14. Maar voor de volwassenen, die gij zou moeten zijn (
Vers 12), is de vaste spijs, namelijk voor de gelovigen die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben, door vlijtige oefening hun bevattingsvermogen gescherpt hebben (
Efeze 4:13v.) tot onderscheiding van goed en kwaad, zodat zij in hetgeen hun van verschillende kanten als geestelijk voedsel wordt aangeboden, het goede van het verkeerde, het heilzame van het verderfelijke weten te onderscheiden (
Deuteronomium 1:39;
2 Samuël 19:35In Vers 1-10 had de schrijver gesproken over het hogepriesterschap van Christus, maar reeds de eerste stappen die hij daar deed, deden ons een blik slaan in de rijkdom van inhoud, die moest worden ontwikkeld. Hij kan wel niet bedoelen dat de gegeven wenken voldoende zouden zijn als de toestand van de lezers een andere was geweest, maar de mogelijkheid van de grote en uitgebreide leerstof, die hier voor hem ligt, doet hem denken aan de staat van de lezers en geeft hem onwillekeurig aanleiding tot dat afwijken van zijn onderwerp. Als hij schrijft "het is moeilijk om te verklaren, omdat gij traag om te horen geworden zijt, " dan wil hij daarmee zeggen dat het moeilijk voor hem is de juiste uitdrukking te vinden voor hetgeen hij heeft voor te dragen, omdat met dit verwijt moet hij, helaas, tot hen komen zij zo traag, zo stomp in het horen zijn geworden. Wat de latere Nazareeërs kenmerkte, stoornis in de groei van de leden en ten gevolge daarvan de treurige staat, daarover moet deze schrijver reeds bij zijn christelijke lezers uit de Joden klagen; het ontbreekt hun aan "gewoonheid, " gevatheid en scherpte van geestelijk begrip, zoals het "geworden zijt" te kennen geeft, ten gevolge van teruggang en, zoals Vers 12 uitdrukt, van een zeer tegennatuurlijk achteruitgaan, dat hen die in een toestand moesten zijn waarin zij de vaste spijs van de mannelijke leeftijd nodig hadden, teruggeplaatst heeft is de kinderlijke leeftijd, waarop men melk nodig heeft, dus op de bank van de catechisanten. Vaste spijs eist, om in voedend sap en bloed veranderd te worden, krachtiger verteringsorganen dan de zuigeling bij de tedere staat van de maag nog bezit. Daarmee wordt een waarheid vergeleken die niet alleen geestelijke vatbaarheid nodig heeft om toegeëigend te kunnen worden, maar die door middel van zelfwerkzame intensiteit van geestelijk denken verkregen kan worden op de reeds innerlijk gelegde en door ervaring ontwikkelde grond van kennis en tot die voorwerpen van het kennen behoort dan ook het hogepriesterschap van Christus en het aan de ene kant vervullend Aäronitische, aan de andere kant belovend Melchizedek's karakter. Dergelijke vaste spijs, die de schrijver zijn lezers hier voorhoudt, komt hun eigenlijk niet toe, integendeel hebben zij de melk nodig van het grondleggend christelijk onderricht. Welke leerstukken hij hiertoe rekent, daaromtrent verklaart hij zich later in hoofst. 6:1v. Spreukenekt hij nu echter toch vanaf hoofst. 7 nader over het hogepriesterschap van Christus, in plaats van die beginselen voor te stellen, zo kan het "hebt weer nodig" relatief bedoeld zijn. Het is een gevolgtrekking van hun gedrag ten opzichte van hun kennis, die zich door de Joodse ergernissen tegen het kruis van Christus en het Joodse honen van onze Heiland, die aan het oog ontrukt is en de uiterlijke pracht van de Joodse godsdienst aan het wankelen laat brengen, op een dwaalweg laat leiden, zoals dit in de joods-christelijke moedergemeenten voorkwam, die ten gevolge van de nooit afgesneden band van de ceremoniële wet in gevaarlijk verband met de synagoge waren gebleven; zij tonen daardoor dat zij de levendige kennis van de beginselen van het christendom verloren zijn en dat hun eigenlijk niet de vaste spijs, maar melk toekomt. In Vers 13v. wijst de schrijver aan hoe hij die melk verkrijgt, gesteld is en hoe daarentegen zij behoorden te zijn, aan wie vast voedsel kan worden gegeven. Door deze algemene opheldering houdt hij de lezers een spiegel voor om daarin een onderzoekende blik op zichzelf te slaan. Had hij, zoals vele uitleggers gewenst hebben, de eerste zin omgekeerd gesteld: "wie onervaren is in het woord van de gerechtigheid die moet men nog melk geven", dan zou hij direct zeggen dat de lezers onervarenen waren. Die wijze van uitdrukking echter, afwijkende van het woord in het volgende vers, is een fijne wending.
