Job 38:12-24
De Heere gaat voort met aan Johannes veel beschamende vragen te doen, om hem te overtuigen van zijn onwetendheid en hem beschaamd te maken over zijn dwaasheid om aan God iets te willen voorschrijven. Indien wij onszelf slechts wilden toetsen door zo'n ondervraging als deze, dan zullen wij er spoedig toe gebracht worden om te erkennen dat hetgeen wij weten niets is in vergelijking met hetgeen wij niet weten.
Job wordt hier uitgedaagd om een bericht te geven van zes zaken.
I. Van de morgenstond, de opgang uit de hoogte, vers 12-15. Gelijk er geen zichtbaar wezen is, waarvan wij vaster overtuigd kunnen zijn dat het bestaat, zo is er ook geen, dat ons meer in verlegenheid brengt om het te beschrijven, noch waarover wij meer in twijfel zijn om te bepalen wat het is dan het licht. Wij heten de morgen welkom en zijn blijde met het aanbreken van de dag, maar hij was niet geboden sedert onze dagen, wat hij is, was hij lang voordat wij waren geboren, zodat hij noch door ons werd gemaakt, noch oorspronkelijk of in de eerste plaats voor ons bedoeld was, maar wij nemen hem zoals wij hem vinden, en zoals de vele geslachten, die voor ons geweest zijn, hem genomen en gevonden hebben. De dageraad kende zijn plaats voordat wij de onze kenden, want wij zijn slechts van gisteren.
1. Wij waren het niet, het was generlei mens, die de dageraad in den beginne heeft geboden of de plaats van zijn ontstaan en tevoorschijn treden of de tijd daarvoor heeft bepaald. De gestadige en regelmatige opvolging van dag en nacht was geen bedenksel of werk van ons, het is de heerlijkheid Gods en werk van Zijn handen, niet van de onze, die hij verkondigt, Psalm 19:1, 2.
2. Het is volstrekt buiten onze macht om die loop te veranderen. "Hebt gij sedert uw dagen tegenbevel gegeven aan de morgen? Hebt gij te eniger tijd het morgenlicht spoediger of vroeger dan de tijd, die ervoor bestemd is, doen schijnen ten einde uw doeleinden te dienen, als gij op de morgen hebt gewacht, of voor uw gemak en gerief de dageraad naar een andere dan haar eigen plaats geboodt heen te gaan? Neen, nooit. Waarom wilt gij dan de Goddelijke raadsbesluiten regelen of verwachten dat de methoden van Gods voorzienigheid tot uw gunst veranderd zullen worden? Wij kunnen dit verbond tussen dag en nacht evenmin verbreken als wij een ander deel van Gods verbond met Zijn volk verbreken kunnen.
3. Het is God, die de dageraad verordineerd heeft om de aarde te bezoeken en die het morgenlicht door de lucht verspreidt, welke het even geredelijk ontvangt als het leem het indruksel van een zegel, vers 14, daar zij snel alom wordt verlicht, en dan worden de einden van de aarde gesteld ais een kleed, of alsof zij met een kleed waren omhangen. Iedere morgen neemt de aarde een nieuw aanzien aan, evenals wij kleedt zij zich-zij doet het licht aan als een kleed, een sierlijk kleed dat een verkwikking is voor onze ogen en ons hart vervrolijkt.
4. Dit is tot een verschrikking gemaakt voor boosdoeners. Niets is voor het mensdom lieflijker dan het morgenlicht, want het is aangenaam voor de ogen, en het is dienstbaar aan het leven en zijn werkzaamheden, en de weldaad ervan is algemeen verspreid, want het vat de einden van de aarde, en in onze hymnen aan het licht moeten wij verwijlen bij zijn nut en voordeel voor de aarde. Maar God merkt hier op hoe onwelkom het is aan hen die kwaad doen en daarom het licht haten. God maakt het licht tot een dienaar van Zijn gerechtigheid, zowel als van Zijn goedertierenheid. Het is bestemd om de bozen uit de aarde uit te schudden, en te dien einde vat het de einden van de aarde, zoals wij de einden van een kleed vatten om er het stof en de motten van uit te schudden. Job had opgemerkt welk een verschrikking het morgenlicht voor misdadigers is, omdat het hen ontdekt, Hoofdst. 24:13 en verv, en God bevestigt hier deze opmerking, en vraagt hem of de wereld aan hem die vriendelijkheid verschuldigd was? Neen, de grote Rechter van de wereld zendt de stralen van het morgenlicht uit als Zijn boden om de misdadigers te ontdekken, opdat zij niet slechts teleurgesteld zullen worden in hun voornemens en bedoelingen en te schande worden gemaakt, maar ook opdat zij hun welverdiende straf zullen ontvangen, vers 15, opdat hun licht van hen geweerd wordt, dat is, opdat zij hun gemak en gerief, hun vertrouwen, hun vrijheid, hun leven zullen verliezen, en opdat de hoge arm worde gebroken, die zij tegen God en de mensen hebben opgeheven, en zij van de macht worden beroofd om kwaad te doen. Ik wil niet zeggen dat hetgeen hier gezegd wordt van het morgenlicht bedoeld was om als in beeldspraak het licht van het Evangelie van Christus voor te stellen en er een type van te geven, maar ik ben er zeker van dat het kan dienen om ons de lofzegging in de herinnering te brengen door Zacharias van het Evangelie bij het opgaan van de morgenster, Lukas 1:78. "Door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de opgang uit de hoogte om te verlichten degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods" wier hart ertoe gekeerd is als het leem tot het zegel, 2 Corinthiers 4:6. Ook de maagd Maria toont aan dat God in Zijn Evangelie "een krachtig werk heeft gedaan met Zijn arm, de hoogmoedigen verstrooid heeft in de gedachten hunner harten, en machtigen van de tronen heeft afgetrokken," door dat licht door hetwelk Hij de goddelozen en de goddeloosheid zelf van de aarde zal uitschudden en de hoge arm ervan zal breken.
