Job 23:1-7
Job is er van overtuigd, dat hem door zijn vrienden onrecht aangedaan is, en daarom wil hij, hoe ziek hij ook is, de zaak niet opgeven en hun het laatste woord niet laten hebben.
I. Hij rechtvaardigt zijn gevoeligheid van zijn leed en zijn voorstellingen ervan, vers 2. Ook heden, ik erken het, is mijne klacht bitter want de beproeving, de oorzaak van de klacht is dit. Er is alsem en gal in de beproeving en ellende, mijn ziel gedenkt er aan, Klaagliederen 3:19, 20, en is er door verbitterd. Ook heden is mijn klacht weerspannigheid geacht, zo lezen sommigen het. Zijn vrienden hielden de onschuldige uitdrukkingen van zijn smart voor afkeurende aanmerkingen op God en Zijn voorzienigheid en noemden ze weerspannigheid of opstand. "Maar", zegt "hij, "ik klaag niet meer dan ik reden heb tot klagen, want mijn plaag is zwaar boven mijn zuchten. Zelfs heden, na alles wat gij gezegd hebt om mij te overtuigen en te vertroosten, zijn de pijnen van mijn lichaam en de wonden van mijn geest nog zodanig, dat ik reden genoeg heb voor mijn klachten, al waren zij nog bitterder dan zij zijn." Wij doen onrecht aan God als ons zuchten boven onze plaag is, zoals aan ondeugende kinderen, die huilen om niets, volkomen terecht iets gegeven wordt, waarom zij kunnen huilen, maar wij doen onszelf geen onrecht als onze plaag zwaar is boven ons zuchten, want hoe minder wij zeggen, hoe minder wij te verantwoorden zullen hebben.
II. Van de veroordeling van zijn vrienden beroept hij zich op het rechtvaardig oordeel Gods, en dit, dacht hij, was een bewijs dat hij geen geveinsde was, want indien hij het wel was, dan zou hij zo'n beroep niet durven doen. Paulus vertroostte zich hierin, dat "Hij die hem oordeelde, de Heere was," en daarom hechtte hij geen waarde aan het oordeel van de mensen, 1 Corinthiers 4:3, 4, maar was bereid te wachten totdat de bestemde dag van de beslissing gekomen zou zijn, terwijl Job ongeduldig is en hartstochtelijk verlangt dat de dag des oordeels vóór de tijd zal komen, zijn zaak spoedig onderzocht zal worden, door een bijzondere commissie als het ware, opdat er ook spoedig uitspraak in gedaan zou worden. De apostel vond het nodig om lijdende Christenen dringend te vermanen, om geduldig de komst van de Rechter te verbeiden, Jakobus 5:7-9.
1. Hij is zo zeker van de rechtvaardigheid van Gods rechterstoel, dat hij verlangt om er voor te verschijnen, vers 3. Och of ik wist dat ik Hem vinden zou. Dit kan zeer gepast de vrome verzuchtingen te kennen geven van een ziel, die overtuigd is dat zij door de zonde God verloren heeft en voor eeuwig rampzalig moet zijn, indien zij haar deel in Zijn gunst niet herkrijgt. "Ach wist ik slechts hoe Zijn gunst te herwinnen. Hoe ik in verbond en gemeenschap met Hem kan komen! Micha 6:6, 7. Het is de kreet van een arme, verlaten ziel: Hebt gij Hem gezien, die mijn ziel liefheeft? Och of ik wist waar ik Hem zou kunnen vinden! O dat Hij, die de weg tot Hem geopend heeft, mij wilde leiden op die weg en in die weg!" Maar Job schijnt hier al te stoutmoedig te zijn in zijn klacht dat zijn vrienden hem onrecht aandoen, en dat hij niet wist hoe of op wat wijze zich tot God te wenden om recht te verkrijgen, daar hij anders tot voor Zijn rechterstoel zou komen om het te eisen. Geduldig te wachten op de dood en het oordeel is onze wijsheid en onze plicht, en zo wij de zaak recht beschouwen, dan kan dit niet zonder een heilig vrezen en beven zijn, maar een hartstochtelijk verlangen naar de dood en het oordeel zonder zodanig een vrezen en beven, dat is onze zonde en dwaasheid, en betaamt ons al heel slecht. Weten wij wat de dood is wat het oordeel is, en zijn wij er zo goed voor bereid, dat wij geen tijd nodig hebben om er ons nog beter voor te bereiden? "Wee dengenen die aldus in drift en hartstocht des Heeren dag begeren!" Amos 5:18. 2. Hij is zo zeker van het deugdelijke van zijn zaak dat hij er naar verlangt dat zij voor Gods rechterstoel zal komen, vers 4. "Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordelijk voorstellen," het in het ware licht stellen, ik zou de bewijzen bijbrengen van mijn oprechtheid op een geschikte manier, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen of met argumenten om haar zonneklaar te bewijzen." Dit kunnen wij toepassen op de plicht van het gebed, waarin wij vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom en tot aan de voetbank van de troon van de genade te komen. Wij hebben niet slechts vrije toegang, maar ook vrijheid om te spreken. Het wordt ons toegestaan:
a. Om nauwkeurig en uitvoerig te zijn in hetgeen wij vragen, Hem onze zaak ordelijk voor te stellen, Hem al onze grieven voor te leggen op de wijze, die ons het geschiktst voorkomt, wij zouden bij aardse vorsten zo vrijmoedig niet durven zijn, als een nederige, heilige ziel met God mag wezen.
