeten ons gebed niet doen ophouden, maar ons aanmoedigen tot bidden, zij moeten gebruikt worden als de grond voor ons geloof. Hoewel hij gedurende vele jaren om die zegen gebeden had en de verhoring niet kwam, is hij toch niet met bidden opgehouden, want men moet altijd bidden en niet vertragen, Lukas 18:1, bidden zonder ophouden, kloppen totdat de deur wordt opgedaan.
2. Hij bad voor zijn vrouw, sommigen lezen het: hij bad met, of in de tegenwoordigheid, van zijn vrouw. Echtgenoten behoren samen te bidden, hetgeen te kennen wordt gegeven in de waarschuwing van de apostel, dat "de gebeden niet verhinderd worden," 1 Petrus 3:7. De Joden hebben een overlevering, dat Izaak zijn vrouw naar de Moria gebracht zou hebben, waar God beloofd had dat hij Abrahams zaad zou vermenigvuldigen, Hoofdstuk 22:17, en dat hij daar in zijn gebed met haar en voor haar, gepleit heeft op de belofte, die op deze plaats gedaan was. Kinderen zijn Gods gaven. Zij, die evenals Izaak aanhouden in het gebed, zullen bevinden dat zij niet tevergeefs zoeken, Jesaja 45:19.
II. Dat van hen geprofeteerd werd voor hun geboorte, en in die profetie lagen grote verborgenheden opgesloten, vers 22, 23. Lang had Izaak gebeden om een zoon, en nu is zijn vrouw zwanger van twee, om hem voor dit lange wachten te belonen. Zo doet God dikwijls boven ons bidden en denken. Nu Rebekka zwanger is van deze twee zonen, valt hier op te merken:
1. Hoe verlegen zij was in haar geest vanwege haar toestand: de kinderen stieten zich tezamen in haar lijf. De beweging in haar lichaam was heel buitengewoon en maakte haar zeer ongerust, hetzij dat zij vreesde dat hun geboorte haar dood zou zijn, of dat zij het tumult in haar binnenste moede was, of dat zij vreesde dat het een kwaad teken was, maar het schijnt, dat zij bijna wenste maar niet zwanger te zijn, of dat zij maar terstond zou sterven, en niet zulk een strijdend kroost ter wereld zou brengen. Is het zo, of, daar het zo is, waarom ben ik dus? Tevoren was het gebrek aan kinderen haar verdriet, nu is de worsteling tussen de kinderen het niet minder. De zegeningen, die wij het meest begeren, worden soms bevonden meer verdriet en onrust mee te brengen dan wij hadden gedacht, op alles onder de zon is "ijdelheid" geschreven, God leert ons aldus dit schrift te lezen. Wij zijn al te zeer geneigd ontevreden te zijn met onze voorrechten en zegeningen vanwege de ongemakken, die er mee gepaard gaan. Wij letten er niet op als het ons goed gaat, wij weten niet om te gaan met gebrek of overvloed. Deze worsteling tussen Jakob en Ezau in het lichaam van hun moeder stelt de worsteling voor tussen het koninkrijk Gods en het rijk van Satan. In de wereld hebben het zaad van de vrouw en het zaad van de slang geworsteld en gestreden vanaf dat er vijandschap tussen hen gezet was, Hoofdstuk 3:15, en het heeft een voortdurende onrust onder de mensen teweeggebracht. Christus zelf is gekomen om vuur op de aarde te werpen en om verdeeldheid te geven, Lukas 12:49, 51. Maar laat dit voor ons geen ergernis of struikelblok zijn, een heilige oorlog is beter dan de vrede in het paleis van de duivel. Ook in het hart van de gelovigen is die worsteling gaande, niet zodra is Christus gevormd in de ziel, of er ontstaat strijd tussen vlees en geest, Galaten 5:17. Zonder een machtige worsteling wordt de stroom niet gekeerd, maar dit moet ons niet ontmoedigen. Het is beter strijd te hebben tegen de zonde, dan er zich gedwee aan te onderwerpen.
2. Wat zij deed om zich verlichting te verschaffen. Zij ging om de Heere te vragen. Sommigen denken dat Melchizedek toen geraadpleegd werd als een Godsspraak, of wellicht werden er Urim of Terafim gebruikt om er God door te vragen, zoals later de Urim en de Tummim. Het woord en het gebed, door welke beide wij nu de Heere vragen, geven grote verlichting aan hen, die op enigerlei wijze in verlegenheid zijn. Het is een verlichting voor ons gemoed om onze zaak voor de Heere uit te spreiden en Zijn mond te vragen. "Ga in tot Gods heiligdommen," Psalm 73:17.
3. De inlichting, die haar gegeven werd op haar vraag verklaarde de verborgenheid. Twee volken zijn in uw buik, vers 23. Zij was zwanger, niet slechts van twee kinderen, maar van twee volken, die niet slechts in hun manieren en geaardheid in grote mate van elkaar zullen verschillen, maar van wie de belangen met elkaar in botsing zullen komen en de uitslag van de strijd zal wezen, dat de oudste de jongste zal dienen, hetgeen vervuld werd in de onderwerping van de Edomieten gedurende vele eeuwen aan het huis van David, totdat zij in opstand kwamen, 2 Kronieken 21:8.
