Genesis 22:3-10
Wij hebben hier Abrahams gehoorzaamheid aan dit streng bevel. "Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd," Hebreeën 11:17.
Merk op:
I. De moeilijkheden, die hij in deze daad van gehoorzaamheid overwonnen heeft, er had zeer veel tegen ingebracht kunnen worden, zoals:
1. Het scheen direct in te gaan tegen een vroegere wet van God, waarbij moord wordt verboden, en dat wel onder bedreiging met zware straf, Hoofdstuk 9:5, 6. Kan dan nu de onveranderlijke God in tegenspraak zijn met zichzelf? Hij die "de roof haat in het brandoffer," Jesaja 61:8, kan geen behagen scheppen in moord in het brandoffer.
2. Hoe kon dit bestaan samen met natuurlijke liefde voor zijn zoon? Het zou niet slechts moord, maar de afschuwelijkste moord zijn. Kan Abraham niet gehoorzaam wezen zonder onnatuurlijk te zijn? Indien God bepaald een menselijk offer wil, is er dan niemand anders dan Izak om Hem te offeren? En niemand dan Abraham om de offeraar te zijn? Moet de vader der gelovigen onder alle vaders een monster, een wangedrocht zijn?
3. God heeft er hem geen reden voor opgegeven. Toen Ismaël uitgeworpen moest worden, is daar een goede en rechtmatige reden voor opgegeven, hier nu moet Izak sterven, en Abraham moet hem doden, terwijl noch de een, noch de ander moet weten waarom. Indien Izak als martelaar voor de waarheid had moeten sterven, of indien zijn leven tot losprijs had moeten dienen voor een ander, een kostbaarder leven, dan zou het nog wat anders geweest zijn. Of, indien hij gestorven was als een misdadiger, een rebel tegen God en zijn ouders, zoals in het geval van de afgodendienaar, Deuteronomium 13:8, 9, of van de weerspannige zoon, Deuteronomium 21:18, 19, dan zou het als een offer der gerechtigheid hebben kunnen gelden, maar zo staat de zaak niet: hij is een gehoorzame zoon, die zijn plicht doet, een veelbelovende zoon. "Heere, wat gewin is er in zijn bloed?"
4. Hoe kon dit bestaan naast de belofte? Heeft God niet gezegd: In Izak zal uw zaad genoemd worden? Maar wat wordt er van dat zaad, indien de knop, die het zaad in zich draagt, zo spoedig wordt afgerukt?
5. Hoe zou hij ooit Sara weer onder de ogen durven komen? Hoe kan hij tot haar en zijn gezin weerkeren, met het bloed van Izaak aan zijn kleren, "al zijn gewaad er door bezoedeld?" "Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom," zou Sara zeggen, zoals in Exodus 4:25, 26, en waarschijnlijk zou haar genegenheid voor hem en voor zijn God er voor altijd door vervreemd worden.
6. Wat zouden de Egyptenaars zeggen, en de Kanaänieten en de Ferezieten, die in het land woonden? Het zou een altijddurende minachtende afwijzing zijn van Abraham en zijn altaren. "Welkom zij ons de natuur, indien dit genade moet heten." Deze en vele dergelijke tegenwerpingen hadden gemaakt kunnen worden, maar hij was er onfeilbaar zeker van dat het wezenlijk een bevel van God was, en geen inbeelding of zinsbedrog, en dat was genoeg om op al die tegenwerpingen te antwoorden. Gods geboden moeten niet betwist, maar gehoorzaamd worden, wij moeten er niet met vlees en bloed over te rade gaan, Galaten 1:15, 16, maar met een Godvruchtige hardnekkigheid volharden in onze gehoorzaamheid er aan.
II. Zijn voorbereidingen en maatregelen voor die gehoorzaamheid, welke alle er toe bijdragen om haar groot en heerlijk te maken en doen zien, dat hij in heel die handeling geleid werd door wijsheid en geregeerd werd door geloof.
1. Hij staat `s morgens vroeg op, vers 3. Het bevel was hem waarschijnlijk gegeven in de visioenen van de nacht, en vroeg in de volgende morgen begeeft hij er zich toe om het ten uitvoer te brengen. Hij heeft niet uitgesteld, niet geweifeld, geen tijd genomen om er nog eens over te denken, want het bevel was beslist en liet geen tegenspraak toe. Zij die de wil Gods van harte doen, doen hem spoedig en snel, terwijl wij aarzelen, gaat een kostbare tijd verloren en wordt het hart verhard.
2. Hij brengt alles in gereedheid voor een offer, en alsof hij een Gibeoniet was, klooft hij met eigen handen het hout voor het brandoffer, opdat, als het offer geofferd zal worden daarnaar niet gezocht behoeft te worden. Zo moeten ook geestelijke offeranden toebereid worden.
