Genesis 24:29-53
Wij hebben hier het sluiten van het huwelijk tussen Izaak en Rebekka. Het wordt zeer uitvoerig en tot in de kleinste bijzonderheden verhaald, hetgeen, naar wij zouden denken, wel achterwege had kunnen blijven, terwijl andere dingen van groot gewicht en diepe verborgenheid (zoals de geschiedenis van Melchizedek) slechts kort en in weinig woorden worden verhaald. Aldus verbergt God hetgeen van gewicht is voor de wijzen en verstandigen, en openbaart aan kinderkens hetgeen heel gewoon is en aansluit op hun verstand, Mattheus 11:25, en regeert Hij de wereld en maakt haar zalig door de dwaasheid van de prediking, 1 Corinthiërs 1:21. Zo worden wij er ook toe geleid om te letten op Gods voorzienigheid in de kleine dagelijkse voorvallen van het menselijk leven, en daarin ook ons eigen verstand en andere genadegaven te oefenen, want de Schrift was niet alleen bestemd tot nut en voordeel van wijsgeren en staatslieden, maar om ons allen wijs en deugdzaam te maken in het besturen van onszelf en van ons gezin. Hier is:
I. Het zeer vriendelijk onthaal van Abrahams dienstknecht bij Rebekka's bloedverwanten. Haar broeder Laban ging uit, om hem binnen te nodigen, maar niet vóór hij het voorhoofdsiersel en de armringen aan de handen van zijn zuster gezien had, vers 30. "O!" denkt Laban, "hier is een man, van wie iets te krijgen is, een rijk en vrijgevig man, die zullen wij voorzeker welkom heten!" Uit de volgende geschiedenis weten wij genoeg van Labans karakter om ons te doen denken, dat hij niet zo gul geweest zou zijn in zijn onthaal, indien hij niet gehoopt had er zo goed voor betaald te worden als hij was, vers 53. "De gift des mensen maakt hem ruimte" Spreuken 18:16, "het geschenk. waarheen het zich zal wenden, zal het wel gedijen," Spreuken 17:8.
1. De uitnodiging was vriendelijk, vers 31. Kom in, gij gezegende des Heeren. Zij zagen dat hij rijk was, en daarom noemden zij hem gezegende des Heeren, of misschien hebben zij, omdat zij van Rebekka gehoord hadden welke Godvruchtige woorden hij had gesproken, geloofd dat hij een goed man was, en bijgevolg een gezegende des Heeren. Zij, die door God gezegend zijn, behoren ons welkom te wezen. Het betaamt ons hen te eren, die door God geëerd zijn.
2. Het onthaal was vriendelijk, vers 32, 33. Huis en stal waren wel voorzien, en Abrahams dienstknecht werd uitgenodigd om van beide vrijelijk gebruik te maken. Er werd inzonderheid zorg gedragen voor de kamelen, want "de rechtvaardige kent het leven van zijn beesten," Spreuken 12:10. Indien de os zijn bezitter kent om hem te dienen, dan behoort de bezitter zijn os te kennen om hem te voorzien van hetgeen goed en nuttig voor hem is.
II. Hoe hij volledig mededeling deed van zijn boodschap en aanzoek bij hen doet om de hand van Rebekka.
Merk op:
1. Hoe ijverig hij was in het behartigen van de zaak. Hoewel hij van een lange reis tot een goed huis was gekomen, wilde hij niet eten voordat hij zijn woorden gesproken had, dat is: zijn boodschap had overgedragen. Het doen van ons werk, het volbrengen van de taak die ons opgedragen is, hetzij door God of mensen, moet gaan vóór ons gebruik van het noodzakelijke voedsel. Voor onze Heiland was dit Zijn spijs en drank, Johannes 4:34. 2. Hoe verstandig hij was in het behandelen van de zaak. Hij heeft zich hierin een wijs en rechtschapen man betoond, getrouw aan zijn heer, die hem zijn vertrouwen had geschonken en rechtvaardig tegenover hen, met wie hij nu handelde.
Hij geeft hun een kort bericht van de staat van het gezin van zijn heer, vers 34-36. Tevoren was hij al welkom, maar wij kunnen veronderstellen dat hij dubbel welkom was toen hij zei: Ik ben Abrahams knecht. Abrahams naam was ongetwijfeld wèl bekend en geëerd onder hen, en wij kunnen veronderstellen, dat zij ook niet geheel onbekend waren met zijn staat, want Abraham kende de hunne, Hoofdstuk 22:20-24. Hij spreekt van twee dingen om zijn voorstel aannemelijk te maken:
a. Dat zijn meester Abraham door Gods zegen een goed vermogen had, en:
b. Dat hij al wat hij bezat zou doen overgaan op Izaak, voor wie hij tot hen gekomen was.
