Psalm 139:7-16
Het is van groot nut en belang voor ons, om de dingen, waarin wij onderwezen zijn, met zekerheid te weten, opdat wij ze niet alleen geloven, maar ook zeggen kunnen waarom wij ze geloven, en een reden te kunnen geven van de hoop, die in ons is. David is er zeker van dat God hem en al zijn wegen volkomen kent:
I. Omdat hij altijd onder Zijn oog is. Als God alomtegenwoordig is, dan moet Hij ook wel alwetend zijn, maar Hij is alomtegenwoordig: dit onderstelt de oneindigheid en grootheid van Zijn wezen, en daaruit volgt Zijn alomtegenwoordigheid. Hemel en aarde omvatten geheel de schepping, en de Schepper vervult beide, Jeremia 23:24, Hij kent en regeert beide niet slechts, maar Hij vervult beide. Ieder deel van de schepping is onder Gods ingeving en invloed. Ook dit erkent David hier met toepassing op zichzelf, daar hij zich aldus open en bloot voor God ziet.
1. Geen vlucht kan ons uit Gods tegenwoordigheid brengen. "Waar zou ik heengaan voor Uw Geest, en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht, van Uw geestelijke tegenwoordigheid, van Uzelf, die een Geest zijt?" God is een Geest, en daarom is het dwaasheid te denken dat Hij, omdat wij Hem niet zien kunnen, ons niet kan zien. Waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Niet dat hij begeerde van God weg te gaan, neen niets begeerde hij meer dan nabij God te zijn, hij stelt slechts het geval. "Gesteld eens dat ik zo dwaas ware om te denken aan Uw ogen te kunnen ontkomen, dat ik het ontzag voor U zou kunnen afschudden, gesteld eens dat ik er aan zou denken om van mijn gehoorzaamheid aan U af te vallen, of mijn afhankelijkheid van U te ontkennen, en voor mijzelf te willen zorgen, op eigen wieken te willen drijven. Helaas, waar kan ik heengaan?" Een heiden kon zeggen: "quicunque te flexeris, ibi Deum videbis occurentem tibi Waar gij u ook henen wendt, zult gij God zien, die u tegenkomt." Seneca.
Hij noemt de verst-verwijderde en afgelegenste plaatsen, en rekent er op dat hij er God zal ontmoeten.
a. In de hemel. "Zo ik derwaarts opvoer, dat ik weldra hoop te doen: Gij zijt daar, en het zal mijn eeuwige zaligheid zijn om daar bij. U te wezen." De hemel is een zeer grote, ruime plaats, waar zich een talloos gezelschap bevindt, en toch is daar aan Gods oog niet te ontkomen in de een of andere hoek, of in het midden van een grote menigte. De inwoners van die wereld leven in een even noodzakelijke afhankelijkheid van God en zijn even open en bloot voor Zijn onderzoekend oog, als de inwoners van deze wereld.
b. In de hel, in Scheol, waaronder wij de diepten der aarde, haar middelpunt kunnen verstaan. Al zouden wij zo diep als wij kunnen graven onder de grond, om ons daar te verbergen, wij zouden ons vergissen, bedrogen en teleurgesteld uitkomen, God kent het pad, dat het oog van de kraai niet heeft gezien, en voor Hem is de aarde een en al oppervlakte. Of het kan verstaan worden van de staat van de doden. Als wij buiten het gezicht van de levenden worden weggebracht, dan zijn wij daarmee niet buiten het gezicht van de levende God, voor Zijn oog kunnen wij ons niet verbergen in het graf. Of, van de plaats van de veroordeelden bedde ik mij in de hel wel een ongerieflijke plaats om er zijn bed in te maken, waar geen rust is, dag noch nacht, toch zullen er duizenden hun bed in maken zie, Gij zijt daar in Uw macht en gerechtigheid. Gods toorn is het vuur dat daar voor eeuwig zal branden. c. In de verst verwijderde hoeken van deze wereld. "Nam ik de vleugelen des dageraads, de stralen van het morgenlicht (de vleugelen van de zon genoemd Maleachi 4:2) die door niets in snelheid worden overtroffen, om er op heen te vlieden naar de uiterste delen van de zee, of van de aarde, Job 38:12-13, zou ik heenvlieden naar de verst-verwijderde en onbekendste, afgelegenste eilanden het ultima Thule, het einde van de wereld, het Terra incognita, het onbekende land ik zou U er vinden, ook daar zou Uw hand mij geleiden, zover als ik ga, en Uw rechterhand zou mij houden, zodat ik niet verder kan gaan, niet buiten Uw bereik kan gaan." God heeft Jona spoedig staande gehouden, toen hij naar Tarsis vluchtte voor het aangezicht des Heeren.