3. Zeer waarschijnlijk heeft hij aan Sara niets gezegd. Dit is een reis, waarvan zij niets moet weten, opdat zij het niet zal beletten. Er is in ons eigen hart zoveel, dat ons bij het volbrengen van onze plicht belemmert, dat wij, zoveel wij slechts kunnen, andere beletselen uit de weg moeten blijven.
4. Oplettend zag hij om zich heen, om de plaats te ontdekken, die voor het offer was aangewezen, God had beloofd dat Hij er hem door het een of ander teken heen zou voeren. Waarschijnlijk werd hem de richting aangewezen door het verschijnen van de Goddelijke heerlijkheid in die plaats, een vuurkolom wellicht reikende van de hemel tot op de aarde, op een afstand zichtbaar voor zijn ogen, en waarop hij wees, toen hij zei, vers 5, "Wij zullen heengaan tot daar, waar gij het licht ziet, en aanbidden."
5. Hij liet zijn dienaren op een afstand blijven, opdat deze niet tussenbeide zouden komen en hem bij het brengen van zijn zeldzame offerande zouden hinderen, want Izaak was ongetwijfeld de lieveling van het hele gezin. Zo heeft Christus, toen Hij de doodsbenauwdheid in de hof ging lijden, slechts drie van Zijn discipelen meegenomen, en liet de anderen aan de deur van de hof. Wij zullen wijs en plichtsgetrouw handelen, zo wij, als wij heengaan om God te aanbidden, alle gedachten en zorgen uit ons hart verbannen, die ons van de dienst af zouden kunnen leiden, ze aan de voet van de berg laten, opdat wij zonder door iets afgeleid te worden tot de Heere kunnen naderen.
6. Hij liet Izaak het hout dragen, (om in een kleinere aangelegenheid zijn gehoorzaamheid te beproeven en opdat hij een type zou zijn van Christus, die Zijn kruis gedragen heeft, Johannes 19:17) terwijl hijzelf, ofschoon hij wist wat hij deed, met onverschrokken vastberadenheid het noodlottige mes en het vuur droeg, vers 6. Zij, die door genade bestemd zijn tot zware dienst of lijden voor God, moeten de kleine omstandigheden, die dit voor vlees en bloed dubbel moeilijk maken voorbijzien.
7. Zonder enige verwarring of onrust, spreekt hij er over met Izaak, alsof het een gewoon offer was, dat hij ging brengen, vers 7, 8. Het was een zeer aandoenlijke vraag, die Izaak hem deed terwijl zij daar tezamen voortgingen. Mijn vader, zei Izaak, en dat was een vertederend, aangrijpend woord, dat Abrahams borst doorvlijmde, hem dieper trof dan zijn mes Izaak's borst kon treffen. Hij zou hebben kunnen zeggen, of tenminste denken: "Noem mij niet uw vader, die zo aanstonds uw moordenaar zal worden, kan een vader zo barbaars zijn, zo volkomen alle tederheid van een vader van zich afgeschud hebben?". Maar op bewonderenswaardige wijze behoudt hij zijn kalme gelijkmoedigheid, rustig wacht hij af wat zijn zoon hem zal vragen, en dit is wat hij vraagt: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam? Zie hoe bedreven Izaak reeds was in de wet en de gewoonte van het offeren, dat is het om goed onderwezen te zijn. Nu was dit een pijnlijke vraag voor Abraham. Hoe kan hij het denkbeeld verdragen, dat Izaak zelf het lam is? Hij is het, maar Abraham durft hem dit nog niet zeggen. Het is ook voor ons allen een leerrijke vraag, opdat wij als wij er ons toe begeven om God te aanbidden, ernstig bij onszelf nagaan, of wij alles wel in gereedheid hebben, inzonderheid het lam ten brandoffer. Zie, het vuur is bereid, dat is: de hulp van de Geest en Gods welbehagen, het hout is bereid, de inzettingen door God bestemd en aangewezen om onze genegenheden te doen ontvlammen (die ook werkelijk, zonder de hulp van de Geest, slechts als hout zijn zonder vuur, maar de Geest werkt er door) alle dingen zijn nu gereed, maar waar is het lam? Waar is het hart? Is dat bereid om Gode geofferd te worden, tot Hem op te gaan als een brandoffer?