b. Dringend te zijn in ons gebed. Wij mogen niet slechts bidden, maar pleiten, niet slechts vragen, maar betogen, ja onze mond vervullen met argumenten, niet om God te bewegen, Hij kent onze zaak volkomen zonder dat wij er Hem een uitlegging van behoeven te geven, maar om onszelf te bewegen, onze vurigheid op te wekken en ons geloof aan te moedigen in het gebed.
3. Hij is zo zeker van een uitspraak ten zijnen gunste, dat hij er naar verlangt haar te horen, vers 5. "Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou," dat is: ik zou gaarne horen wat God zal zeggen over die zaak in geschil tussen u en mij, en zal geheel en volkomen berusten in Zijn oordeel." Dit betaamt ons in al onze twisten en geschillen, laat het woord van God ze beslissen, laat ons weten wat Hij antwoordt en verstaan wat Hij zegt. Job wist volkomen goed wat zijn vrienden hem zouden antwoorden, zij zouden hem veroordelen en ter nederwerpen. "Maar", zegt hij, "ik zou gaarne de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou, want ik ben er zeker van dat Zijn oordeel naar waarheid is, en het hunne is dit niet. Ik kan hen niet begrijpen, wat zij zeggen is zo weinig ter zake, maar wat Hij zegt zal ik begrijpen en er volkomen mee tevreden zijn.
III. Hij vertroost zich met de hoop dat God in deze zaak gunstig met hem zal handelen vers 6, 7. Het is ons van groot nut, om bij alles waarin wij met God te doen hebben, goede gedachten van Hem te koesteren. Hij gelooft:
1. Dat God hem niet zal overstelpen, noch met hem zal handelen naar Zijn onbeperkte vrijmacht, noch naar streng recht, noch uit de hoogte, noch met een sterke hand. Zou hij naar de grootheid van Zijn macht met ons twisten? Neen. Jobs vrienden twistten met hem met al de macht die zij hadden, maar zal God dit doen? Neen. Zijn macht is volstrekt rechtvaardig en heilig, wat der mensen macht ook moge zijn, tegen hen, die hardnekkig volharden in hun ongeloof en in hun onboetvaardigheid zal God twisten naar de grootheid van Zijn macht hun verderf zal komen van de heerlijkheid van Zijn macht, maar met Zijn eigen volk, Zijn kinderen, die Hem liefhebben en op Hem betrouwen zal Hij handelen in teder mededogen.
2. Dat Hij integendeel hem zal machtigen om zijn zaak voor Hem te bepleiten. "Hij zou kracht in mij leggen, vers 6 om mij te steunen in het handhaven mijner oprechtheid." Dezelfde macht, die zich stelt tegen hovaardige zondaren, werkt voor nederige heiligen, die bij God overmogen door de kracht, die zij van Hem zelf ontvangen hebben, zoals Jakob bij Hem overmocht heeft, Hosea 12:4. Zie Psalm 68:36. 3. Dat de uitkomst stellig troostrijk zal wezen, vers 7. Daar, in het hof des hemels als de einduitspraak gedaan zal worden, zou de oprechte met Hem pleiten en zegevieren in zijn oprechtheid. Nu worden zelfs de oprechten dikwijls door de Heere gekastijd, en zij kunnen er niet tegen twisten, de oprechtheid zelf is noch tegen rampen noch tegen laster een beschutting, maar in die dag zullen zij met de wereld niet veroordeeld worden, al is het ook dat God hen door Zijn kroonrecht kan beproeven. "Dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze," Maleachi 3:18. Zo groot zal het verschil tussen hen zijn in hun eeuwige staat, terwijl wij er thans nauwelijks enig onderscheid in bespeuren, zo gering is het verschil tussen hen wat hun uitwendige toestand aangaat, want alle ding wedervaart hun gelijk allen anderen. Als dit laatste oordeel uitgesproken wordt,, dan zal ik voor eeuwig van mijn Rechter bevrijd zijn," vers 7 dat is: "ik zal verlost zijn van de onrechtvaardige bestraffingen mijner vrienden, en van het Goddelijk oordeel, dat mij thans nog zo'n verschrikking is." Zij, die overgeleverd worden aan God als hun eigenaar en bestuurder, zullen voor altijd van Hem bevrijd zijn als hun rechter en wreker, en aan Zijn gerechtigheid is geen ontvlieden dan door de toevlucht te nemen tot Zijn genade.