Romeinen 9:6-13
De apostel heeft nu voor hetgeen hij te zeggen heeft omtrent de verwerping van het volk zijner landgenoten den weg gebaand door ene betuiging van zijn eigen genegenheid voor hen en een toestemming in hun onbetwistbare voorrechten, en komt nu in deze verzen en het verdere gedeelte van dit hoofdstuk tot het leveren van het bewijs dat deze verwerping van de Joden, door de instelling van de evangelische bedeling, in geen enkel opzicht het woord der belofte aan de aartsvaders had verouderd of buiten werking gesteld. Doch ik zeg dit niet alsof het woord Gods ware uitgevallen, vers 6. Dit zou kunnen ondersteld worden wanneer men lette op den toenmaligen toestand der Joden, die Paulus zo grote droefheid en gedurige smart veroorzaakte. Wij mogen nooit aan enig woord van God machteloosheid toeschrijven, niets van hetgeen Hij gesproken heeft, zal of kan op den grond vallen, Jesaja 55:10, 11. De beloften en bedreigingen zullen beide vervuld worden, en op de ene of andere wijze zal God de wet verheerlijken en tot ere brengen. Dit moet voornamelijk verstaan worden van de belofte Gods, welke door tussenkomende omstandigheden dikwijls voor het geloof zeer twijfelachtig kunnen schijnen, maar die belofte kan en zal niet uitvallen, het einde zal zeker aan den inhoud beantwoorden en niet liegen. Nu is de moeilijkheid de verwerping van de ongelovige Joden te verzoenen met het woord van Gods belofte en de uiterlijke tekenen van de goddelijke gunst, die hun geschonken waren. Hij doet dat op vierderlei wijze.
1. Door te wijzen op de ware mening en bedoeling van de belofte, vers 6-13.
2. Door te betogen en te bewijzen de onbeperkte vrijmacht Gods in Zijne beschikking over de kinderen der mensen, vers 14-24.
3. Door aan te tonen dat deze verwerping der Joden en deze aanneming van de heidenen voorzegd waren in het Oude Testament, vers 25-29 van de dienstmaagd, geboren lang voor Izaak, hij had een opstandige en ruwe geaardheid, hij had Izaak bespot of vervolgd, op dit alles kon men onderstellen dat God gelet had toen Hij Abraham beval hem uit te werpen. Maar in het geval van Jakob en Ezau bestond niets van dien aard. Zij waren beiden zonen van Izaak, van dezelfde moeder, zij werden ontvangen ex henos, uit een, dat is: uit een en dezelfde ontvangenis, ex henos koitoe, zoals sommige handschriften te lezen geven. De onderscheiding tussen hen werd gemaakt door goddelijk raadsbesluit nog voor zij geboren werden, of enig goed of kwaad gedaan hadden. Beiden worstelden tezamen in het lichaam der moeder, toen gezegd werd: De meerdere (de oudere) zal den minderen (den jongeren) dienen, zonder enig verricht of vooruitgezien goed of kwaad werk in aanmerking te nemen, maar, opdat het voornemen Gods, hetwelk naar de verkiezing was, vastbleve, - opdat deze grote waarheid onaangetast bleve, dat God als vrijmachtig beschikker den enen verkiest en den anderen verwerpt, Zijn gunsten verdelende of terughoudende naar Zijn welbehagen. Het onderscheid, dat tussen Jakob en Ezau gemaakt werd, licht hij verder toe met de aanhaling van Maleachi 1:2, 3, waar gezegd wordt, niet van Jakob en Ezau als personen, maar van hun nakomelingen de Israëlieten en de Edomieten: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. Het volk van Israël was opgenomen in het bijzonder verbond, had het land Kanaän verkregen, was gezegend met de meer-zichtbare verschijningen Gods ter hunner bijzondere bescherming, voorziening en uitreddingen, terwijl de Edomieten verworpen waren, geen tempel, altaren, priesters of profeten hadden, en hun zo duidelijke vriendschap niet getoond en zo bijzondere bescherming niet gegeven werd. Zulk een onderscheid maakte God tussen deze beide volken, ofschoon beide uit de lenden van Abraham en Izaak voortgekomen waren, even groot als er dadelijk gemaakt werd tussen Jakob en Ezau, de beide onderscheiden hoofden van deze volken zelven. Al deze verkiezing en verwerping was dus vooraf schaduwend en bedoelde een beeld te zijn van volgende verkiezing en verwerping.