Abraham heeft hem een zeer voorzichtig antwoord gegeven, vers 8. God zal zichzelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Dit was de taal òf van zijn gehoorzaamheid: "Wij moeten het lam offeren, dat God nu beschikt heeft om geofferd te worden", hem aldus een algemene regel gevende van onderworpenheid aan de wil Gods, teneinde hem voor te bereiden op de spoedige toepassing ervan op hemzelf, òf van zijn geloof. Of hij het nu al of niet aldus bedoelde, het bleek weldra, dat dit de betekenis ervan was, er werd voorzien in een offer in plaats van Izaak. Aldus is Christus, het grote zoenoffer, door God beschikt, toen niemand in hemel of op aarde een lam voor dat brandoffer gevonden kon hebben heeft God zelf de verlossing gevonden, Psalm 89:21. Ook in al onze dankoffers heeft God zelf voorzien. Hij is het, die het hart bereidt Psalm 10:17. Een gebroken en verslagen hart is een offerande Gods, Psalm 51:19, waarin Hij voorzien heeft.
8. Na veel overleggingen des harten begeeft hij er zich nu toe met dezelfde vastberadenheid en kalmte van gemoed, om deze offerande te volbrengen, vers 9, 10. Met heilige volharding gaat hij voort, en komt eindelijk na menige vermoeiende tred en met een bezwaard hart op de bestemde plaats, bouwt het altaar, een altaar van aarde, naar wij kunnen onderstellen, het treurigste, dat hij ooit gebouwd had (en hij heeft er veel gebouwd), schikt het hout voor Izaak's brandstapel, en nu geeft hij hem de verbazingwekkende tijding, "Izaak, gij zijt het lam, dat God zich voorzien heeft." Voor zover blijkt is Izak even bereid en gewillig als Abraham, wij bevinden niet, dat hij enige tegenwerping heeft gemaakt, geen smeekbede om zijn leven heeft gedaan, noch gepoogd heeft te ontvluchten, en nog veel minder dat hij met zijn oude vader heeft geworsteld, of tegenstand heeft geboden. Abraham doet het, God wil dat het gedaan zal worden, en Izaak heeft geleerd zich aan beide te onderwerpen. Ongetwijfeld heeft Abraham hem vertroost met dezelfde hoop, waarmee ook hij vertroost was geworden. Toch is het nodig, dat een offer gebonden wordt. Het grote offer, dat in de volheid des tijds geofferd zou worden, moet gebonden worden, en daarom moet ook Izaak gebonden worden. Maar met welk gevoel kon de teergevoelige Abraham die schuldeloze handen binden, die wellicht dikwijls opgeheven waren om hem om een zegen te vragen, of uitgestrekt om hem te omhelzen, en nu zoveel vaster gebonden waren met de koorden van liefde en plicht! Doch het moet geschieden. Hem gebonden hebbende, legt hij hem op het altaar, en zijn hand op het hoofd van het offer. En nu kunnen wij onderstellen, dat hij onder een vloed van tranen het vaarwel geeft en ontvangt in een afscheidskus, wellicht neemt hij er nog een voor Sara van haar stervende zoon. Als hij dit gedaan heeft vergeet hij met vastberadenheid het teder medelijden van de vader, en neemt de ontzaglijk ernstige houding aan van een offeraar. Met een beslist hart en ten hemel gericht oog neemt hij het mes op, en strekt zijn hand uit om het Izaak in de borst te stoten. Verbaast u, o hemelen, hierover, en verwonder u, o aarde! Hier is een daad van gehoorzaamheid en geloof, wel waardig om aan God, aan engelen en mensen als schouwspel te dienen. Abrahams lieveling, Sara's lachen, de hoop van de kerk, de erfgenaam van de belofte, ligt daar bereid en gereed om door de hand van zijn eigen vader te bloeden en te sterven, en Abraham aarzelt niet om die daad te volbrengen. Deze gehoorzaamheid nu, door Abraham betoond in het offeren van Izaak, is een levendige voorstelling:
a. Van Gods liefde, aan ons betoond in het overgeven van Zijn eniggeboren Zoon, om voor ons te lijden en te sterven als een offerande, "het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen," Jesaja 53:10, Zacheria 13:7. Naar plicht en dankbaarheid was Abraham verplicht Izaak over te geven, en hij gaf hem over aan een vriend, maar God had geen verplichting jegens ons, want wij waren zijn vijanden.
b. Van onze plicht jegens God als vergelding van die liefde, wij moeten in Abrahams voetstappen treden. Door Zijn woord roept God ons, om alles over te geven voor Christus, al onze zonden, al waren zij ons ook als een rechterhand, of een rechteroog, of een Izaak, alles wat in mededinging komt met Christus om de heerschappij over ons hart, Lukas 14:26, en wij moeten er met blijmoedigheid afstand van doen. In Zijn voorzienigheid, die in waarheid de stem Gods is, roept Hij ons soms om een Izaak over te geven en dan moeten wij het doen met een blijmoedige onderworpenheid aan Zijn heilige wil, 1 Samuël 3:18.