Efeze 3:14-21
Wij komen nu tot het tweede gedeelte van dit hoofdstuk, dat Paulus' gewijd en hartelijk gebed voor zijn geliefde Efeziërs bevat. Om deze oorzaak. Dat kan betrekking hebben op het onmiddellijk- voorafgaande: Ik bid dat gij niet vertraagt, enz., maar waarschijnlijk trekt de apostel hier samen wat hij in het eerste vers gezegd had, waarvan hij in de tussenliggende verzen afgeweken was. Merk hier op:
I. Tot wie hij bidt, tot God, als Vader van onzen Heere Jezus Christus, (zie Hoofdstuk 1:3).
II. Zijn uitwendige houding in het gebed was nederig en eerbiedig. Ik buig mijne knieën. Wanneer wij tot God naderen, moeten wij het doen met eerbied in het hart, en die eerbied moet blijken in de meest betamelijke en voegzame houding. Den Heere Jezus genoemd hebbende, gaat Paulus niet verder zonder getuigenis van zijn liefde te geven, vers 15 :Uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt. De Joden waren gewoon in Abraham als hun vader te roemen, maar nu worden Joden en heidenen beiden naar Christus genoemd (volgens sommigen). Maar anderen verstaan deze woorden zo: de heiligen in den hemel, die de kroon der heerlijkheid dragen, en de heiligen op aarde, in wie het werk der genade volbracht wordt, zijn die beide "geslachten". Beide maken een gezin uit, en naar Hem worden zij Christenen genoemd, zoals zij ook waarlijk zijn, erkennende hun afhankelijkheid van en hun betrekking tot Christus.
III. Wat de apostel van God vraagt voor deze zijne vrienden, - geestelijke zegeningen, welke de beste van alle zijn, en die door ieder onzer zo voor ons zelven als voor onze vrienden met den meesten ernst afgebeden en gezocht moeten worden.
1. Geestelijke kracht tot het werk en den plicht, waartoe zij geroepen werden. Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden, enz. De inwendige mens is het hart of de ziel. Versterkt te worden met kracht is machtig versterkt te worden, meer dan ze nu waren, begiftigd met een hogen graad van genade en geestelijk vermogen om hun plichten te vervullen, verzoekingen te weerstaan, vervolgingen te verduren. En de apostel bidt dat dit mag zijn naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, of volgens Zijn heerlijke rijkdommen, overeenkomstig dien groten overvloed van genade, barmhartigheid en macht, welke in God wonen en Zijne heerlijkheid zijn, en zulks door den Geest, die de onmiddellijke werkmeester in de harten van Gods volk is. Merk hierbij op: Kracht van den Geest Gods in den inwendigen mens is de beste en meest- begeerlijke kracht, kracht in de ziel, kracht des geloofs en van andere genadegaven, kracht om God te dienen en onze roeping te volbrengen, en met ijver en liefde in onzen Christelijken loop te volharden. En laat ons verder opmerken, dat gelijk het werk der genade begonnen is, zo wordt het voortgezet en voltooid door den gezegenden Geest van God.
2. De inwoning van Christus in hun harten, vers 17. Christus wordt gezegd in de Zijnen te wonen, omdat Hij altijd met hen is door Zijn genadige invloeden en werkingen. Het is zeer begeerlijk dat Christus in onze harten wone, en indien de wet van Christus daarin geschreven en Zijne liefde daarin uitgestort is, dan woont Christus er in. Christus is de bewoner der ziel van iedere waren Christen. Waar Zijn Geest woont daar woont Hij, en Hij woont in het hart door het geloof, door middel van onafgebroken gemeenschap des geloofs met Hem. Het geloof opent de deur der ziel, om Christus te ontvangen, het geloof laat Hem binnen en onderwerpt zich aan Hem. Door het geloof zijn wij met Christus verenigd en hebben deel aan Hem.
3. Het vestigen van godvruchtige en God verheerlijkende liefde in de ziel: Opdat gij in de liefde geworteld en gegrond zijt, standvastig bevestigd in uw liefde tot God, den Vader van onzen Heere Jezus Christus, en tot al de heiligen, de beminden van onzen Heere Jezus Christus. Velen hebben enige liefde voor God en Zijne dienstknechten, maar het is als een weerlicht, het geluid van doornen onder een pot, het maakt groot geraas, maar is niet blijvend. Wij moeten ernstig begeren, dat ware liefde in ons bevestigd worde en dat wij geworteld en gegrond zijn in de liefde. Sommigen verstaan hieronder hun geworteld en gegrond zijn in het gevoel van Gods liefde jegens hen, welke hen zou bezielen met groter vurigheid van heilige liefde jegens Hem en jegens elkaar. En hoe begeerlijk is het een bestendig en standvastig gevoel van de liefde Gods en van Christus voor onze zielen te hebben, zodat wij ten allen tijde met den apostel kunnen zeggen: Hij heeft mij liefgehad! Het beste middel om dat te verkrijgen is zorgzaam te zijn, dat wij bestendig liefde tot God in onze harten tot God onderhouden, dat zal het teken zijn van Gods liefde voor ons. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft. Daarom bidt hij:
