Hooglied 3:1-5
God had de gewoonte niet om tot de nakomelingen van Jakob te zeggen: Zoekt Mij tevergeefs, en toch hebben wij hier de bruid, gedurende lange tijd haar liefste tevergeefs zoekende, maar ten slotte vindt zij Hem toch tot haar onuitsprekelijke vreugde en voldoening. Het was voor de oud-testamentische kerk moeilijk om Christus te vinden in de ceremoniële wet en de typen en afschaduwingen, die er toen waren van toekomstige goederen, lang werd naar de vertroosting Israëls uitgezien eer zij kwam, de wachter van die kerk gaf weinig hulp aan hen die naar Hem vroegen, maar eindelijk hield Simeon Hem in zijn armen, die zijn ziel liefhad. Dat is van toepassing op de toestand van particuliere gelovigen, die dikwijls in duisternis wandelen, en wel gedurende lange tijd, maar in de avond zal het licht wezen, en zij, die Christus ten einde toe zoeken, zullen Hem ten slotte vinden.
Merk op:
1. Hoe de bruid Hem tevergeefs zocht op haar bed, vers 1, toe zij op was en om zich heen zag, genade in werking en beoefening was, hoewel haar liefste zich had teruggetrokken, kon zij Hem toch niet zien in de verte, Hoofdstuk 2:8, maar nu was het anders. Zij behield haar genegenheid voor Hem, nog was Hij het, die haar ziel liefhad, die band des verbonds bleef nog vast. Ofschoon Hij mij doodde, zal ik toch op Hem vertrouwen, al is het dat Hij mij verlaat, zal ik Hem toch liefhebben. "Als ik Hem niet in mijn armen heb, heb ik Hem toch in mijn hart." Maar zij verlangde naar de gemeenschap, die zij met Hem placht te hebben, zoals David, toen hij dorstte naar God, naar de levende God. Zij zocht Hem, maar:
a. Het was bij nacht op haar bed, zij was laat aam het zoeken. Haar verstand was beneveld, het was nacht, in het donker, haar genegenheden waren verkild, zij was op haar leger, half in slaap. De wijze maagden sluimerden in de afwezigheid van de Bruidegom. Het was een donkere tijd voor de gelovige ziel zij zag haar tekenen niet, en toch zocht zij ze. Zij, wier zielen Jezus Christus liefhebben, zullen Hem blijven zoeken, zelfs in de stilte en in de eerzaamheid, hun nieren onderwijzen hen om dit te doen zelfs in de nacht.
b. Zij faalde in haar streven. Soms wordt Hij gevonden van hen, die naar Hem niet zochten, Jesaja 65:1, maar hier wordt Hij niet gevonden door een, die naar Hem zocht, hetzij tot straf voor haar verdorvenheden, haar traagheid en valse gerustheid (wij ontberen vertroosting omdat wij haar niet op de juiste wijze zoeken) of ter beproeving van haar genade, haar geloof en haar lijdzaamheid, om te zien of zij zal voortgaan met haar zoeken. De Kananese vrouw zocht Christus maar heeft Hem in het eerst niet gevonden, opdat zij Hem ten slotte zoveel te meer tot haar eer en vertroosting vinden zou.