A. Sommigen verstaan dit van de verkiezing en verwerping van voorwaarden of hoedanigheden gelijk God Izaak en Jakob verkoor en Ismael en Ezau verwierp, zo verkoor Hij en zal Hij verkiezen het geloof als middel van verlossing en de werken der wet verwerpen. Zo verstaat Arminius het: De rejectis et assumptio tolibus, certa qualitate notatis: Betreffende verworpenen en uitverkorenen, die onderscheiden worden door eigendommelijke hoedanigheden. Evenzo John Goodwin. Maar dit gaat rechtstreeks tegen de Schrift in, want de apostel spreekt voortdurend van personen, hij is barmhartig (hij zegt niet welk soort van mensen, maar) dien hij barmhartig is. Bovendien zouden tegen deze verklaring de beide tegenwerpingen van verzen 14 en 19 niet gemaakt kunnen worden en zijn weerlegging daarvan, sprekende van Gods onbeperkte vrijmacht over de kinderen der mensen is in geen enkel opzicht steekhoudend indien er niets meer bedoeld wordt dan Gods aanwijzing van de middelen ter verlossing.
B. Anderen verstaan het van de verkiezing en verwerping van bijzondere personen, dezen geliefd en anderen gehaat, van eeuwigheid. Maar de apostel spreekt van Jakob en Ezau, niet met betrekking tot hen persoonlijk, maar als voorvaders: Jakob het volk en Ezau het volk. Ook verdoemt God niemand en verkiest Hij niemand, bloot omdat het Hem zo behaagt, zonder enige reden daarvoor in hun eigen verdiensten.
C. Daarom vatten anderen het op als de verkiezing of verwerping van een geheel volk, als een geheel beschouwd. Zijn bedoeling is God te rechtvaardigen en Zijn barmhartigheid en getrouwheid in het roepen der heidenen om hen op te nemen in de gemeente en in Zijn verbond, onderwijl Hij toeliet dat de ongelovige Joden volhardden in hun tegenstand en daardoor zich zelven buiten de gemeente plaatsten, omdat zij hun ogen sloten voor hetgeen tot hun zaligheid diende. De redenering van den apostel evenwel en zijn bewijsvoering zijn ook zeer toepasselijk en worden zonder twijfel ook bedoeld (gelijk in de Schrift de gewoonte is) toegepast te worden op de handelwijzen van Gods genade jegens bijzondere personen, want de mededeling van zaligmakende voorrechten heeft enige overeenkomst met de mededeling van gemeentelijke voorrechten. De verkiezing van Jakob den jongere en de verwerping van Ezau den oudere (evenals het kruisen van de handen) zouden aanduiden dat de Joden, ofschoon zij het zaad Abrahams en de eerstgeboren van de gemeente waren, terzijde gezet zouden worden, en de heidenen, die gelijk waren aan den jongeren broeder, in hun plaats aangenomen worden en het geboorterecht en zijn zegeningen verkrijgen zouden. De Joden, beschouwd als wereldlijk lichaam, als volk, tezamen gehouden door den band en het cement van de ceremoniële wet, den tempel en de priesterschap, het middelpunt van hun vereniging, waren gedurende vele eeuwen de gunstelingen des hemels geweest, een priesterlijk koningschap, een heilig volk, verwaardigd en onderscheiden door God met wonderbare verschijningen onder en voor hen. Maar nu het Evangelie verkondigd was en de Christelijke gemeente was gesticht, was dat volkslichaam daardoor verlaten, hun kerkelijke staat ontbonden. En de Christelijke gemeenten (in vervolg van tijd de Christelijke volken) waren op gelijke wijze verenigd, en werden hun opvolgers in de goddelijke gunsten, en al die bijzondere voorrechten en bescherming, die de gevolgen van die gunsten waren. De bedoeling van den apostel is Gods rechtvaardigheid in deze grote bedeling in het licht te stellen.