De schrijver wil daardoor de lezers opwekken om niet weer te begeren dat de eerste beginselen van de christelijke leer met hen behandeld worden, maar hen begerig te maken naar nadere mededelingen omtrent de hogere leerstukken, waarover hier gesproken wordt en verplaatst men zich levendig in de tijdsomstandigheden waaronder hij schreef, dan mocht hij er ook met zekerheid op rekenen dat reeds het in Vers 1, 2 gezegde, waarvan de volkomen overeenstemming met de goddelijke wet hun dadelijk duidelijk moest zijn, aan hun geestdrift voor de Joodse hogepriester ineens de doodsteek zou gegeven hebben en hun zou hebben doen voelen dat het Aäronitische hogepriesterschap reeds ontaard was tot het tegengestelde van hetgeen het zijn moest. "Uit de mensen genomen, wordt hij gesteld voor God", dit predikaat had sedert de heerschappij van Herodes de Grote zijn volle waarheid verloren doordat hij geheel willekeurig de hogepriesters afzette en aanstelde en vooral in de tijd van de laatste Romeinse landvoogden werd de hogepriesterlijke waardigheid door herhaalde afwisseling van de bekleders steeds dieper vernederd (Slotwoord op 1 Makk. Nr, 11 c) Na terzijde stellen van Annas II, de vijfde zoon van de in Johannes 18:13 genoemde Annas, waren in de jaren 62-63 Jezus, zoon van Damnaeus en in de jaren 63-65 Jezus, zoon van Gamaliël de fungerende hogepriesters. Annas II had tegen de christelijke gemeente zijn despotisch karakter getoond in het ombrengen van haar opziener, de apostel Jakobus II en wel op diep krenkende wijze. Jezus, de zoon van Damnaeus, voerde met zijn opvolger, Jezus, zoon van Gamaliël, openlijke straatgevechten, omdat hij aan deze het door Agrippa II hem ontnomen ambt niet goedschiks wilde afstaan. De eerder in Handelingen 23:2, 24:1 hogepriester Ananias, zoon van Nebedaeus, handelde nog waanzinniger, daar hij door zijn knechten, de priesters, de tienden van de dorsvloeren liet wegnemen en aan degenen die zich enigszins verzetten, slagen liet geven. Zo was ook het tweede predikaat "die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden" op de schadelijkste wijze te schande geworden. En niet zonder bepaald doel heeft zeker de schrijver, toen hij in hoofst. 4:14vv. van de grote hogepriester sprak, die medelijden kan hebben met onze zwakheid, diens naam zo genoemd: "Jezus, de zoon van God". Het onderscheid tussen deze en Jezus, de zoon van Damnaeus en Jezus, de zoon van Gamaliël, moest hem vanzelf in het oog vallen, ook als hij over hen niet nader sprak. En indien het nu voor de lezers nog iets was waarin zij zich niet konden vinden dat hun Hogepriester Jezus, de zoon van God, niet uit Aärons, maar uit David's geslacht afkomstig was, dan heeft hij in de nacht van hun verwarde gedachten als een licht dat de duisternis moet verdrijven, reeds de beide woorden laten schijnen, die hij in Vers 5v. aanhaalde en wil hij nu het tweede, dat hij in Vers 10 herhaald heeft, in zijn volle betekenis en naar zijn hele omvang uitvoerig verklaren. Hij heeft zich daar zeker niet verrekend als hij veronderstelt dat zij niet meer "traag om te horen" zijn, zoals in Vers 11 staat, maar begerig om vaste spijs te ontvangen. Hij mag echter ook verwachten dat juist het vaste voedsel, dat hij hun wilde aanbieden, er veel beter toe zal dienen om hun de melk weer lief en dierbaar te maken en hen voor het woord van de gerechtigheid opnieuw op te wekken, waarin zij zich in de laatste tijd zo onervaren betoond hebben, dan als hij hun de melk zelf zou voortzetten en de leer van de aanvang van het christelijk leven met hen wilde behandelen. Daaruit is te verklaren wat hij in hoofst. 