2. Hoe zij Hem tevergeefs zocht buiten op straat, vers 2. Zij had de aanbidding in het verborgene beproefd, had de plichten volbracht van de binnenkamer, had aan Hem gedacht op haar leger, had aan Hem gepeinsd in de nachtwake, Psalm 63:7, maar zij ondervond geen vertroosting. Mijn hand was des nachts uitgestrekt, ik gedacht aan God en maakte misbaar, Psalm 77:3, 4, en toch wordt zij er door de teleurstelling niet toe gebracht om van het verdere gebruik van de middelen af te zien. Zij besluit: "Ik zal nu opstaan, als ik mijn liefste hier niet kan vinden, zal ik hier niet blijven liggen, noch er mee tevreden zijn dat Hij zich terugtrekt, Ik zal nu opstaan zonder uitstel of vertragen, en Hem terstond zoeken, opdat Hij zich niet nog verder van mij terugtrekt." Zij die Christus zo willen zoeken, dat zij Hem vinden, moeten geen tijd verliezen. Ik zal opstaan van een warm bed, en uitgaan in een donkere koude nacht, om mijn liefste te zoeken. Zij, die Christus zoeken, moeten niet terugdeinzen voor moeilijkheden. Ik zal opstaan in de stad omgaan, de heilige stad, in de straten en op de grote wegen, want zij wist dat Hij niet op een bijweg te vinden was, wij moeten zoeken in de stad, in Jeruzalem, dat een type was van de evangeliekerk. De plaats waar Christus het waarschijnlijkst gevonden zal worden, is de tempel, Lukas 2:46, in de straten van de evangeliekerk, in heilige inzettingen, waar de kinderen van Zion op alle uren heen en weer gaan. Zij had een goed voornemen, toen zij zei: ik zal nu opstaan, maar het goede volbrengen was alles in alles, zij stond op en zocht Hem. Zij, die Christus willen vinden, Zijn kennis willen vinden, in gemeenschap met Hem willen komen, moeten niets onbeproefd laten, Hem overal zoeken. En toch vond zij Hem niet, zij was nog onvoldaan, ongerust, zoals Job, toen hij naar alle kanten uitzag om de tekenen van Gods gunst te zien, Job 23:8, 9, en dikwijls ook de psalmist, als hij klaagde dat God Zijn aangezicht voor hem had verborgen, Psalm 88:15. Wij kunnen op de weg zijn van onze plicht, en toch vertroosting missen, want de wind blaast waarheen hij wil. Hoe zwaar is de nadruk op deze herhaalde klacht: ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, zoals de klacht van Maria Magdalena, Zij hebben mijn Heere weggenomen, en ik weet niet waar zij Hem gelegd hebben, Johannes 20:13.
3. Hoe zij navraag naar Hem deed bij de wachters, vers 3. Des nachts gaan de wachters in de stad rondom ter bewaring van de vrede en de veiligheid, om de rustigen en eerlijken te helpen en te leiden op de weg, zowel als om hen die wanordelijk zijn in bedwang te houden. De wachters ontmoetten haar, en zij vroeg hun of zij haar enigerlei tijding konden geven van haar liefste. In de straten en op de wegen van Jeruzalem had zij genoeg kunnen zien, dat haar zou kunnen afleiden van haar onderzoek, en haar zou kunnen vermaken, al kon zij haar liefste niet vinden, maar in vergelijking met Hem slaat zij op niemand acht. Godvruchtige zielen dringen heen door een gehele menigte van vermaken en genoegens om Christus te zoeken, aan wie zij de voorkeur geven boven het hoogste van hun blijdschap. Maria Magdalena ziet engelen in het graf, maar dat helpt haar niet, zij moet Jezus zien. Hebt gij die gezien, die mijn ziel liefheeft? Wij moeten de oprechtheid van onze liefde voor Christus doen blijken door ons zorgvol vragen naar Hem. De bruiloftskinderen zullen treuren als de bruidegom van hen weggenomen is, Mattheus 9:15, inzonderheid om de zonde, die Hem er toe bracht om zich terug te trekken, en als wij dit doen dan zullen wij in zorg zijn om de bewustheid van Zijn gunst te herkrijgen, naarstig en standvastig zijn in het gebruik van de gepaste middelen. Te dien einde moeten wij de Schriften onderzoeken, veel in het gebed zijn, ons nauw aan de inzettingen houden, en dat alles terwijl dit op ons hart is: Hebt gij Hem gezien, die mijn ziel liefheeft? Alleen zij, die zelf Christus gezien hebben, zullen instaat zijn om anderen tot een gezicht op Hem te brengen. Toen de Grieken kwamen om op het feest te aanbidden, hebben zij zich tot Filippus gewend met een soortgelijke vraag als die van de bruid aan de wachters: Heer, Wij wilden Jezus wel zien, Johannes 12:21.
4. Hoe zij Hem ten slotte vond, vers 4. Zij ging van de wachters weg, zodra zij bemerkte dat die haar geen tijding van haar liefste konden geven. Zij wilde niet bij hen blijven omdat Hij zich niet onder hen bevond, maar ging voort met Hem te zoeken, want (zoals Ainsworth zegt) noch het gezelschap van broeders, noch van de kerk, noch van de leraren kan aan het bezwaarde geweten verlichting geven, tenzij Christus zelf door het geloof wordt gezien. Maar spoedig nadat zij van de wachters weggegaan was, vond zij Hem, die zij zocht, en toen noemde zij Hem: die mijn ziel liefheeft, met evenveel genot en verlustiging als tevoren met begeerte. Zij, die voortgaan met Christus te zoeken, zullen Hem ten slotte vinden, en wel op het ogenblik, dat zij bijna gereed zijn om er aan te wanhopen, dat zij Hem ooit zullen vinden, zie Psalm 42:8, 9, Psalm 77:10, 11, Jesaja 4:7, 8. Teleurstellingen moeten ons niet van een godvruchtig streven afhouden, houd vol in geloof en lijdzaamheid, het gezicht zal nog voor een bestemde tijd zijn, en hoewel de wachter er geen bericht van kan geven, aan het einde zal Hij het voortbrengen en niet liegen, en de vertroosting, die komt na lang wachten in het gebruik van de middelen, zal ten slotte zoveel te lieflijker zijn.
