19. En bij zijn wandelen in nederigheid en dienst van de engelen verliest hij het ene, dat hij nodig heeft, het Hoofd niet behoudend, waaruit het gehele lichaam doorsamenvoegsels en samenbindingen voorzien, leven heeft, zodat geen lid op enige andere weg dan deze door Hem voor allen gestelde weg hopen kan iets te verkrijgen. En in dit Hoofd is het, dat het lichaam samengevoegd zijnde, opgroeit met goddelijke groei, zodat wie zich afscheidt en iets voor zichzelf wil zijn, ophoudt een lid van dat lichaam te zijn, terwijl er buiten die gemeenschap geen opgroeien is tot deze grootte, maar alleen een verachteren en vergaan (
Efeze 4:15 v.).
De eerste waarschuwing van de apostel zag op de valse ascetiek van de dwaalleraars, deze tweede op hun verkeerde theosofische speculatie; voorwerp van deze speculatie waren volgens onze plaats de verhoudingen van de onzichtbare wereld, vooral de gesteldheid en betekenis van de engelen.
"Dat niemand u overheerst naar zijn wil. (De Lutherse vertaling heeft "laat niemand u het perk verrukken, of laat u niet afleiden van het kleinood: wat is dat anders, dan van het geloof, dat de enige ware weg is tot het kleinood van de zaligheid, af te gaan, om op zelf uitgedachte wegen te leiden en langs andere wegen de hemel te zoeken en voor te geven, dat deze de baan is tot het kleinood.
Naardien de engelen geesten zijn, is hetgeen tot de stoffelijke wereld behoort, iets, dat aan hun wezen vreemd is. Hun nederigheid bestaat dan daarin, dat zij zich gewillig houden binnen de grenzen hun hierdoor getrokken en niet begeren naar hetgeen de mens in dit opzicht boven hen vooruit heeft. Als nu mensen die nederigheid van hen tot hun deugd maken, staan zij in zekere mate af hetgeen de Schepper hen heeft toegedeeld en doen zij gedeeltelijk afstand van hetgeen de mensen in onderscheiding van de engelen toekomt. Daarmee hangt dan het geestelijke samen, waarin zij naar de wijze van de engelen God willen dienen. De godsdienst van de engelen is, volgens hun wezen een overgave van zichzelf aan God, waarbij tussen hen, de geesten en Hem, die Geest is, geen andere grens bestaat, dan die tussen de Schepper en Zijn schepselen. Zo'n godsdienst probeert dan hij na te volgen, weliswaar slechts in die mate als het een mens mogelijk is, die zich zo veel hij kan, van het lichamelijke ontledigt en in zoverre zich geestelijk God aanbiddende vertoont, als hij zich ontledigt van hetgeen hem tot lichamelijk genot was gegeven. Het is echter, zoals de apostel opmerkt, dwaasheid, als iemand de nederigheid en dienst (geestelijkheid of godsdienstigheid) verkiest en daardoor iets tot zijn wandel maakt, waarvan hij toch niets heeft gezien, omdat men hetgeen men niet heeft gezien ook niet kan nadoen. Zo iemand maakt slechts, wat hij zichzelf voorstelt, tot een voorwerp van welgevallen en nabootsing. Evenals nu het kiezen van nederigheid en geestelijkheid van de engelen samenhangt met een onderzoeken in de blinde, zo brengt zij ook, zoals Paulus verder zegt een opgeblazenheid teweeg, die tot de categorie behoort van vleselijke gezindheid. De mens wil daar toch iets voorstellen, dat hij niet is en onderneemt hetgeen hij niet kan. Ten slotte wordt dan ook door de mensen van deze soort dat ontkend, zonder hetwelk er geen Christelijke groei is; zij houden zich niet aan hun Hoofd; wat iemand buiten gemeenschap met Christus schijnt te vinden aan vroomheid of heilige kennis, is vreemd aan de groei, die van Christus uitgaat, waaraan de bijzondere persoon als lid van de gemeente deel heeft. Dat toch is het eigenaardige van dit lichaam, dat elk lid ervan indirect elk op zijn plaats is en toch tevens onmiddellijk met het hoofd samenhangt.
Jezus het vertegenwoordigend, het regerend of bestierend en het vervullend Hoofd van de gemeente, voor zoverre Hij, in al Zijn middelaars-voldoeningen, de personen van Zijn uitverkorenen vertegenwoordigt, door Zijn gezag en invloed de hele kerk regeert en uit Zijn rijkdom al de gemeente en bijzondere belangen, zo elk deel en die in het bijzonder verzorgt en voorziet. De enkele herinnering hieraan doet ons al meteen bevroeden, hoeveel er aan gelegen is, dat men met dat Hoofd verenigd is en blijft. En juist dit is het, wat de apostel begrijpt door de spreekwijs van het hoofd te behouden of vast te houden. Dit behouden van het hoofd bestaat in een juiste kennis en levendige erkentenis van die hoge waardigheid van Christus, waardoor Hij het Hoofd is; in een vrijmoedige en gewillige belijdenis van dit voelen, in een deugdelijke blijdschap over die bestelling van God, in een hartelijke overgave en verbindtenis door geloof en liefde aan Jezus, als zodanig; met verwerping van alles wat tegen Zijn hoge waardigheid zich verzetten en verheffen wil.