6:1v. zegt, een tekst die voor veel uitleggers nog vrij duister schijnt gebleven te zijn. De brief is zonder twijfel niet lang na de marteldood van Jakobus II omstreeks Pasen van het jaar 62 (Deel 6 Aanh. II) ongeveer, zoals wij hebben aangenomen, in juli van het jaar 63 n. Chr. geschreven. Vanaf die dood zal de achteruitgang van de Jeruzalemse gemeente, waarvan hier sprake is, dat onverstandig geworden zijn dateren, maar de schrijver plaatst hen over de 5/10 jarige episode van hun afval heen terug en spreekt nu met hen als met mensen, met wie het nog is als toen hun opziener hen leidde. De schrijver heeft niet van de lezers gezegd, zo merkt v. Hofmann op, dat zij onmondige kinderen waren die nog in de aanvang van het christelijk leven waren, maar dat zij, terwijl zij lang genoeg onderricht zijn om leraars te zijn, in een staat waren gekomen dat zij het voedsel van onmondige kinderen nodig hadden, in plaats van dat zij als volwassenen vaste spijs tot hun voedsel moesten hebben. Hij kan dus met hen niet als met onmondigen handelen en hun datgene willen leren wat men aan mensen leert die Christus eerst moeten leren kennen; maar het moet zijn streven zijn hen boven de toestand waarin zij gekomen zijn en tot het standpunt te verheffen dat zij moesten innemen.
De zuigeling gebruikt slechts de moedermelk en heeft geen onderscheidingsvermogen voor ander voedsel. Maar tegelijk met de spraakorganen ontwikkelt zich het vermogen en vormt zich de behoefte om andere spijzen te genieten. De menigvuldigheid van vaste spijzen oefent de smaak. De ondervinding van het schadelijke of gezonde regelt de smaak, geeft hem wet en rede. Zo worden in het lichamelijke door het regelmatig gebruik de zinnen geoefend tot onderscheiding van hetgeen goed of kwaad is. Die onderscheiding wordt tot gewoonte en die gewoonte scherpt de zinnen, zodat zij instinktmatig gaan onderscheiden wat zij toch in de grond hebben leren onderscheiden. Zo ook in het geestelijke. De volwassenen, dat zijn niet zij die niet meer hoeven groeien, maar zij die zich op de rechte weg van geestelijke groei bevinden, wier leven in Christus geen stoornis ondervindt, die van Hem niet afgeleid worden naar een andere weg: zulke christenen kunnen, omdat zij in hun levensgemeenschap met Christus de geestelijke zintuigen gescherpt hebben tot onderscheiding van goed en kwaad in geestelijke zin en een gewoonte ontwikkeld hebben om terstond te bemerken wat al of niet uit Christus is, de waarheid verstaan. Voor hen is het woord van de gerechtigheid, voor hen is de vaste spijs. Zij weten door hun zedelijke zintuigen, door de fijne en tedere voelhorens van hun geest (dit is toch de eigenlijke kracht van de uitdrukking zintuigen) wat gezonde leer is en wat niet. Zij hebben daarvoor geen van buiten aangebrachte regels of toetsstenen nodig. Zij hebben in de Heilige Geest zelf die toetssteen. Zij hebben, zegt Johannes, de zalving van de Heilige en weten alle dingen; want die zalving leert hen alle dingen.
