Jakobus 2:14-26
In dit tweede gedeelte van dit hoofdstuk toont de apostel de dwaling aan van hen, die berusten in de enkele belijdenis van het Christelijk geloof, alsof die hen kan zalig maken, terwijl hun gemoedsgesteldheid en de richting van hun leven in `t minst niet overeenstemmen met den heiligen godsdienst, dien zij belijden. Zij moeten daarom toezien op welk een wankelbaar fondament zij hun hoop bouwen, en daarom wordt hier uitvoerig bewezen dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door het geloof alleen, maar ook door de werken.
I. Hier rijzen belangrijke vragen op: namelijk hoe Paulus en Jakobus met elkaar in overeenstemming te brengen zijn. Paulus schijnt, in zijn brieven aan de Romeinen en aan de Galatiërs, rechtstreeks het tegenovergestelde te leren van hetgeen Jakobus hier neerlegt. Die zegt dikwijls en met grote overtuiging, dat wij worden gerechtvaardigd door het geloof alleen en niet door de werken der wet. Er is echter een zeer gelukkige overeenstemming tussen deze beide gedeelten der Schrift, niettegenstaande de schijnbare verschillen, het zou te wensen zijn dat de verschillen tussen de Christenen zo gemakkelijk opgelost konden worden. Terecht zegt Baxter: "Alleen het misverstand des mensen van de duidelijke bedoeling en zin van de brieven van Paulus, kon het een moeilijke zaak maken om de overeenstemming van Paulus en Jakobus met elkaar te zien." Vele geleerden hebben allerlei middelen beproefd om te maken dat die beide apostelen overeenstemden, en toch is het voldoende om alleen op de weinige volgende dingen te letten.
1. Wanneer Paulus zegt, dat de mens gerechtvaardigd wordt door het geloof zonder de werken der wet, Romeinen 3:28, is het duidelijk dat hij spreekt van een andere soort van werken dan Jakobus doet, maar niet van een andere soort van geloof. Paulus spreekt van werken, verricht in gehoorzaamheid aan de wet van Mozes, en voordat de mens het Evangelisch geloof omhelsd heeft, en hij had te doen met hen, die zich zelven zozeer op deze werken verhieven, dat zij het Evangelie verwierpen, zoals Romeinen 10 in den aanvang uitdrukkelijk meegedeeld wordt. Maar Jakobus spreekt van werken, verricht in gehoorzaamheid aan het Evangelie, die de eigenaardige en noodzakelijke gevolgen en vruchten zijn van een gezond geloof in Jezus Christus. Beiden beijveren zich het geloof van het Evangelie te verheerlijken als het enige, dat ons kan zaligen en rechtvaardig maken, maar Paulus doet dat door de onvoldoendheid van enig werk der wet voor het geloof aan te wijzen, of in tegenstelling tegen de leer der rechtvaardigmaking door Jezus Christus, en Jakobus verheerlijkt hetzelfde geloof door aan te wijzen wat de noodzakelijke en eigenaardige vruchten en werken er van zijn.
2. Paulus spreekt niet alleen van andere werken dan die, waarop Jakobus hier aanhoudt, maar hij spreekt ook van een geheel verschillend gebruik, dat van de goede werken gemaakt wordt dan hier wordt bedoeld en aanbevolen. Paulus had te doen met hen, die steunden op de verdiensten van hun goede werken in de ogen Gods, en daarom zei hij dat ze generlei waarde hadden. Jakobus richtte zich tot hen, die zich op geloof beroemden, maar niet wilden toestaan dat de werken zelf als bewijzen van het geloof zouden aangemerkt worden, zij steunden op de blote belijdenis, als voldoende ter zaligmaking, en daarom wees hij terecht op de noodzakelijkheid en het grote belang van goede werken. Gelijk wij de ene tafel van de wet niet tegen de andere in stukken mogen stoten, zo mogen wij ook niet wet en Evangelie beide breken door ze met elkaar in botsing te brengen. Zij, die zich op het Evangelie beroepen om de wet ter zijde te stellen, en zij, die roemen op de wet om het Evangelie op zij te schuiven, hebben beiden ongelijk, wij moeten het geheel nemen, er moet zijn geloof in Jezus Christus en goede werken als vrucht van dat geloof.
