Genesis 20:1-2
Hier is:
1. Abrahams vertrek van Mamre, waar hij bijna twintig jaar gewoond had, naar het land der Filistijnen, vers 1. Hij verkeerde als vreemdeling te Gerar. Er wordt ons niet gezegd bij welke gelegenheid hij daarheen ging, of het was omdat hij verschrikt was door de verwoesting van Sodom, of omdat het omliggende land er door geschaad was, of, zoals sommige Joodse schrijvers zeggen, omdat hij bedroefd was over de bloedschande, die Lot met zijn dochters had bedreven, en de smaad, die de Kanaänieten hierdoor op hem en zijn Godsdienst wierpen om wille van zijn bloedverwant. Ongetwijfeld was er een goede reden voor zijn vertrek. In een wereld, waar wij vreemdelingen en pelgrims zijn, kunnen wij niet verwachten altijd op dezelfde plaats te zullen blijven. Waar wij ons ook bevinden, overal moeten wij ons als vreemdelingen beschouwen.
2. Zijn zonde in het verloochenen van zijn vrouw, zoals tevoren, Hoofdstuk 12:13, die niet alleen op zichzelf zo'n dubbelzinnigheid was, dat zij zeer nabij een leugen kwam, en die indien zij als geoorloofd beschouwd werd het verderf zou wezen van de omgang in de maatschappij, en een open deur voor alle leugen en bedrog, maar daarenboven bracht zij de kuisheid en eer in gevaar van zijn huisvrouw, waarvan hij de beschermer had moeten wezen. Bovendien was er nog een tweeledige verzwaring van zijn zonde.
a. Dat hij zich tevoren reeds aan die zelfde zonde had schuldig gemaakt, er om bestraft was geworden, en overtuigd van de dwaasheid, die hem er toe geleid had, en toch herhaalt hij haar nu. Het is mogelijk, dat een Godvruchtige niet slechts in zonde valt, maar terugvalt in dezelfde zonde, door de kracht van de verzoeking en de zwakheid van het vlees. Laat dan de afgekeerden berouw hebben en wederkeren, maar niet wanhopen, Jeremia 3:22.
b. Daar Sara nu zwanger scheen te zijn van het beloofde zaad, of tenminste verwachtte dit weldra te zullen zijn, overeenkomstig het woord van God. Hij had dus nu zeer bijzondere zorg voor haar moeten hebben zoals Richteren 13:4.
3. Het gevaar, waarin Sara hierdoor gebracht werd. De koning van Gerar zond en nam haar weg in zijn huis, ten einde haar met zich op zijn legerstede te nemen. De zonde van de een brengt dikwijls de zonde van de ander teweeg. Hij, die door de heining van Gods geboden heen breekt, maakt een opening, waardoor hij weet niet hoevelen zullen heengaan. Het begin van de zonde is als een opening geven aan het water.