Hij deelt hun mee welke taak zijn heer hem had opgedragen, namelijk een vrouw voor zijn zoon te zoeken onder zijn maagschap, en de reden hiervoor, vers 37, 38. Aldus geeft hij hun op aangename wijze te verstaan, dat Abraham hoewel hij in een ander land woonde en op zo'n grote afstand van hen, toch de herinnering aan, en zijn achting voor zijn bloedverwanten, die hij had achtergelaten, behouden heeft. De hoogste mate van liefde tot God moet ons niet van onze natuurlijke liefde ontdoen. Hij voorkomt ook een tegenwerping, namelijk dat, indien Izak een goed en verdienstelijk man was, hij hem niet naar zo'n ver land behoefde te zenden om een vrouw. Waarom huwde hij niet met iemand in zijn nabijheid? "Om een goede reden", zegt hij, "de zoon van mijn heer moet geen Kanaänietische vrouw trouwen." En voorts beveelt hij zijn voorstel nog aan:
a. Vanwege het geloof van zijn heer, dat hij welslagen zal. vers 40. Abraham bemoedigde zich door het getuigenis van zijn geweten, dat hij voor Gods aangezicht wandelde door een heilig leven te leiden, en hieruit leidde hij af, dat God hem voorspoedig zou maken, waarschijnlijk zinspeelt hij op het verbond, dat God met hem had gemaakt Hoofdstuk 17:1. Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees oprecht. Daarom- zegt hij-de God voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn engel met u zenden. Als wij nauwgezet ons deel van het verbond houden, dan kunnen wij de vertroosting hebben van Gods deel er van, en wij moeten leren algemene beloften op bijzondere gevallen toe te passen, als daar gelegenheid voor is.
b. Vanwege de voorzorg die hij zelf genomen had om hun volkomen vrijheid te laten om hun toestemming te geven of te onthouden, naar zij daar reden toe zagen, zonder dat hij zich aan meineed schuldig zou maken, vers 39-41, waaruit bleek in het algemeen, dat hij een voorzichtig man was, die er zeer bijzonder voor zorgde dat hun toestemming niet afgedwongen zou zijn, maar òf vrijelijk en van harte, òf niet gegeven zou worden.
Om het voorstel te ondersteunen verhaalt hij hun de verwonderlijke samenloop van omstandigheden, waarin duidelijk de vinger Gods gezien wordt. Hij zegt hun, hoe hij had gebeden om leiding door een teken, vers 42-44. Het is goed om te doen te hebben met hen, die door hun gebed God meenemen bij hun handelingen. Hoe God zijn gebed tot in de kleinste bijzonderheden had verhoord, hoewel hij slechts in zijn hart had gesproken, vers 45 waarvan hij misschien melding maakt, opdat de verdenking niet bij hen zou opkomen, dat Rebekka geluisterd had naar zijn gebed en er met voordacht naar gehandeld had. "Neen", zegt hij, "ik sprak in mijn hart, zodat niemand het gehoord heeft dan God, voor wie gedachten woorden zijn, en van Hem is de verhoring gekomen," vers 46, 47. Hierin had hij onmiddellijk Gods goedheid jegens hem erkend, die hem, zoals hij het uitdrukt, "op de rechte weg had geleid," Psalm 107:7, en die Hij leidt zijn goed geleid.
Nu laat hij de zaak eerlijk over aan hun goedvinden, en wacht op hun besluit, vers 49. "Zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, indien gij waarlijk goed en vriendelijk wilt zijn, dan zult gij het voorstel aannemen, en dan heb ik hetgeen, waarvoor ik hier kwam, maar zo niet, laat mij niet in onzekerheid blijven." Zij, die in oprechtheid handelen, hebben reden te verwachten, dat er in oprechtheid met hen gehandeld zal worden.
Gewillig en gaarne nemen zij het voorstel aan, en wel naar een zeer goed beginsel, vers 50. " Van de Heere is deze zaak. In Zijn voorzienigheid heeft God het aldus beschikt, en wij hebben er niets tegen te zeggen." Zij maken geen bezwaar wegens de afstand van de plaats, en wegens Abrahams verlaten van hen, noch wegens zijn niet-bezitten van land, doch alleen van roerende goederen, zij twijfelen ook niet aan de waarheid van hetgeen deze man zegt maar vertrouwen veel op zijn oprechtheid. Het zou goed zijn indien eerlijkheid en oprechtheid zó algemeen heersend waren onder de mensen, dat het evenzeer een daad van wijsheid en voorzichtigheid, als van goedhartigheid zou zijn, om iemand op zijn woord te geloven. Zij vertrouwen echter nog meer op Gods voorzienigheid, en daarom geven zij door stilzwijgen hun toestemming te kennen, daar de zaak blijkbaar door de oneindige Wijsheid beschikt en bestuurd is. Wij kunnen verwachten dat een huwelijk gelukkig zal zijn, als het blijkt van de Heere te wezen.
Met dankbaarheid erkent Abrahams knecht de voorspoed, die hij ondervonden heeft:
a. aan God, vers 52. Hij boog zich ter aarde voor de Heere.
Merk op:
Ten eerste. Zijn zaak had goede voortgang, en zo ging hij dan ook voort met God te loven. Zij, die "bidden zonder ophouden," behoren "in alles God te danken," Hem te erkennen in elke zegen die tot hen komt.
Ten tweede. God zond Zijn engel voor zijn aangezicht, en daarom had hij voorspoed, vers 7, 40. Maar toen hij nu de begeerde voorspoed had verkregen, heeft hij God en niet de engel, aangebeden. Welke nuttigheid wij ook hebben van de dienst der engelen, aan de Heer der engelen moet er de lof en dank voor worden toegebracht, Openbaring 22:9.
b. Hij betoonde ook aan de familie, en inzonderheid aan de bruid, zijn eerbiedige dankbaarheid, vers 53. Hij schonk haar, haar moeder en haar broeder veel kleinoden en kostbaarheden, zowel om hun een tastbaar bewijs te geven van de rijkdom van zijn heer en zijn vrijgevigheid, als in dankbaarheid voor de hoffelijkheid en vriendelijkheid, die zij hem betoond hadden, en om zich nog verder aangenaam bij hen te maken.