4. Om hun ondervindelijke gemeenschap met de liefde van Jezus Christus. Hoe meer wij innerlijk gevoel hebben van Christus' liefde voor ons, des te meer zal onze liefde tot Hem en, om Zijnentwil, tot de Zijnen uitgaan. Opdat gij ten volle moogt verstaan met al de heiligen, enz., vers 18, 19, dat is: duidelijker verstaan en grondiger geloven de wonderbare liefde van Christus voor de Zijnen, welke de heiligen hier ten dele verstaan en geloven, en hiernamaals ten volle zullen verstaan. Christenen moeten niet trachten te begrijpen boven alle heiligen, maar zich tevreden stellen dat God met hen handelt gelijk Hij doet met hen, die Zijn naam liefhebben en vrezen, wij moeten begeren te verstaan met al de heiligen, zoveel kennis te hebben als den heiligen in deze wereld vergund is. Wij moeten er naar trachten gelijk te komen met de eerste drie, maar niet te gaan boven de maat van al de heiligen. Het is opmerkenswaard hoe verheerlijkend de apostel spreekt van de liefde van Christus. De afmetingen der verlossende liefde zijn bewonderenswaard: De breedte, en lengte, en diepte, en hoogte. Door deze afmetingen op te noemen, wil de apostel aanduiden de al-overtreffende grootheid van de liefde van Christus, den onnaspeurlijken rijkdom van die liefde, welke is hoger dan de hemelen, dieper dan de hel, langer dan de aarde, en breder dan de zee, Job 11:8, 9. Sommigen omschrijven deze bijzonderheden aldus: Bij de breedte mogen wij denken aan haar uitgebreidheid over alle eeuwen, volken en rangen van mensen, bij haar lengte aan haar duurzaamheid van eeuwigheid tot eeuwigheid, bij haar diepte aan haar vernedering tot den laagsten staat, met het doel om op te heffen en zalig te maken hen, die in de diepten van zonden en ellenden verzonken waren, bij haar hoogte het verheffen van ons tot hemelse zaligheid en heerlijkheid. Wij moeten begeren deze liefde te begrijpen, het is het kenmerk van alle heiligen, dat ze daarnaar begeren, want zij allen hebben vreugde en vertrouwen in de liefde van Christus. En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, vers 19. Zij gaat de kennis te boven, hoe zullen wij haar dan kennen? Wij moeten bidden en trachten er iets van te kennen, en begerig zijn en er naar streven om er meer en meer van te kennen, ofschoon met al onze ijverigste pogingen, niemand haar ten volle begrijpen kan, want haar volle omvang gaat alle kennis te boven. Ofschoon de liefde van Christus beter door de Christenen kon bemerkt en gekend worden dan gewoonlijk het geval is, kan toch niemand op aarde haar ten volle verstaan. 5. Hij bidt dat zij mogen vervuld worden tot al de volheid Gods. Dat is een uitdrukking, die wij niet zouden durven gebruiken indien we haar niet in de Schrift vonden. Zij is gelijk sommige andere uitdrukkingen: der goddelijke natuur deelachtig, en weest volmaakt gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is. Wij moeten dit niet verstaan van de volheid Gods in zich zelven, maar van Zijne volheid als de God des verbonds, de God van Zijn volk, zulk een volheid als God bereid is mede te delen, want Hij is gewillig om hen allen te vervullen naar hun mate, en zulks met alle gaven en genaden, die Hij ziet dat zij behoeven. Zij, die uit de volheid van Christus genade voor genade ontvangen, kunnen gezegd worden vervuld te worden tot al de volheid Gods, overeenkomstig hun vatbaarheid, en dat alles om hen te doen komen tot den hoogsten graad van de kennis en genieting van God en hun algehele gelijkvormigheid aan Hem. De apostel besluit dit hoofdstuk met ene lofverheffing, vers 20, 21. Het is betamelijk onze gebeden met dankzegging te eindigen. Onze gezegende Zaligmaker heeft ons geleerd dat te doen. Merk op hoe hij God beschrijft en hoe hij Hem heerlijkheid toeschrijft. Hij beschrijft Hem als de God, die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken. Er is een onuitputtelijke volheid van genade en barmhartigheid in God, welke al de gebeden van al de heiligen nooit kunnen ledigen. Wat wij ook vragen of denken te vragen, God is altijd instaat om meer te doen, overvloedig meer, buitengewoon overvloedig meer. Open uw mond nog zo wijd, Hij heeft om hem te vervullen. In onze gebeden tot God moeten wij ons geloof aanmoedigen door de beschouwing van Zijn algenoegzaamheid en almacht. Naar de kracht, die in ons werkt. Alsof hij zeggen wilde: Wij hebben reeds een bewijs van deze kracht Gods gehad in hetgeen Hij in ons wrocht en voor ons deed, toen Hij ons door Zijne genade levend maakte en tot zich bekeerde. De kracht, die nu werkt voor de heiligen, is dezelfde, die in hen werkte. Wat God uit Zijne volheid geeft, geeft Hij om Zijne kracht te doen ondervinden. Na aldus God omschreven te hebben, brengt hij Hem heerlijkheid. Wanneer wij komen om genade van God te vragen, moeten wij Hem heerlijkheid brengen. Hem zij de heerlijkheid in de gemeente door Jezus Christus. Door God heerlijkheid toe te schrijven, kennen wij Hem alle volmaaktheden en uitnemendheden toe, want heerlijkheid is de volheid en het gevolg van die alle. De zetel van Gods verheerlijking is de gemeente. Dat kleine deel lof, dat God van de wereld ontvangt, komt van de gemeente, een geheiligd gezelschap, gesticht ter heerlijkheid Gods, en ieder hare leden, Joden en heidenen, wedijvert in het brengen van heerlijkheid aan God. De Middelaar van deze verheerlijking is Jezus Christus. Al Gods gaven komen van Hem tot ons door de hand van Christus, en al onze verheerlijking gaat tot Hem door dezelfde hand. En God moet en zal verheerlijkt worden in alle geslachten tot in alle eeuwigheid, want Hij zal altijd een gemeente hebben om Hem te verheerlijken, en Hij zal altijd van Zijne gemeente de schatting Zijner heerlijkheid ontvangen. Amen. Zo is het en zo zal het zeker zijn.