II. Van de oorsprongen van de zee, vers 16. "Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen van de zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld? Weet gij wat op de bodem van de zee is, de schatten, die in het zand verborgen liggen? Of kunt gij een bericht geven van de opkomst en de oorsprong van de wateren van de zee? Voortdurend gaan dampen op uit de zee. Weet gij waar de toevloed vandaan komt, waardoor hetgeen zij door de verdamping verliest weer aangevuld wordt? Onophoudelijk storten rivieren zich uit in de zee. Weet gij hoe zij zich voortdurend ontlasten zonder de aarde te overstromen? Zijt gij bekend met de verborgen onderaardse gangen door welke de wateren circuleren? Gods weg in het bestuur van de wereld wordt gezegd in de zee te zijn, en in grote wateren, Psalm 77:20, te kennen gevende dat hij voor ons verborgen is, en het ons niet betaamt hem na te sporen of uit te vorsen.
III. Van de poorten des doods. Zijn die u ontdekt? vers 16. De dood is een grote verborgenheid.
1. Wij weten van tevoren niet wanneer en hoe en door welke middelen wij of anderen tot de dood gebracht zullen worden, door welke weg wij zullen gaan om te komen tot het pad vanwaar wij niet zullen wederkeren, welke ziekte of welk ongeval de deur zal zijn door welke wij komen in het huis van de samenkomst aller levenden, de mens weet zijn tijd niet.
2. Wij kunnen niet beschrijven wat de dood is, hoe de band tussen lichaam en ziel ontbonden wordt, noch hoe "de geest van de mens opvaart naar boven," Prediker 3:21, om te zijn wij weten niet wat, en te leven wij weten niet hoe. Met welk een ontzettende nieuwsgierigheid zegt Dr. Norris, gaat de ziel de grote oceaan van de wereld in, geeft zij zich aan een onbekende afgrond over! Laat ons de zekerheid verkrijgen dat aan de andere kant des doods de poorten des hemels ons geopend zullen worden dan behoeven wij het openen van de poorten des doods niet te vrezen, al is het dan ook een weg waarop wij slechts eenmaal zullen gaan.
3. Wij hebben hoegenaamd geen omgang of gemeenschap met afgescheiden zielen, noch enigerlei bekendheid met haar toestand. Het is een onbekend, onontdekt gebied, waar zij zijn heengegaan, wij kunnen noch van haar hoven noch haar enig bericht zenden, wij spreken van de wereld van de geesten zoals blinden over kleuren spreken, en als wij daarheen gaan, dan zullen wij verbaasd wezen te zien hoezeer wij ons hebben vergist.
IV. Van de breedte van de aarde, vers 18. Zijt gij met UW verstand gekomen tot de breedten van de aarde? De kennis daarvan kon wel het meest onder zijn bereik schijnen, toch wordt hij getart om haar te verklaren, zo hij kan. Wij hebben onze woonstede op de aarde, God heeft haar aan de kinderen van de mensen gegeven, maar wie heeft haar ooit overzien, wie zou het getal harer akkers kunnen opgeven? Zij is slechts een stipje in het heelal, maar klein als zij is, kunnen wij haar afmetingen toch niet nauwkeurig bepalen. Job had nooit een zeereis rondom de wereld gedaan, noch iemand anders vóór hem, zo weinig kende men de breedte van de aarde, dat het slechts nog enkele eeuwen geleden is, dat het grote werelddeel Amerika ontdekt is, dat sinds onheugelijke tijden verborgen neerlag. De Goddelijke volmaaktheid is langer dan de aarde en breder dan de zee, daarom is het vermetele aanmatiging in ons, die niet eens de breedte van de aarde kennen, om tot de diepten van Gods raadsbesluiten te willen doordringen.