Er mag in het leven na de bekering nooit ontbreken wat men proces noemt, d. i. een gestadige ontwikkeling van kracht, een voortdurende ontplooiing van het schone van het hogere leven, een steeds uitbotten en rijpen van vrucht. Stilstand is een eigenschap van de dood, maar niet van het leven. Een zo machtige overgang als van het rijk van de duisternis in het Koninkrijk van de Zoon van de liefde kan niet verborgen blijven. Een kind van God en "het licht onder de korenmaat" horen niet bij elkaar. Dat proces van het nieuwe leven heeft drie verschillende kanten, van waaruit men het bezien kan, naar gelang het 1 door God zelf in ons gewerkt; 2 door ons persoonlijk ik in het geloof tot het onze gemaakt; en 3 voor de wereld in vruchten van de dankbaarheid openbaar wordt. Aan de pas bekeerde geeft, wat het eerste punt betreft, de Heilige Geest nog niet de spijs, die Hij aan de geoefende schenkt, er komen bij voortgaande ervaringen aan Gods kinderen, openbaringen van kennis, ontsluitingen van een innige gemeenschap met de Heiland, bovenal bevindingen van kracht en genietingen van zaligheid toe, die aan de pas bekeerde nog onthouden moeten worden, omdat ze hem nog te machtig zouden zijn en de geregelde orde ook bij deze inwerkingen van de Geest niet kan worden veronachtzaamd. Evenzo blijft, voor wat, ten tweede, ons persoonlijk ik aangaat de geloofsmacht bij het kind van God niet vanaf het begin tot de einde aan zichzelf gelijk. Wel is het geloofsvermogen in de eerste dagen na de bekering zeer krachtig werkend. Maar dit is een natuurlijke overspanning, die altijd vast na enige tijd door inzinking achtervolgd wordt. Dan pas komt de oefening, komt de zielservaring, komt de geestelijke bevinding en leert het persoonlijk geloof, door vallen en opstaan, hoe het op de paden van de Heere te lopen heeft. Daardoor worden de enkels vaster, de werking van het geloofsvermogen geregelder, hecht het zich inniger aan het woord van de Heere en leert het door bittere teleurstelling, de krachtsverspilling van het overgeloof en de Godverzoeking van het verzoeningsgeloof wel af. En tenslotte komt dan ook, ten derde, in de vruchten deze gezonde groeikracht van het groen geworden hout uit. De ongelooflijke kracht namelijk van de gewoonte, die vóór zijn bekering in de dienst van de zonde was, begint nu langzaam aan in de dienst van het heilige over te gaan, de poel blijft wel goddeloos uitdampen uit de verpeste kuil van de natuur waarin we geboren zijn, maar de giftige dampen kunnen in zijn menselijk organisme niet meer zo sterk doordringen. De vermogens van zijn geest, de vleugels van zijn ziel en de zintuigen van zijn lichaam ontvangen al meer en meer een plooi, die maakt dat met gelijke krachtsinspanning voortaan al overvloediger resultaat verkregen wordt en zo is de pas gezette vrucht beter tegen de koude nachtvorsten gehard. Toch moet men nooit uit het oog verliezen dat het geloofsproces in Gods kinderen noch bij allen eenzelfde vorm draagt, noch ook in alle ogenblikken en tijden zichzelf gelijk blijft. Gij vindt christenen bij wie dit geestelijk proces een volkomen geleidelijke ontwikkeling vertoont en met onverstoorbare gelijkmatigheid zijn heerlijke weg vervolgt. Maar deze zijn de minsten in aantal en tegenover hen staan tal van broeders, die nu eens te hard, dan weer te zacht lopen, of door onvoorzichtigheid in kuilen vallen, waaruit zij dan straks weer moeten opkomen. Anderen weer, winteren lang, om bijna zonder lente in een late zomer over te springen. Ja, men vindt