5. Hoe dicht zij bij Hem bleef, nadat zij Hem had gevonden. Zij is nu in even grote vrees van Hem te verliezen, als zij tevoren in zorg was om Hem te vinden. Ik hield Hem vast, zoals de vrouwen, toen zij Christus ontmoetten na Zijn opstanding, Zijn voeten grepen en Hem aanbaden, Mattheus 28:9. "Ik liet Hem niet gaan. Niet alleen zal ik nooit iets doen, dat Hem er toe brengt om heen te gaan, maar ik wilde door geloof en gebed bij Hem overmogen om te blijven en door de oefening van de genade inwendigen vrede te behouden." Zij, die weten hoe moeilijk aan vertroosting is te komen en hoe duur zij gekocht is, zullen bevreesd zijn om haar te verbeuren en haar te verspelen, en zullen niets te veel achten om te doen om haar veilig te bewaren. Zij, die de wijsheid aangrijpen, moeten haar vasthouden Spreuken 3:18. Zij, die Christus vasthouden in de armen des geloofs en van de liefde, zullen Hem niet laten gaan, Hij zal bij hen blijven.
6. Hoe begerig zij was om anderen met Hem bekend te maken, "ik heb Hem in het huis van mijn moeder gebracht, opdat al mijn familieleden, allen die mij dierbaar zijn, het voorrecht van gemeenschap met Hem mochten hebben." Toen Zacheus Christus gevonden heeft, of liever toen hij door Christus was gevonden, was zijn huize zaligheid geschied, Lukas 19:9. Waar wij Christus ook vinden, moeten wij Hem meenemen naar huis, inzonderheid naar ons hart De kerk is onze moeder, en wij moeten haar belangen behartigen, begeren dat Christus bij haar is, en vurig bidden om Zijn voortdurende tegenwoordigheid bij Zijn volk en Zijn dienstknechten. Zij, die de tekenen hebben van Christus gunst jegens hun moeten begeren dat de kerk en alle godsdienstige vergaderingen in hun openbare hoedanigheid evenzo de tekenen van Zijn gunst deelachtig zullen zijn.
7. In welke zorg zij was dat Hem geen stoornis gegeven zal worden, vers 5. Zij herhaalt de last, die zij tevoren gegeven had, Hoofdstuk 2:7, aan de dochteren van Jeruzalem om haar liefste niet op te wekken of wakker te maken. Toen zij Hem in het huis van haar moeder had gebracht onder haar zusters, gaf zij haar opdracht om alles rustig te houden en in goede orde, zeer oplettend voor Hem te wezen, alles in het werk te stellen om Hem te behagen, en zeer bevreesd te zijn om Hem te beledigen. De opdracht, die aan de kerk in de woestijn gegeven werd betreffende de engel des verbonds, die in haar midden was, is hier de verklaring van Exodus 23:21. Hoed u voor zijn aangezicht en wees zijn stem gehoorzaam, en verbitter hem niet. Zie toe dat niemand van u zich van haar plaats beweegt, opdat gij Hem niet stoort, maar dat allen met stilheid werken en hun eigen dingen doen, maakt geen leven, alle bitterheid en toornigheid, en gramschap en geroep, en lastering zij van u geweerd, want dat bedroeft de Heiligen Geest Gods, Efeziers 4:30, 31. Sommigen houden dit voor de opdracht van Christus aan de dochters van Jeruzalem, om Zijn kerk niet te storen of te verontrusten, noch het gemoed van de discipelen te beroeren, want Christus is zeer tederlijk bezorgd voor de vrede van Zijn kerk en van al haar leden, zelfs van de kleinen, de kinderkens, en die hen ontroeren, zullen het oordeel dragen, Galaten 5:10.