V. Van de plaats en de weg des lichts en van de duisternis. Van de dageraad had Hij tevoren gesproken, vers 12, en Hij keert nu terug om er nogmaals van te spreken, vers 19. Waar is de weg daar het licht woont? En wederom, vers 24 :Waar is de weg daar het licht verdeeld wordt? Hij tart hem om te beschrijven:
1. Hoe het licht en de duisternis het eerst gemaakt waren, toen God in den beginne eerst duisternis over de afgrond heeft gespreid, en daarna het licht gebood om uit de duisternis te schijnen door dit woord van de almacht: "Er zij licht." Was Job getuige van de order, of van de uitwerking? Kan hij zeggen waar de bronnen zijn van het licht en van de duisternis en waar deze machtige vorsten hun hof houden, het afzonderlijk houden, daar zij in een wereld beurtelings regeren? Al verlangen wij ook nog zo sterk, hetzij naar het aanbrekende licht van de morgen of naar de schaduwen van de avond, wij weten niet waarheen te zenden of te gaan om ze te halen, noch kunnen wij de paden zijns huizes merken, vers 20. Wij waren toen niet geboren, en het aantal van onze dagen is niet zo groot, dat wij de geboorte zouden kunnen beschrijven van die eerstgeborene van de zichtbare schepping, vers 21. Zullen wij het dan ondernemen om over Gods raadsbesluiten te redeneren, die van eeuwigheid waren, of de paden uit te vinden naar het huis daarvan, ten einde een verandering er in te verzoeken? God roemt er in dat Hij het licht formeert en de duisternis schept, en indien wij deze moeten nemen zoals wij ze vinden, ze moeten nemen zoals zij komen, en met geen ervan moeten twisten, maar met beide ons voordeel moeten doen, dan moeten wij ons ook evenzo schikken naar de vrede en naar het kwaad, die God evenzo schept, Jesaja 45:7.
2. Hoe zij nog over en weer hun beurt behouden. Het is God, die "de uitgangen des morgens en des avonds doet juichen," Psalm 65:9, want het is Zijn order en geen order van ons, die door de uitgangen van het morgenlicht en de duisternis van de nacht volvoerd wordt. Wij kunnen niet eens zeggen vanwaar zij komen en werwaarts zij heengaan. vers 24. Waar is de weg, waar het licht verdeeld wordt in de morgen, wanneer het in een ogenblik zich in alle delen van de lucht boven de horizon dringt, alsof het morgenlicht vloog op de vleugelen van de oostenwind, zo snel, zo sterk wordt het heengevoerd, verstrooid in de duisternis van de nacht, zoals de oostenwind de wolken verstrooit? Vandaar dat wij lezen van "de vleugelen des dageraads," Psalm 139:9, op welke het licht heengevoerd wordt naar de uiterste delen van de zee, en als een oostenwind over de aarde verstrooid wordt. Het is een verwonderlijke verandering, die des morgens bij het wederkeren des lichts en des avonds bij het terugkeren van de duisternis over ons heengaat, maar wij verwachten haar, en aldus zijn zij geen verrassing voor ons en baren zij ons geen ongerustheid. Indien wij evenzo wilden rekenen op veranderingen in onze uitwendige toestand, dan zouden wij op de helderste middag op geen altoosdurende dag staat maken, en in de donkerste middernacht aan het wederkeren van de morgen niet wanhopen. God heeft het een tegenover het andere gesteld, zoals de dag en de nacht, en dat moeten wij ook doen, Prediker 7:14.
Vl. Van de schatkameren van de sneeuw en de hagel, vers 22, 23. "Zijt gij tot deze gekomen en hebt gij ze gezien?" Sneeuw en hagel worden voortgebracht in de wolken, en vandaar komen zij in zo grote overvloed dat men zou denken dat er daarboven schatten van weggelegd waren, terwijl zij, als ik dit zo eens zeggen mag, "extempore" worden voortgebracht, en "pro re nata-voor de gelegenheid". Soms komen zij zo gelegen om de doeleinden van Gods voorzienigheid te dienen in Gods strijden voor Zijn volk, en tegen Zijn en hun vijanden, dat men zou denken dat zij opgelegd waren in magazijnen, of in een arsenaal tegen de tijd van de benauwdheid, de dag des strijds en des oorlogs, wanneer God of met de wereld in het algemeen zal strijden, zoals in de zondvloed, toen de vensteren des hemels geopend werden en de wateren uit deze schatkameren werden gehaald om een boze wereld te overstelpen, die krijg voerde tegen de hemel, of met sommige particuliere personen of volken, zoals toen God uit deze schatkameren grote hagelstenen haalde om tegen de Kanaänieten te strijden, Jozua 10:11. Zie welk een dwaasheid het is om tegen God te strijden, die aldus bereid is voor de krijg, en hoezeer het in ons belang is om ons met Hem te verzoenen en ons te bewaren in Zijn liefde! God kan, als het Hem behaagt, even krachtig strijden met sneeuw en hagel als met donder en bliksem, of het zwaard van een engel.