3. De rechtvaardigmaking, waarvan Paulus spreekt is een andere dan die door Jakobus behandeld wordt. De eerste bespreekt hoe onze personen voor God gerechtvaardigd worden, de andere behandelt hoe ons geloof voor de mensen gerechtvaardigd wordt. Toon mij uw geloof uit uwe werken, zegt Jakobus, "laat uw geloof gerechtvaardigd worden in de ogen van hen, die uw werken zien." Maar Paulus spreekt van rechtvaardiging in het oog Gods, die rechtvaardig maakt alleen hen, die in Jezus geloven, en alleen ter wille van de verzoening, die in Hem is. Wij zien dus dat onze personen voor God gerechtvaardigd worden door het geloof, maar dat ons geloof voor de mensen gerechtvaardigd wordt door de werken. Dat is zo duidelijk de bedoeling van den apostel Jakobus, dat hij slechts bevestigt wat Paulus op andere plaatsen van zijn geloof zegt, dat het een werkzaam geloof is, en een geloof door de liefde werkende, Galaten 5:6, 1 Thessalonicenzen 1:3, Titus 3:8 en veel andere plaatsen.
4. Paulus spreekt van een rechtvaardigmaking, die nog niet volkomen is, Jakobus daarentegen van ene, die in haar geheel is, alleen door het geloof worden wij in een staat van rechtvaardigheid overgezet, maar daarna komen de goede werken om op den laatsten en groten dag onze rechtvaardigmaking te bewijzen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, want Ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven enz.
II. Na dus dit gedeelte der Schrift opgehelderd te hebben als niet in tegenspraak met andere delen der Schrift, willen wij meer bijzonder nagaan wat in deze uitnemende redenering door Jakobus ons wordt geleerd.
1. Dat het geloof zonder werken van geen nut is en ons niet kan zalig maken. Wat nuttigheid is het, mijne broeders, indien iemand zegt dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zalig maken? Merk hier op:
A. Geloof, dat ons niet zalig maakt, is ons niet van wezenlijk nut. Een enkele belijdenis kan soms voordelig schijnen te zijn, om de goede mening te winnen van hen, die waarlijk godvrezend zijn, ook kan ze in enkele gevallen goede wereldse dingen tot stand brengen, maar welk voordeel is het indien iemand de gehele wereld wint en schade lijdt aan zijne ziel? Wat nuttigheid is dat? Kan dat geloof hem zalig maken? De nuttigheid en de nutteloosheid van elk ding moet gerekend worden naar de mate, waarin het de zaligheid onzer zielen bevordert of verhindert. En boven alle dingen moeten wij daarop letten en op die wijze rekening houden met het geloof, want indien dat ons geen nuttigheid doet, ons niet zalig maakt, dan zal het ten laatste onze verdoemenis en ons verderf verzwaren.
B. Het zijn voor den mens twee verschillende dingen, geloof te hebben en te zeggen dat hij geloof heeft, de apostel zegt niet: Indien iemand het geloof heeft zonder de werken, want dat is een onmogelijk geval. De bedoeling van deze Schriftuurplaats is duidelijk aan te tonen dat een denkbeeld, een bespiegeling, een toestemming, zonder werken, geen geloof is. En daarom staat er: Indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft. De mensen beroemen zich bij anderen er op, bedriegen er zich zelven mee, en zijn in waarheid van het geloof geheel ontbloot. 2. Ons wordt geleerd: gelijk liefde een werkzaam beginsel is, zo is het geloof het evenzeer, en dat geen van beiden anders tot iets goeds zouden zijn. En ten einde ons te laten zien wat een geloof betekent, dat geen van de eigenaardige en noodzakelijke vruchten voortbrengt, neemt hij het voorbeeld van iemand, die voorgeeft weldadig te zijn maar onderwijl nooit enig werk van liefdadigheid beoefent. "Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel, en iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd, en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat? vers 15-16. In welk opzicht zou die liefdadigheid, welke alleen uit woorden zou bestaan, u of den arme helpen? Zult gij voor God verschijnen met zulk ledig vertoon van liefdadigheid? Welnu, ge kunt u evengoed inbeelden dat uw liefde en weldadigheid de proef zullen doorstaan ook zonder daden van barmhartigheid, als dat de enkele belijdenis des geloofs zonder werken van godsvrucht en gehoorzaamheid in Gods ogen u iets helpen zal. Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zich zelven dood, vers 17. Wij zijn maar al te geneigd om in een enkele belijdenis des geloofs te berusten, en te denken dat die ons zal zalig maken, het is een goedkope en gemakkelijke godsdienst te zeggen: "Wij geloven de artikelen van het Christelijk geloof", maar het is een grote zelfbegoocheling zich te verbeelden, dat dit genoeg is om ons in den hemel te brengen. Zij, die zo redeneren, doen God onrecht en werpen een net over hun eigen ziel, een nagemaakt geloof is even hatelijk als een nagemaakte liefdadigheid, beide tonen een hart, dat dood is voor alle godsvrucht. Gij kunt evenveel genoegen nemen met een dood lichaam, zonder ziel, gevoel of handeling, als God behagen heeft in een dood geloof, zonder werken.