er ook, bij wie je slechts nu en dan de vonk ziet opgloren, die u de overtuiging hergeeft dat er onder die dode as toch iets smeult. Dat hangt af van de nawerking van het verleden of van de omgeving die ons bewerkt; van de leidende geesten onder wier beademing we komen, van de grondneiging van ons karakter; of van de oprechtheid of leugenachtigheid van ons vroom willen en bedoelen, of ook van de vrijmachtige verscheidenheid waarin het de Heilige Geest belieft Zijn heerlijke glans te doen uitstralen. Maar welk verloop dit heiligingsproces ook bij ons neemt, deze drie verschijnselen zijn daarvan onafscheidelijk: ten eerste dat bij korter of langer tussenpozen weer zondige uitwerkselen zich tussen de werkingen van het goede indringen; ten tweede dat aan alle werkingen van het goede iets heiligs ontbreekt dat er aan zijn moest en iets besmets aankleeft dat er niet aan hoorde; ten derde dat voor het bewustzijn van de uitverkorenen zelf hun schuld al groter en hun heiligheid steeds onvoldoender wordt. Over elk van deze drie een kort woord ter toelichting. Allereerst dan: de reeks van goede werken wordt altijd weer door uitwerkingen van de zonde afgebroken. De tegenwerping dat toch de volmaakbaarheidsdrijvers het tegendeel beweren en dat men in christelijke bedehuizen de heiligschennende taal heeft moeten aanhoren dat een zondaar zeggen durft: "wie van uw overtuigt mij van zonde? " of ook een ander roemen durft: "in deze laatste dertig jaren geen enkele zonde bedreven te hebben" bewijst tegen onze stelling niets. Of meent u dat de stelling "om te slapen, moet het lichaam in rust zijn", moet opgegeven worden terwille van de slaapwandelaars; of wel dat de stelling "met de ogen toe ziet men niet, " door de helderziende onhoudbaar wordt; of ook dat de goddelijke stelling "een vrouw zal met smart baren" wordt opgeheven door het feit dat zich te laten chloroformiseren steeds meer het waagstuk van vele barenden werd? Immers, het komt bij zo'n onderzoek erop aan, niet wat enkele individuen beweren, maar wat de gewone zielsbevinding is. Hoe het in de regel toegaat. Bovenal hoe het toegaat als het normaal gaat, d. i. gaat naar Gods Woord. Uitzonderingen, bovenal indien ze, zoals hier, ingebeeld zijn, bevestigen de regel en stoten die allerminst omver. Zijn er dan ook onder Gods kinderen enthousiasten, die de nuchterheid van de Geest prijs geven, zich dronken drinken aan de wijn van hun bezwijmeling en zich, ofwel door onvoorzichtigheid of met opzet bedwelmen laten, dan rekenen zulke broeders slechts in zoverre mee, als uit hun geestelijke overspanning niet tot wat werkelijk in hen omgaat, maar wel tot het tegendeel mag besloten worden. Ten tweede, zelfs aan onze beste werken ontbreekt iets heiligs en kleeft een smet. Ongetwijfeld komen de krachten van het hogere leven blank als sneeuw van boven en met meer dan aardse reinheid tot ons hart. Maar als je nu witte sneeuw op een met modder bevuilde bodem doet vallen, kan ze dan bij de vermenging wit blijven? En hoe zou dan, vragen we u, het heilige van God, dat vlekkeloos rein in ons komt, onbesmet weer in goede werken uit ons kunnen te voorschijn komen, indien het daartoe de onreine en onzuivere weg doorlopen moet van een bezoedeld menselijk organisme? Ook al stelt men dus voor een ogenblik dat voor zeker heilig werk de inspiratie geheel van boven kwam en de wilswerking ongebroken was en het geloof onvermengd bleef, zelfs dan nog zou dat heilig werk het stofgoud van de vleugels verloren hebben, voordat het als