Merk hier op:
a. Dat God vrij is in de bedeling van Zijn genade, het is Zijn kroonrecht om een verschil te maken tussen hen, die vooralsnog goed noch kwaad gedaan hebben. Dat is het wat de apostel hieruit afleidt, Romeinen 9:12.
b. Dat in de worsteling tussen genade en bederf in de ziel, genade, de jongere, voorzeker ten laatste de bovenhand zal behouden.
III. Dat er, toen zij geboren waren, een groot verschil tussen hen was, wat diende als bevestiging van hetgeen voorzegd was, een teken was van de vervulling er van, en in het bijzonder diende om het type te verklaren. 1. Er was een groot verschil in hun lichaam, vers 25. Ezau was ruw en harig, alsof hij reeds een volwassen man was. Dit was een aanduiding van een zeer sterk lichaamsgestel, en gaf reden te verwachten dat hij een zeer gespierd, stoutmoedig, bedrijvig man zou worden. Maar Jakob was glad en tenger, zoals andere kinderen. Het verschil tussen de aanleg en bekwaamheden van de mensen, en bijgevolg van hun staat in de wereld, ontstaat in grote mate uit het verschil tussen hun lichaamsgestel. Sommigen zijn kennelijk door de natuur bestemd voor bedrijvige werkzaamheid en eer, anderen even duidelijk om hun leven in onbekendheid door te brengen. Dit voorbeeld van de Goddelijke vrijmacht in het rijk der voorzienigheid kan er wellicht toe bijdragen om ons te verzoenen met de leer van Gods vrijmacht in het rijk der genade. Het is Gods gewone wijze van doen om het zwakke dezer wereld te verkiezen en het sterke voorbij te gaan, 1 Corinthiërs 1:26, 27.
2. Er was blijkbaar strijd in hun geboorte. Ezau, de sterkere, kwam het eerst uit, maar Jakob's hand hield Ezau's verzenen, vers 26. Dit betekende:
a. Jakob's streven naar het geboorterecht en de zegen, reeds van het begin strekte hij er zich naar uit om het te grijpen, en zou, zo mogelijk, zijn broeder zijn voor gekomen.
b. Dat hij dit ten laatste ook verkregen heeft, na verloop van tijd zal hij de positie van zijn broeder ondermijnen en zijn doel bereiken. Hierop wordt gezinspeeld in Hosea 12:3, 4, en vandaar had hij zijn naam: "Jakob, verdringer" of "voetlichter."
3. Zij waren zeer verschillend van gemoedsgesteldheid en de wijze van leven, die zij zich kozen, vers 27. Weldra bleek hun verschillende neiging.
a. Ezau was een man voor deze wereld, een man, toegewijd aan zijn vermaak, want hij was een jager, en een man, die zich door verstand en tegenwoordigheid van geest wist te redden, zich, zoals men zegt overal door heen wist te slaan, want hij was verstandig op de jacht, zijn vermaak, zijn ontspanning, was zijn werk, hij bestudeerde er de kunst van, en bracht er al zijn tijd mee door. Hij hield niet van een boek, was niet graag binnenshuis, maar was een man van het veld, zoals Nimrod en Ismaël, geheel overgegeven aan vermaak, en nooit anders gelukkig dan in het najagen er van. Kortom, hij was wat wij zouden noemen een landedelman en een krijgsman.
b. Jakob was een man voor de andere wereld. Er zat geen staatsman in hem, hij gaf zich ook geen groot of voornaam aanzien, maar was een oprecht man, wonende in tenten een eerlijk man, die het altijd goed meende en eerlijk handelde, aan de ware genoegens van stilte en eenzaamheid de voorkeur gaf boven al de gewaande genoegens van luidruchtig vermaak. Hij woonde in tenten, als een herder. Hij was gehecht aan de veilige en stille bezigheid van schapen hoeden, waarvoor hij ook zijn kinderen heeft opgeleid, Hoofdstuk 46:34. Of als een studerende. Hij bezocht de tenten van Melchizedek, of Heber, zoals sommigen dit verstaan, om door hen in Goddelijke dingen onderwezen te worden. En deze was de zoon van Izaak, op wie het onvervreemdbare erfrecht van het verbond zou overgaan.
4. Hun deel in de genegenheid van hun ouders was ook zeer verschillend. Zij hadden slechts deze twee kinderen, en het schijnt dat de een de lieveling was van de vader, en de ander van de moeder, vers 28. a. Izaak, hoewel zelf geen bedrijvig, beweeglijk man, (want als hij in het veld ging, was het tot overpeinzing en gebed, niet om te jagen) zag zijn zoon toch gaarne bedrijvig. Ezau wist hem te behagen en toonde veel eerbied voor hem, en onthaalde hem dikwijls op wildbraad, hetgeen hem de genegenheid van de goede grijsaard verwierf, en meer invloed op hem had dan men zou denken.
b. Rebekka was gedachtig aan de godsspraak, die de voorkeur had gegeven aan Jakob, en daarom had zij hem het meest lief. En indien het geoorloofd is aan ouders om de een of andere reden verschil te maken tussen hun kinderen, dan heeft Rebekka ongetwijfeld gelijk gehad, dat zij hem liefhad, die God liefhad.