3. Ons wordt geleerd een geloof, dat zonder werken op zich zelven roemt, te vergelijken met een geloof, dat zich door de werken openbaart, om door op beide te letten, te zien hoe deze vergelijking op ons gemoed werkt. Maar zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uwe werken en ik zal u uit mijne werken mijn geloof tonen, vers 18. Onderstel dat een waarachtig-gelovige op die wijze een snoevenden huichelaar te woord staat: "Gij doet belijdenis en zegt dat gij het geloof hebt. Ik beroem mij op zo iets niet, maar laat het aan mijn werken over om voor mij te getuigen. Welaan: geef nu enig bewijs van het door u beleden geloof, zonder werken, als ge dat kunt, en ik zal u spoedig aantonen hoe mijn werken uit mijn geloof voortkomen en van zijn bestaan het onbetwistbaar bewijs zijn". Dit is het bewijs dat de gehele Schrift ons leert te beschouwen als het middel om ons zelven en anderen naar te beoordelen. De doden werden geoordeeld naar hun werken, Openbaring 20:12. Hoe zullen dezen dan tentoongesteld worden, die zich beroemen op iets, dat zij niet bewijzen kunnen, of die hun geloof willen bewijzen door iets anders dan door werken van godsvrucht en barmhartigheid.
4. Ons wordt verder geleerd een geloof van enkel bespiegeling en kennis te beschouwen als het geloof der duivelen. Gij gelooft dat God een enig God is, gij doet wel, de duivelen geloven het ook, en zij sidderen, vers 19. Het deel des geloofs, dat de apostel verkiest om hier te vermelden, is het eerste beginsel van allen godsdienst. Gij gelooft dat er een God is, tegen de godloochenaars, -en dat God een enig God is, -tegen de afgodendienaars, -en gij doet wel, tot zover is alles in orde. Maar wie daarbij blijft, en een goede gedachte van zich zelven opvat of van zijn staat tegenover God, alleen omdat hij aan Gods bestaan gelooft, maakt zich daardoor ellendig. Dat geloven de duivelen ook, - en zij sidderen. Zo gij u dus tevreden stelt met de blote toestemming in de artikelen des geloofs en met enige bespiegelingen daarover, dan gaat gij niet verder dan de duivelen. En gelijk hun geloof en kennis alleen dienen om hun schrik aan te jagen, zo zal binnen korten tijd met u hetzelfde zich voordoen". Het woord sidderen wordt meermalen geacht een goede uitwerking van het geloof te kennen te geven, maar hier wordt het veelmeer beschouwd als het bewijs van een slechte uitwerking, het wordt toegepast op het geloof der duivelen. Zij sidderen, niet uit eerbied, maar uit haat en opstand tegen den enigen God in wie zij geloven. Het opzeggen van het eerste artikel onzes geloofs: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, doet ons dus eigenlijk niet van de duivelen verschillen, tenzij wij ons daarbij aan dien God overgeven, zoals het Evangelie ons voorschrijft, Hem liefhebben, ons in Hem verheugen en Hem dienen. Dat doen de duivelen niet en dat kunnen zij niet doen.
