Psalm 104:10-18
Eer hebbende gegeven aan God als de machtige beschermer van deze aarde in haar te behoeden voor overstroming, komt hij er nu toe om Hem te erkennen als haar milddadigen weldoener, die alle schepselen voorziet van hetgeen zij behoeven.
I. Hij voorziet hen van zoet water om te drinken, Hij zendt de fonteinen uit door de dalen, vers 10. Er is voorzeker water genoeg in de zee, dat is: genoeg om ons te overstelpen, er in te verdrinken, meer geen enkele droppel om ons te verkwikken, al zijn wij ook nog zo dorstig, want het is alles zo zout, en daarom heeft God genadiglijk voorzien in drinkbaar water. De natuurkundigen zijn het onderling oneens over de oorsprong van de bronnen, maar welke ook haar tweede of ondergeschikte oorzaken mogen zijn, hier is haar eerste oorzaak het is God, die de fonteinen zendt in de beken die tussen de gebergten heen wandelen, en toevoer ontvangen van het regenwater, dat er van afvloeit. Dezen drenken niet alleen de mens, en de schepselen, die tot zijn onmiddellijke dienst zijn gesteld, maar ook al het gedierte des velds, want waar God leven heeft gegeven, voorziet Hij ook in het levensonderhoud. Hij zorgt voor al de schepselen, zelfs de woudezels, die ontembaar zijn, en daarom van geen nut voor de mens, zijn welkom om hun dorst te lessen, en wij hebben geen reden om het hun te misgunnen, want voor ons is een betere voorziening gemaakt, hoewel wij als het veulen eens woudezels geboren zijn. Wij hebben reden om God te danken voor de overvloed van drinkwater, waarvan Hij het bewoonbare deel van Zijn aarde voorzien heeft, dat anders niet bewoonbaar zou zijn Datgene behoort als een grote zegen beschouwd te worden, waarvan het gebrek een grote beproeving zou zijn, en hoe meer algemeen die zegen is, hoe groter hij is, "usus communie aquarum Water is voor algemeen gebruik."
II. Hij voorziet voedsel beide voor mens en dier. De hemelen druipen vettigheid neer, zij zullen de aarde verhoren, maar God verhoort hen, Hosea 2:21. Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen, vers 13, uit de opperzalen, waarvan gesproken is in vers 3, die Hij zoldert in de wateren, deze voorraadschuren, de wolken die vruchtbare regenbuien nederzenden. De bergen, die niet gedrenkt worden door de rivieren, zoals Egypte door de Nijl, worden gedrenkt door de regen van de hemel die "de rivier Gods" wordt genoemd, Psalm 65:10, zoals ook Kanaän er door gedrenkt was, Deuteronomium 11:11,12. Zo wordt de aarde verzadigd van de vrucht van Zijn werken, hetzij van de regen, die zij indrinkt, de aarde weet, wanneer zij genoeg heeft, jammer, dat er mensen zijn, die dit niet weten of van de voortbrengselen, die zij oplevert. Het is een voldoening voor de aarde om de vrucht te dragen van Gods werken ten voordele van de mens, want aldus beantwoordt ze aan het doel harer schepping. Het brood, dat God uit de aarde doet voortkomen is de vrucht van Zijn werken, waarvan de aarde verzadigd wordt.
Merk op hoe verscheiden en hoe kostbaar haar voortbrengselen zijn, voor het vee is er gras, en de roofdieren, die niet van gras leven, voeden zich met die welke dit wel doen. Voor de mens is er kruid, een betere soort van gras en een maal van kruiden en wortelen is niet te verachten ja hij wordt voorzien van wijn en olie en brood, vers 15.
Betreffende ons voedsel kunnen wij hier opmerken hetgeen ons beide nederig en dankbaar kan maken. 1. Wat ons nederig kan maken. Laat ons bedenken dat wij noodzakelijkerwijs afhankelijk zijn van God voor alles, wat tot ons levensonderhoud dient. Wij leven van aalmoezen, God moet ons verzorgen, want onze eigen handen volstaan niet voor ons, dat al ons voedsel voortkomt uit de aarde, om ons te herinneren dat wij zelf daaruit genomen zijn, en dat wij er toe moeten wederkeren, en dat wij derhalve niet moeten denken alleen bij brood te leven want dat zal slechts het lichaam voeden, maar in het woord van God moeten zijn om de spijze te vinden, die blijft tot in het eeuwige leven, en voorts, dat wij in dit opzicht lotgemeen zijn met de dieren, dezelfde aarde, dezelfde plek gronds, die gras doet uitspruiten voor het vee, brengt koren voort voor de mens.
