Spreuken 12:10
Zie hier:
1. In hoe hoge mate een Godvruchtige barmhartig is, hij heeft niet slechts medelijden met de menselijke natuur onder haar grootste vernedering of verlaging, maar hij geeft ook acht op het leven van zijn beesten, niet alleen omdat zij hem dienen, maar omdat zij Gods schepselen zijn, en in overeenstemming met Gods voorzienigheid, die mens en beest behoedt. De beesten die onder onze zorg zijn, moeten van het nodige worden voorzien, zij moeten geschikt voedsel en rust hebben, en nooit worden mishandeld of getiranniseerd. Bileam werd bestraft omdat hij zijn ezelin sloeg. De wet zorgde voor ossen. Diegenen dus zijn onrechtvaardige mensen, die niet rechtvaardig zijn tegenover het redeloos vee, zij, die woest en wreed tegen hen zijn, geven blijk van een gewoonte van barbaarsheid, en werken er toe mee dat het gehele schepsel zucht, Romeinen 8:22.
2. In hoe hoge mate een goddeloos man onbarmhartig is, zelfs zijn barmhartigheden zijn wreed, het natuurlijk medelijden, dat in hem is als mens, is verloren, en is door de kracht van het bederf veranderd in hardheid van hart, zelfs hetgeen zij voor medelijden willen doen doorgaan, is nog wreed, zoals Pilatus besluit betreffende Christus, de onschuldige: ik zal hem kastijden en loslaten. Hun voorgewende goedheid is slechts een dekmantel voor voorgenomen wreedheid.