22. Die Azaria of Uzzia rechtvaardigde ook weldra na zijn komst aan de regering de verwachtingen, die men van hem voedde; want hij bouwde, versterkte Elath, 1) de Idumese havenstad aan het noordoostelijk einde van de Elanitische Golf (
Numeri 20:1), en bracht haar weer aan Juda, tot welk rijk zij vroeger behoord had (
1 Koningen 9:22;
22:49) nadat de koning, zijn vader Amazia, die in de tweede helft van zijn regering zich zo zwak betoonde, met zijn vaderen ontslapen was. 2)
1) Uzzia voleindigde daardoor de ondergang van de Edomieten. Dat dit terstond wordt bericht, daaruit blijkt voldoende van hoe grote betekenis deze daad werd geacht door de gewijde schrijver, maar dient ook, om terstond te doen zien, wat een krachtig vorst deze Uzzia zou zijn en geweest is..
2) Gedurende de 52-jarige regering van deze nieuwe koning, de tiende in het rijk van Juda, van wie in 15:1-7 nader gesproken zal worden, en wel in de jaren van 810-783 v. Chr. valt eerst de werkzaamheid van de profeet Joël, over welke persoonlijke betrekkingen wij verder geen berichten bezitten, dan dat hij een zoon van Pethuël was, en dus wel onderscheiden mag worden van andere mannen met deze dikwijls voortkomende naam (1 Samuël 8:2; 1 Kronieken 4:35; 6:4, 8, 12 enz. top- en middelpunt van zijn arbeid is de verkondiging van de ware, geestelijke vernieuwing van het Verbondsvolk, waarmee hij zeker in tegenspraak komt met de overdreven verwachtingen, die men van de verwisseling van regering bij Uzzia's troonsbeklimming koesterde. Maar deze vernieuwing wordt voorbereid door een groot gericht van de Heere, dat Hij over Zijn volk laat komen ( 1:1-2, 17); zij bestaat in een genadedaad van de goddelijke liefde, in de wondervolle mededeling van de goddelijke Geest, die Hij in grote kracht en rijke volheid over alle vlees zal uitgieten ( 2:18-3:5), en zij wordt voltooid in het gericht, over allen die zich vijandelijk stellen tegen deze Geest en tegen de gemeente, die door deze vernieuwd en gezuiverd is ( 3:6-26). Met een uitspraak uit het laatste gedeelte van Joëls woorden ( 3:21) opent vervolgens Amos de herder uit Thekoa, zijn eigen profetie ( 1:2). Amos leefde eveneens in de tijd toen in Juda Uzzia en in Israël Jerobeam II regeerde. Amos komt ook elders met woorden van zijn tijdgenoot voor de dag; want juist in deze verscheidenheid van profeten, die met verschillende gaven en krachten waren bedeeld, maar slechts één streven kenden en slechts één doel beoogden, wilde de Heere in Zijn neerbuigende liefde en in Zijn alles zich dienstbaar makende trouwe voorzorg voor zijn ontaard en voor het oordeel rijpend volk zich openbaren. Krachtens goddelijke roeping ( 7:15) verrast Amos zijn vaderland, het land van Juda, en begeeft hij zich naar Bethel, de hoofdzetel van de Israëlitische kalverdienst, om daar de zorgeloze zondaren de nadering van het goddelijk gericht aan te kondigen. Deze aankondiging gebeurde in een tijd, toen niet slechts het rijk van Juda onder Uzzia's schitterend bestuur op het toppunt van zijn macht stond, maar ook het rijk van de Tien Stammen na Jerobeam's zegepraal over de Syriërs-terwijl van de zijde van de Assyriërs nog in het geheel geen gevaar dreigde-zich in een toestand van kracht en zekerheid bevond. Is dus zijn zending als een vernieuwing en een voortzetting van die oudere zending van de man Gods uit Juda, die tegen het altaar te Bethel onder Jerobeam I profeteerde (1 Koningen 13:1vv.), hij getuigt dan ook in 3:14 uitdrukkelijk tegen dat brandpunt van het godsdienstig en zedelijk verderf van de Tien Stammen. Maar hij had geenszins met Israël alleen te doen; nee, hij roept zowel zijn wee uit over de gerusten te Sion, als over de zekeren op de berg van Samaria ( 6:1). Een aardbeving onder Uzzia, waarvan het tijdstip niet nader is op te geven, maar waarvan de herinnering nog in de tijd na de ballingschap bij het volk levendig was ( 1:1 Zacharia 14:5) staat met zijn profetische zending in een innig verband; zij was een voorbode van het gericht, waarmee hij de beide rijken en de omliggende volken bedreigde en tevens een feitelijke verklaring van Gods zijde, dat Hij het woord van Zijn knecht tot waarheid zou maken..
*XIII. Vers 23-29. Door Jerobeam II, de opvolger van Joas op de koningstroon van Israël, wordt het wel met de kalverdienst net zo min anders als bij Jehu, de grondlegger van deze dynastie, die zich van de overgeërfde politiek in het rijk van de tien stammen niet had willen losscheuren; nochtans was hij ook de helper en verlosser, die het erbarmen van de Heere in deze kommervolle tijd aan het volk geschonken had, en hij verloste het werkelijk van zijn vijanden, en bracht het rijk weer tot zijn oude grenzen terug. Israël wordt nog eenmaal met een gelukkige tijd bedeeld, opdat het door Gods goedheid zich tot boete wilde laten leiden, maar op de gelukkige tijd volgde, omdat het volk in zijn afval volhardde, onmiddellijk de voorbereiding van de Goddelijke strafgerichten tot aan de volkomen verwerping.