Romeinen 9:30-33
De apostel komt er hier ten slotte toe om de ware oorzaak van de aanneming der heidenen en de verwerping der Joden vast te stellen. Er was verschil in de wijze van hun zoeken, en daarom was er ook verschil in den uitslag, ofschoon het toch de vrije genade Gods was, die hen deed verschillen. Hij besluit gelijk een redenaar: Wat zullen wij dan zeggen? Wat is de gevolgtrekking van de gehele redenering?
I. Voor zoveel de heidenen aangaat.
1. Hoe zij vervreemd waren van de rechtvaardigheid. Zij zochten die niet, zij kenden hun schuld en ellende niet, en daarom waren zij ook in het geheel niet begerig naar het geneesmiddel. In hun bekering werd de voorkomende genade Gods ten hoogste verheerlijkt. God werd gevonden door degenen, die Hem niet zochten, Jesaja 65:1. Er was niets in hen dat hen geschikt maakte voor zulk een gunst, dan hetgeen de vrije genade in hen gewerkt had. God heeft er behagen in op die wijze genade te geven in een weg van vrijmacht en onbeperkte heerschappij.
2. Hoe zij desniettegenstaande tot de rechtvaardigheid kwamen: door het geloof. Niet door overgebracht te worden tot den Joodsen godsdienst, niet door zich te onderwerpen aan de ceremoniële wet, maar door Christus te omhelzen, in Christus te geloven en zich te onderwerpen aan het Evangelie. Zij kwamen er toe door de zaak kort af te snijden door een oprecht geloof in Christus, terwijl de Joden langen tijd bezig waren geweest tevergeefs allerlei omwegen te lopen.
II. Met betrekking tot de Joden.
1. Hoe zij hun doel misten: zij zochten de wet der rechtvaardigheid, vers 31. Zij spraken veel over rechtvaardigheid en heiligheid, zij schenen zeer naijverig om het volk Gods en de gunstelingen des hemels te zijn, maar zij kwamen er niet toe, dat is, het grootste gedeelte hunner bereikte het niet. Zo velen hunner als bij hun oude Joodse beginselen en plechtigheden bleven staan, hun gelukzaligheid in de waarneming daarvan zochten, de schaduwen omhelsden in plaats van de zaak zelf die komen zou, ontgingen de aanneming door God, werden niet als Zijn volk erkend, en gingen niet gerechtvaardigd naar hun huis.
2. Hoe zij den weg wisten en wat de oorzaak was dat zij hun doel niet bereikten, vers 32, 33. Zij zochten, maar zij zochten niet op de rechte wijze, niet in den weg der vernedering, niet in den ingestelden, aangewezen weg.
Niet uit het geloof, niet door den Christelijken godsdienst aan te nemen en te berusten in de verdienste van Christus en zich te onderwerpen aan de voorwaarden van het Evangelie, hetgeen het leven en het enig einddoel van de wet is. Maar zij zochten het als uit de werken der wet, zij verwachtten rechtvaardigmaking door hun waarnemen van de voorschriften en plechtigheden van de wet van Mozes. Dat was de steen des aanstoots, waaraan zij zich gestoten hebben. Zij konden niet heenkomen over dit bedorven beginsel, dat zij eens voor goed aangenomen hadden: dat de wet hun met geen ander doel gegeven was, maar dat zij bloot door hun waarneming van en hun gehoorzaamheid aan die wet gerechtvaardigd zouden worden voor God. En daardoor konden zij met geen mogelijkheid verzoend geraken met de leer van Christus, die hen wilde afbrengen van die dwaling en heenleiden naar de verwachting van rechtvaardigmaking door de verdiensten en genoegdoening van een ander. Christus zelf is voor hen een steen des aanstoots en een rots der ergernis, gelijk hij aanhaalt uit Jesaja 8:14 en 28:16. Het is treurig dat Christus voor iemand, wie ook, tot een val zou gesteld worden, en toch is het zo, Lukas 2:34, dat er vergif kan gezogen worden uit den balsem van Gilead, dat de hoeksteen voor iemand een steen des aanstoots zou zijn, de rots der zaligheid een rots der ergernis zou worden, maar Hij is het voor menigten. En Hij was het ook voor de ongelovige Joden, die Hem verwierpen omdat Hij een einde maakte aan hun ceremoniële wet. Maar toch is er een overblijfsel, dat in Hem gelooft, en dat zal niet beschaamd worden. Dat is: hun hoop en verwachting van rechtvaardigmaking door Hem zal niet teleurgesteld worden, zoals die van hen, welke haar verwachten van de wet. Zodat, ten slotte, de ongelovige Joden geen reden hebben over hun verwerping met God te twisten. Hun werd een oprecht aanbod van gerechtigheid, leven en verlossing gedaan, voor hen gereed gemaakt op de voorwaarden des Evangelies, maar zij hadden daar geen lust in en wilden er niet toe komen. En daarom: indien zij verloren gaan, hebben zij het aan zich zelven te wijten, hun bloed is op hun eigen hoofd.