5. Wij leren hier verder, dat hij die zich beroemt op een geloof zonder werken, voor het tegenwoordige moet beschouwd worden als een dwazen veroordeelde, Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is? vers 20. De woorden hier vertaald door: o ijdel mens! antkroope kene, worden geacht dezelfde betekenis te hebben als het woord Raka, dat nooit mag gebruikt worden tegen een bepaalden persoon of als uitdrukking van toorn, Mattheus 5:22, maar hier zou gebezigd zijn om rechtvaardig den afkeer te tonen van die soort van mensen, die ledig zijn van goede werken en toch op hun geloof roemen. En het toont duidelijk aan, dat dezulken dwazen en afkerig van God zijn. Het geloof zonder de werken wordt dood genoemd, niet alleen omdat het ontbloot is van alle werkzaamheden, die het bewijs van geestelijk leven zijn, maar omdat het voor het eeuwige leven geen dienst doet, zulke gelovigen, die bij de blote belijdenis des geloofs blijven, zijn levend dood.
6. Hier wordt ons onderwezen, dat een rechtvaardig makend geloof zonder werken onbestaanbaar is, en wel met twee voorbeelden: Abraham en Rachab.
A. Het eerste geval is dat van Abraham, den vader der gelovigen en het voorname voorbeeld van rechtvaardigmaking, voor wie de Joden bijzonder ontzag hadden. Is niet Abraham, onze vader, uit de werken gerechtvaardigd als hij Izaak, zijnen zoon, geofferd heeft op het altaar? vers 21. Paulus daarentegen (in Romeinen 4) zegt dat Abraham geloofde, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. Maar de volkomen overeenstemming tussen hen beiden blijkt wanneer men let op hetgeen in Hebreeën 11 gezegd wordt, hetgeen doet zien dat het geloof van Abraham zowel als van Rachab de goede werken voortbracht, waarvan Jakobus spreekt, en welke niet mogen gescheiden worden van zaligmakend en rechtvaardig makend geloof. Dan ziet men dat het woord Gods geheel zich zelven verklaart, Genesis 22:16, 17. Daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uwen zoon, uwen enigen, niet onthouden hebt, voorzeker zal ik u grotelijks zegenen. Het geloof van Abraham was dus een werkend geloof, vers 22, het geloof heeft medegewrocht met zijne werken. En zo komt men tot het rechte verstand van hetgeen de Schrift zegt. Abraham geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. En daardoor werd hij de vriend van God. Het geloof, dat zulke werken voortbracht, maakte hem dierbaar aan het eeuwig Wezen, en bevorderde hem tot zeer bijzondere gunsten en vertrouwelijkheden van Gods zijde. Het is een grote eer, Abraham aangedaan, dat hij een vriend van God genoemd en gerekend wordt.
Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, vers 24, in zulk een staat van gunst en vriendschap met God komt, en niet alleenlijk door het geloof? Niet door een enkele mening, of belijdenis, of geloof zonder gehoorzaamheid, maar door een geloof dat vruchtbaar is in goede werken. Behalve de verklaring van deze uitspraak en van dit voorbeeld, zoals Jakobus er zijn bewijsvoering door toelicht en versterkt, kunnen wij vele goede lessen leren uit hetgeen hier omtrent Abraham gezegd wordt. a. Zij, die Abrahams zegen deelachtig wensen te worden, moeten zorg dragen dat zij zijn geloof navolgen, het roemen dat men Abrahams zaad is zal niemand helpen, die niet gelooft gelijk hij deed.
b. De werken, die de waarachtigheid des geloofs bewijzen, moeten werken zijn van zelfverloochening en zulke als God zelf gebiedt (als Abraham bevolen werd zijnen zoon, zijnen enigen, te offeren) en geen werken, die aangenaam zijn voor vlees en bloed, of om ons eigenbelang te dienen, of die de loutere vruchten zijn van onze eigen verbeelding en uitvinding.
c. Wat wij in oprechtheid voornemen en godvruchtig besluiten voor God te doen, wordt aangenomen alsof het werkelijk verricht was. Abraham wordt beschouwd als de offeraar van zijn zoon, ofschoon het niet werkelijk tot de daad der offerande kwam. Het was in de bedoeling, den geest en het besluit van Abraham een daad, die verricht was, en God nam het aan als ten volle ten uitvoer gebracht.
d. De werken des geloofs volmaken het geloof, gelijk de oprechtheid des geloofs de werken voortbrengt.
e. Zulk een werkend geloof zal ook anderen, zowel als Abraham, vrienden van God maken. Daarom zegt Christus tot Zijne discipelen: Ik heb u vrienden genoemd, Johannes 15:15. Alle handelingen tussen God en de oprecht-gelovige ziel zijn gemakkelijk, aangenaam en verblijdend. Daar is een wil en een hart, en wederzijds welgevallen. God verheugt zich over hen die oprecht geloven, en zij ver blijden zich in Hem.