vrucht van onze liefde van de stam van ons leven werd geplukt. En kan op die manier niets onbesmets van ons uitgaan en door dezelfde oorzaak stuit men bij elk goed werk op een tekort. Een tekort, niet alsof de genade van God niet volkomen zou zijn, maar zó dat het onvolkomen werktuig, waardoor wij die genade in ons opnemen, de volle stroom van het leven niet doorlaat. De mond van het geloof kan zich daartoe nog niet wijd genoeg opendoen. En ook al stelde men dat het geloof zichzelf daartoe overtreffen kon, dan nog zou de gloed van het leven bij zijn doorgang door ons koud wezen afkoelen en een deel van de ontvangen kracht verloren raken, voordat ze in het verborgene de weg had afgelegd die van de wortel van ons leven door stam en kroon en tak naar bloesemknop en vrucht leidt. De drie-enig God is zeer zeker almachtig, maar die almacht heeft zichzelf in de begrensde natuur van het schepsel vrijwillig een perk gesteld. Zo min nu als Gods almacht de wateren van de oceaan in de bedding van de Zuiderzee zou kunnen vatten, evenmin kan de almacht van Gods genade de volheid van Zijn leven in een keer doen invloeien in een nog onontwikkeld, beperkt en nog onafgewerkt geestelijk schepsel. Op die grond leerden dan ook onze vaderen en leren wij met hen dat een kind van God, zelfs bij zijn beste werken, voor wat ontbreekt nog de aanvulling van de plaats bekledende gerechtigheid van Christus nodig heeft en voor wat er is de bedekking niet missen kan van de verzoening die er is in Zijn offerande. En dienovereenkomstig voegden we aan deze beide daarom tenslotte nog deze stelling toe: voor het bewustzijn van Gods uitverkorenen wordt hun schuld al groter en groter en hun heiligheid al meer onvoldoende. De schatten die in het bloed van de Zoon van God, in Zijn kruisverdiensten en in Zijn doodsangsten liggen, zijn zo rijk en overheerlijk dat men pas van lieverlee en langzamerhand ook dan nog slechts bij benadering er de onbeschrijfelijke majesteit van kennen leert. Deze verworven schat van balsem voor de ziel is namelijk van dien aard dat hij alleen door hem op de wond te leggen kan gewaardeerd worden. Hoe verder men dus doordringt in de kennis van de zonde en op die telkens beter gekende zonde voller en overvloediger dat bloed van de Zoon van God ter verzoening door het geloof toepast, des te onbelemmerder wordt ook ons inzicht in het wonder van Golgotha. En dat op drie manieren. Allereerst doordat Gods kinderen pas bij voortgang in geestelijk leven een ook maar enigszins adequaat inzicht krijgen in het diep verderfelijk wezen van de zonde als zonde. Hoe hoger men klimt hoe ontzettender het inzicht wordt in de diepte waarin men dreigde neer te storten. En zo ook wordt pas bij ons groeien in genade van lieverlee voor ons oog de verschrikkelijkheid van het verderf openbaar, waarvan de Heer van de heerlijkheid ons door Zijn bloed en tranen heeft verlost. Dan gaat bij het rijzen van de zon der gerechtigheid boven de kim pas van lieverlee dat voller licht over ons verleden op, waardoor we werkelijk ons vroeger leven buiten Christus leren haten en verfoeien. Wel snijden we dit leven reeds af bij de bekering, maar meer instinctmatig dan met helder bewustzijn en dat wel om de eenvoudige reden dat de maatstaf om zonde en heiligheid te meten ons dan nog ontbreekt. Maar krijgen we daar langzaam aan kennis van, dan begint ook dat verleden al zwarter te worden, niet om ons bij vernieuwing de ziel te beangstigen, maar om steeds dieper en voller ons te baden in de heerlijkheid