Genesis 32:3-8
Nu Jakob weer in Kanaän kwam heeft God hem door het gezicht van engelen herinnerd aan de vrienden die hij had toen hij het verliet, en daaruit neemt hij nu aanleiding om zich de vijanden te herinneren, die hij heeft, en wel inzonderheid Ezau. Het is waarschijnlijk dat Rebekka hem heeft doen weten, dat Ezau zich in Seir gevestigd had en hem vijandig was gebleven. Wat zal Jakob nu doen? Hij verlangt zijn vader weer te zien, maar hij vreest zijn broer te ontmoeten. Hij verheugt zich weer in Kanaän te zijn, maar, vanwege Ezau kan hij zich slechts verheugen met beving.
1. Hij zendt een zeer vriendelijke en ootmoedige boodschap aan Ezau. Het blijkt niet dat zijn weg door Ezau's land liep, of dat hij hem verlof behoefde te vragen om er doorheen te trekken, maar zijn weg was er dichtbij, en hij wilde hem niet voorbij gaan zonder hem de vriendelijkheid en achting te betonen, die aan een broer, een tweelingbroer, een enige broer, een oudere broer, een beledigde broer, toekomen. Als onze bloedverwanten tekortkomen in hun plicht jegens ons, dan moeten wij toch nauwgezet onze plicht doen jegens hen. Het is een daad van vriendschap en broederlijke liefde om onze vrienden en betrekkingen bekend te maken met onze toestand, en naar die van hun te vragen. Daden van beleefdheid kunnen er toe bijdragen om vijandschap te doden. Jakob's boodschap aan hem is zeer voorkomend en beleefd, vers 4, 5. Hij noemt Ezau zijn heer, en zichzelf zijn knecht, om te kennen te geven dat hij niet stond op de voorrechten van het geboorterecht en van de zegen, die hij zich had verkregen maar het aan God overliet om Zijn doeleinden tot stand te brengen in zijn zaad. Toegevendheid stilt grote zonden, Prediker 10:4. Wij moeten niet weigeren op eerbiedige en onderworpen toon te spreken tot hen, die, al is het ook nog zo onrechtvaardig vertoornd te zijn op ons. Hij geeft hem een kort bericht omtrent zichzelf, dat hij geen vluchteling of zwerver was, maar, hoewel hij gedurende lange tijd afwezig is geweest, had hij toch een verblijf bij zijn bloedverwanten: ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd, en dat hij ook niet arm was, of als een verloren zoon thuis kwam, die het nodige derft en dus ten laste van zijn familie zal komen, neen, ik heb ossen en ezels. Hij wist dat, zo iets, dit hem in de goede mening van Ezau zou aanbevelen. Hij dingt ook naar zijn gunst, ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen. Het is geen verkleining voor hen, die het recht aan hun zijde hebben, om het verzoek te doen om verzoening, om vrede te vragen, zowel als om recht.
II. Hij ontvangt een vreeswekkend bericht van Ezau's krijgshaftige toebereidselen tegen hem, vers 6, geen woord, maar een slag, een zeer ruw antwoord op zijn vriendelijke boodschap, en een treurig welkom thuis aan een broer. Hij trekt u tegemoet, en vier honderd mannen met hem. Hij is het zat om op de dagen van rouw over zijn goede vader te wachten, en hij besluit om reeds voordat die gekomen zijn, zijn broer te doden.
1. Hij gedenkt aan de ouden twist en hij zal zich nu op hem wreken vanwege het geboorterecht en de zegen, en zo mogelijk aan Jakob's verwachtingen van beiden de bodem inslaan. De haat, die gekoesterd wordt, zal lang duren en zal nog met heftigheid uitbreken lang nadat de aanleiding er toe gegeven was. Toornige mensen hebben een goed geheugen.
2. Hij benijdt Jakob zijn bezitting, en hoewel hij zelf nu een veel grotere bezitting had, kan hem toch niets minder tevreden stellen dan Jakob's verderf te zien, en zijn velden met hetgeen hij van Jakob rooft te verrijken. Misschien heeft het bericht, dat Jakob hem zond omtrent zijn vermogen, hem nog te meer in toorn tegen hem ontstoken. 3:Hij acht het een gemakkelijke zaak hem ten onder te brengen, nu hij op de weg was, als een arm, vermoeid reiziger, ongevestigd en (naar hij denkt) onbeschut. Zij, die het gif van de slang hebben, volgen gewoonlijk ook zijn methode, namelijk om de eerste de beste gelegenheid, die zich voordoet, aan te grijpen om zich te wreken.
4. Hij besluit om dit schielijk te doen, voordat Jakob nog tot zijn vader was gekomen, opdat deze niet als middelaar tussenbeide zou kunnen treden. Ezau was een van degenen, die de vrede haten, als Jakob spreekt, vreedzaam spreekt, is Ezau aan de oorlog, Psalm 120:6, 7. Daar trekt hij nu heen, voortgedreven door haat en woede, bedacht op bloed en moord. Vier honderd mannen had hij meegenomen, waarschijnlijk zij als die ook met hem op de jacht gingen, gewapend, zonder twijfel ruw en wreed als hun aanvoerder, bereid om het woord van bevel te volvoeren, hoe barbaars dit ook zijn mocht, en slechts dreiging en moord blazende. Het tiende deel van hen was nog voldoende, om Jakob en zijn schuldeloos, hulpeloos gezin met wortel en tak uit te roeien. Men kan zich dus niet verwonderen over hetgeen volgt: Toen vreesde Jakob zeer en hij was bang, te meer wellicht, omdat hij nog nauwelijks van de schrik was bekomen wegens Laban. Velen zijn de tegenspoeden en benauwdheden van de rechtvaardigen in deze wereld, en soms is het einde van het een slechts het begin van het andere. De wolken keren weer na de regen. Hoewel Jakob een man was van groot geloof, was hij toch nu zeer bevreesd. Een levendig besef van gevaar en een daaruit ontstane grote vrees en verschrikking zijn zeer wel bestaanbaar met een nederig vertrouwen op Gods macht en belofte. Christus zelf is in Zijn doodsbenauwdheid zeer verbaasd en beangst geweest.
III. Hij brengt zich zo goed als hij kan instaat van verdediging. Het zou ongerijmd zijn om aan weerstand te denken, al wat hij doet of bedenkt, is slechts om te kunnen ontkomen, vers 7, 8. Hij acht het geraden om niet iedereen en alles tegelijk aan het gevaar blootgesteld te laten, en daarom verdeelt hij wat hij heeft in twee groepen, opdat als de een verslagen zou worden, de andere zou kunnen ontkomen. Als een tedere, zorgzame huisvader zorgt hij meer voor de veiligheid van zijn gezin dan voor zijn eigen veiligheid. Hij verdeelde zijn gezelschap, niet zoals Abraham, om te vechten, Hoofdstuk 14:15, maar om te vluchten.