B. Het tweede voorbeeld van een geloof, zich en ons rechtvaardigende door de werken, is dat van Rachab. En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen en door een anderen weg uitgelaten? vers 25. Het eerste voorbeeld was dat van iemand, die zijn gehele leven lang om zijn geloof beroemd was. Hier is een voorbeeld van iemand, die bekend stond om haar zonden, wier geloof geringer was en op veel lager trap stond. Het sterkste geloof baat dus niet en het zwakste geloof is niet toegestaan, zonder werken. Sommigen menen dat het woord vertaald door hoer, een eigen naam van Rachab was. Anderen zeggen dat het niet meer dan herbergierster betekent, iemand die een open huis houdt en bij wie dus de verspieders hun intrek namen. Maar het is zeer waarschijnlijk dat haar karakter slecht befaamd was, en dat dit gemeld wordt om aan te tonen dat ook de slechtste door geloof gered zal worden, wanneer het zich door zijn eigenaardige werken openbaart, en dat ook de beste niet gered wordt door geloof, zonder zulke werken, als door God geëist worden. Deze Rachab geloofde het gerucht, dat zij gehoord had van Gods machtige tegenwoordigheid bij Israël, maar haar geloof toonde oprecht te zijn, doordien zij, met gevaar van haar eigen leven, de gezondenen ontving en door een anderen weg uitliet. Merk hier op:
a. De wondervolle macht des geloofs in het hervormen en veranderen van zondaren.
b. De achting, welke een oprecht geloof bij God geniet, het verkrijgt Zijn barmhartigheid en gunst.
c. Wanneer grote zondaren vergeving ontvangen, moeten er grote daden van zelfverloochening zijn. Rachab moest de ere Gods en het welzijn van Zijn volk verkiezen boven het behoud van haar eigen land. Haar vroegere bekenden moest zij niet meer kennen, haar vorige levensgedrag moest geheel en al verlaten worden, en zij moest daarvan het duidelijke bewijs leveren alvorens zij kon overgaan in een toestand van rechtvaardigmaking. En toch nadat zij gerechtvaardigd was, moest haar vorig karakter in herinnering gebracht worden, niet om haar oneer aan te doen, maar om de rijke genade en barmhartigheid Gods te verheerlijken. Ofschoon gerechtvaardigd, wordt zij Rachab de hoer, genoemd.
7. En nu, ten slotte, trekt de apostel zijn besluit, en wel: Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood, vers 26. Deze woorden worden op verschillende wijzen gelezen. Sommigen lezen: gelijk het lichaam zonder adem dood is, zo ook het geloof zonder werken. Daarmee zou bedoeld worden dat de werken bij het geloof behoren gelijk de ademhaling bij het lichaam. Anderen lezen: gelijk het lichaam zonder ziel dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood. Het lichaam heeft geen handeling, geen schoonheid, wordt een afschuwelijk geraamte, wanneer de ziel er uit gegaan is: en zo is de enkele belijdenis zonder werken nutteloos, ja, afschuwelijk en afkeerwekkend. Wij moeten dus zorgen dat we in dat uiterste niet vervallen.
A. De goede werken, zonder geloof, zijn dood, hun ontbreekt wortel en beginsel. Alleen door het geloof is hetgeen wij doen goed, wanneer het gedaan wordt met het oog op God, in gehoorzaamheid aan Hem en voor alles Zijne goedkeuring bedoelt.
B. De meest-aannemelijke belijdenis des geloofs, zonder werken, is dood, gelijk de wortel dood is wanneer zij geen bladeren en vruchten voortbrengt. Het geloof is de wortel en de goede werken zijn de vruchten, en wij moeten toezien dat wij beide hebben. Wij moeten niet denken dat het een zonder het ander ons kan rechtvaardig en zalig maken. Dat is de genade Gods, waarin wij staan en behoren te blijven staan.