2. Geen sluier kan ons voor Gods oog verbergen, neen, zelfs de dikste duisternis niet vers 11, 12. Indien ik zei, de duisternis zal mij immers bedekken, als niets anders het kan, helaas, ik vind mij teleurgesteld, de gordijnen van de avond zullen mij niet meer dienst bewijzen dan de vleugelen van de morgen, de nacht is een licht om mij. Datgene, hetwelk dikwijls de ontsnapping van een vervolgde misdadiger begunstigt of de terugtocht van een verslagen leger, zal mij geen vriendelijkheid bewijzen als ik voor U vlied. Toen God onderscheid maakte tussen het licht en de duisternis was het onder voorbehoud van dit, zijn kroonrecht, dat voor Hem de duisternis en het licht gelijk zullen zijn. Voor U verduistert de duisternis niet, want er is geen duisternis of schaduw des doods, waarin de werkers van de ongerechtigheid zich kunnen verbergen. Geen huichelachtig masker, geen vermomming, hoe schoonschijnend ook, kan enigerlei persoon of daad er voor behoeden om door God in het ware licht gezien te worden. De verborgen schuilhoeken van de zonde zijn voor God even open als de meest openbare schanddaden.
II. Omdat Hij het werk van Zijn handen is, hij, die het werktuig formeerde, kent er al de bewegingen van. God heeft ons gemaakt, en daarom zal Hij ons ongetwijfeld kennen, Hij zag ons toen wij geformeerd werden, kunnen wij dan, nu wij geformeerd zijn, voor Hem verborgen wezen? Bij dit argument blijft hij stilstaan, vers 13-16. Gij bezit mijn nieren, Gij zijt meester van mijn verborgenste gedachten en voornemens, van de innerlijkste schuilhoeken mijner ziel. Gij kent ze niet alleen, maar bestuurt ze, zoals wij hetgeen wij in bezit hebben besturen, en het bezit, dat Gij hebt van mijn nieren, is een rechtmatig bezit want Gij hebt mij in mijn moeders buik bedekt, Gij hebt mij gemaakt, Job 10:11. Gij hebt mij een geheimenis gemaakt, de ziel is voor allen verborgen, die om ons heen zijn, "wie van de mensen weet hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen?" 1 Corinthiers 2:11. Vandaar dat wij lezen van de verborgen mens des harten. Maar het was God zelf, die ons aldus bedekt heeft, en daarom kan Hij, als het Hem behaagt, ons ontdekken, toen Hij ons voor geheel de wereld verborgen heeft, heeft Hij niet bedoeld ons voor zichzelf te verbergen.
Betreffende de formering van de mens, van een ieder van ons:
1. Wordt de eer ervan hieraan God gegeven, geheel en uitsluitend aan Hem, want Hij is het, die ons gemaakt heeft en niet wij. Ik zal U, de oorsprong van mijn bestaan, loven, mijn ouders waren er slechts de werktuigen van. Het werd gedaan:
a. Onder Goddelijk toezicht. Mijn ongevormde klomp, nog verborgen in de baarmoeder, ja toen die nog geformeerd werd, een ongevormd embryo was, was voor U niet verborgen, Uw ogen hebben hem gezien. b. Door de Goddelijke werking. Gelijk het oog van God ons toen gezien heeft zo heeft Zijn hand ons bewerkt, wij waren Zijn werk.
c. Volgens het Goddelijk voorbeeld, in Uw boek waren al mijn leden geschreven. De eeuwige wijsheid vormde het plan, en door die almachtige kracht is het schone gebouw opgericht.
2. Heerlijke dingen worden er hier van gezegd, de generatie van de mens moet met dezelfde vrome eerbied beschouwd worden als zijn schepping in den beginne. Beschouw haar:
a. Als een groot wonder, dat echter in de gewone loop van de natuur gewerkt werd. Wij zijn op een heel vreeslijke wijze wonderbaarlijk gemaakt. Wij kunnen terecht verbaasd staan over de verwonderlijk schone samenstelling van deze levende tempelen, de samenstelling van ieder deel, en de harmonie van het geheel.
b. Als een grote verborgenheid, een verborgenheid van de natuur. Ook weet het mijn ziel zeer wel, dat het wonderlijk is, maar hoe het voor iemand anders te beschrijven, weet ik niet, want ik ben in het verborgene gemaakt en als een borduursel gewrocht in de baarmoeder, als in de nederste delen van de aarde, zo in afzondering, zo in het verborgen, zo ver buiten het gezicht.
c. Als een grote zegen, dat al onze leden in vervolg van tijd geformeerd werden, naar het in het boek van Gods wijze raad geschreven was, toen nog geen van die was. Indien er van onze leden sommige niet in Gods boek waren, dan zouden zij ook aan ons lichaam ontbroken hebben, maar door Zijn goedheid hebben wij al onze leden en al onze zinnen, het ontbreken van sommigen er van zou ons tot een last maken voor onszelf. Zie hoe grote redenen wij dus hebben om God te danken voor onze schepping, en om tot de gevolgtrekking te komen dat Hij, die onze ongevormde klomp gezien heeft, ons, nu wij geformeerd zijn, ook ziet.