van die kruisverdiensten, waardoor we van zo'n grote schuld zijn verlost. En tenslotte klimt het schuldbesef evenzeer, omdat we ook bij onze beste werken al meer gaan letten op de schuldige en zondige bijwerkingen van onze onheilige bedoelingen. Er komt meer verlichting, daardoor meer opmerkzaamheid en fijne tact en "door de gewoonte worden de zinnen geoefend tot onderscheiding tussen goed en kwaad. " Zo leert men langzamerhand smetten zien, waar men zich eerst in eigen voortreffelijkheid behaagde, en het einde is dat we zelf al minder worden en Christus al meer wordt voor ons geloof. Dat tegelijk hiermee voor het besef van Gods uitverkorenen hun heiligheid al onvoldoender wordt, is van dit dieper indringen in het wezen van de zonde slechts de keerzijde. Wat heilig en goed en recht is, menen we eerst zelf wel te kunnen uitmaken. We gaan dan af op eigen inbeelding, meten dan met de standaard van het zedelijke leven die in onze vrome omgeving geldt en rekenen dus naar een menselijke wet. Maar komt er genade, dan houden we het bij die menselijke wet, die niets dan afgoderij in haar wortel en dood in haar vrucht is, niet uit. De Heilige Geest dringt ons dan naar Gods wet! Wij zouden er niet heen willen, want die wet is een verterend vuur dat niets heel aan ons laat. Maar weerstand baat niet. We moeten er aan. We moeten in dat vuur. De Geest gunt ons geen rust. En leven we dan, na in die eisende wet van God geheel verteerd te zijn, in de volbrachte wet van God, d. i. Christus, weer glorieus op, dan ziet ons oog ook iets anders dan vroeger, dan meer het met een anderen maatstaf, dan rekent het bij alle geestelijke becijfering van nu aan met de oneindige goddelijke differentiaal, d. w. z. dan meer Gods kind alle dingen en laat zichzelf en zijn werk door de Heilige Geest meten, "naar de wet van God" in haar oneindige geestelijke verdieping, of, wil men korter nog, naar de negen geboden met het tiende als commentaar en Christus als Uitlegger. Als hij beetje bij beetje zover komt, bespeurt het kind van God hoe onheilig laag en beschamend klein hij, om zichzelf te dekken, tot dusver de heiligheid van zijn God beoordeeld had en ziet nu, in Christus geborgen, bij het licht van de Geest, die heiligheden van Gods drieënig wezen al groter, al rijker, al heerlijker worden, ja zo in schittering en luister groeien en toenemen dat al zijn eigen werk er al schameler en nietiger bij wegzinkt en hij beseffen gaat wat een zonde en trots het was toen hij eerst een tijd lang de majesteit van de Heere naar zijn eigen geestelijke gebrekkigheid verkleinen durfde. Zo is er dan in de begenadigde een geestelijk proces dat voor hem het bloed van Christus al dierbaarder en de heiligheden van God al heerlijker maakt en edeler vruchten in hem rijpen doet, omdat ze uit oprechter geloof, d. i. uit dieper verwerping van zichzelf, voortkomen. Ziedaar dan de keten die de roeping van Gods kinderen met hun verheerlijking samenbindt en waarin geen enkele van de schakels, waarop we wezen, kan uitvallen. Wie nu anders leert, die richt het werkverbond na de bekering weer op, vervormt de deugden van God naar eigen begeerte en raakt in zijn bedrieglijke waan steeds verder af van die waarachtige en zaligmakende kennis van God, waarin het eeuwige leven schuilt. Als Icarus zweeft hij hoger dan God het een mens op aarde gegeven heeft, maar om, als straks de was aan de vleugels wegsmelt, dieper neer te storten dan het naar Gods aanbiddelijk plan voor Zijn kinderen reeds op aarde was vastgelegd.