2 Koningen 16:5-9
Hier is:
1. De aanslag van zijn verbonden naburen, de koningen van Syrië en Israël, tegen hem. Zij dachten zich meester te maken van Jeruzalem, en er iemand van hen tot koning aan te stellen, Jesaja 7:6. Daarin zijn zij niet geslaagd, maar de koning van Syrië heroverde Elath, een belangrijke haven aan de Rode Zee, die Amazia van de Syriërs had genomen, Hoofdstuk 14:22. Wat kunnen zij behouden, die hun Godsdienst hebben verloren? Laat hen verwachten van nu voortaan aan de verliezende hand te zijn.
2. Zijn plan om van hen bevrijd te worden. God hebbende verlaten, had hij moed noch kracht om zijn vijanden het hoofd te bieden, ook kon hij niet met vrijmoedigheid God om hulp vragen, maar hij maakte zijn hof aan de koning van Assyrië, en verkreeg van hem dat hij hem te hulp kwam. Zij, wier hart hen veroordeelt, zullen in de dag van de benauwdheid overal heengaan, maar niet tot God. Was het omdat er geen God in Israël was, dat hij tot de Assyriërs zond om hulp? Was de Rots van de eeuwen uit Zijn plaats bewogen, dat hij op deze gebroken rietstaf steunde? De zonde zelf was haar eigen straf. Weliswaar, hij heeft zijn doel bereikt: de koning van Assyrië hoorde naar hem, om zijn eigen belangen te dienen viel hij Damascus aan, waardoor hij een krachtige afleiding gaf aan de koning van Syrië, vers 9, en hem noodzaakte zijn aanslag tegen Achaz op te geven, voerde de Syriërs gevankelijk weg naar Kir, zoals Amos duidelijk voorzegd had, Hoofdstuk 1:5, maar alles in aanmerking genomen, heeft hij er toch een slechte koop mee gedaan, want om zijn doel te bereiken:
A. Heeft hij zichzelf geknecht, vers 7. Ik ben uw knecht en uw zoon, dat is: "Zo gij mij slechts deze dienst wilt bewijzen, zal ik u eren en gehoorzamen als een meester, of een vader." Indien hij zich aldus voor God had verootmoedigd en om Zijn gunst had gesmeekt, hij zou op gemakkelijker voorwaarden verlossing hebben verkregen, hij zou zijn geld hebben kunnen behouden en slechts afstand behoeven te doen van zijn zonden, maar als de verloren zoon het huis van zijn vader verlaat, wordt hij spoedig een slaaf van de hardsten van de meesters, Lukas 15:15.
B. Hij heeft zich verarmd, want hij nam het zilver en goud uit de schat van de tempel en van het rijk, en zond het aan de koning van Assyrië, vers 8. Kerk en staat moeten uitgezogen worden om deze zijn nieuwe beschermheer en voogd tevreden te stellen. Ik weet niet welk recht hij had om aldus over de publieke fondsen te beschikken, maar gewoonlijk zullen zij, die zich in verlegenheid en benauwdheid hebben gebracht door de ene zonde, er zich uit zien te redden door een andere, en zij, die zichzelf van God vervreemd hebben, zullen geen bezwaar maken om Zijn rechten te vervreemden.