2. Om ons dankbaar te maken, Laat ons bedenken:
A. Dat God niet slechts voorziet voor ons, maar ook voor onze dienaars, er wordt inzonderheid gezorgd voor het vee, dat van nut is voor de mens. In grote overvloed groeit gras voor het vee, als de jonge leeuwen, die van geen nut zijn voor de mens, dikwijls hongeren en gebrek hebben.
B. Dat ons voedsel dicht bij ons is, gereed voor ons is, onze woonstede hebbende op de aarde, hebben wij daar onze voorraadschuren, en zijn niet afhankelijk van "de schepen eens koopmans, die het brood van verre aanbrengen," Spreuken 31:14.
C. Dat de voortbrengselen van de aarde ons niet slechts het noodzakelijke opleveren, maar ook hetgeen tot sieraad en verlustiging dient, zo goed is de meester, die wij dienen
a. Eist de natuur iets, dat haar onderhoudt en haar dagelijks verval herstelt? Hier is brood, dat het hart des mensen sterkt, en daarom de staf des levens wordt genoemd, laat niemand, die dat heeft, klagen over gebrek.
b. Gaat de natuur verder en begeert zij iets, dat aangenaam is? Hier is wijn, die het hart des mensen verheugt, de geest opwekt en vervrolijkt, als hij in soberheid en matigheid gebruikt wordt, opdat wij niet alleen ons werk kunnen doen maar het met blije mondigheid kunnen verrichten. Het is jammer dat datgene misbruikt wordt om het hart te bezwaren en de mensen ongeschikt te maken voor hun plicht, dat gegeven was tot opwekking van hun hart en om hen levendig te maken in hun plichtsbetrachting.
c. Heeft de natuur nog meer grillen en luimen, en verlangt zij ook naar iets dat tot sieraad dient? Ook dit komt haar voort uit de aarde, olie, die het aangezicht doet blinken, zodat het aangezicht niet alleen vrolijk, maar ook schoon is, en wij daardoor zoveel aangenamer zijn voor elkaar. Ja meer. God voorziet niet slechts de dieren van het voor hen geschikte voedsel maar ook de planten van het hunne, vers 16. De bomen des Heeren worden verzadigd, niet alleen de bomen van de mensen, waarvoor zij zorg dragen, waarop zij het oog hebben in hun boomgaarden en parken en andere omheinde plaatsen, maar Gods bomen, die in de woestijn groeien en alleen verzorgd worden door Zijn voorzienigheid, zij zijn verzadigd en hebben geen voedsel nodig, zelfs de cederen van de Libanon, een open woud, hoewel zij hoog en zwaar zijn en veel sap nodig hebben om gevoed te worden, ontvangen genoeg van de aarde, het zijn bomen, die Hij geplant heeft, en die Hij daarom zal beschermen en verzorgen. Wij kunnen dit toepassen op de bomen van de gerechtigheid, die de planting zijn des Heeren, geplant in Zijn wijngaard, deze zijn verzadigd, want wat God plant, zal Hij bewateren, en zij die "in het huis des Heeren geplant zijn, zullen groeien in de voorhoven onzes Gods," Psalm 92:14.
III. Hij draagt zorg dat zij geschikte woningen hebben om in te verblijven. Aan de mens heeft God verstand gegeven om voor zichzelf te bouwen, alsmede voor het vee, dat hem dient, maar er zijn sommige schepselen, die meer onmiddellijk door God van een woning of vestiging voorzien worden.
1. De vogelen. Sommige vogels maken instinctmatig hun nesten in de struiken in de nabijheid van rivieren, vers 12. Bij de fonteinen die tussen de gebergten heen wandelen, sommigen van het gevogelte des hemels hebben een woning, vanwaar zij hun stem geven van tussen de takken. Zij zingen naar hun bekwaamheid of vermogen tot eer van hun Schepper en weldoener, en hun zingen kan ons zwijgen beschamen. Onze hemelse Vader voedt ze, Mattheus 6:26 en daarom zijn zij gerust en vrolijk, en zijn niet bezorgd tegen de morgen. De vogelen gemaakt zijnde om boven de aarde te vliegen zoals wij lezen in Genesis 1:20, maken hun nest in de hoogte, op de toppen van bomen vers 17. Het is alsof de natuur daar het oog op had in het planten van de cederen van de Libanon, om een schuilplaats te zijn voor de vogelen. Zij, wier vlucht hemelwaarts is, moeten geen gebrek hebben aan plaatsen van rust. Inzonderheid wordt melding gemaakt van de ooievaar, de dennebomen, die zeer hoog zijn, zijn zijn huis, zijn kasteel.
2. De mindere diersoorten, vers 18. De steenbokken, die noch krachtig noch vlug genoeg zijn om zich in veiligheid te stellen, worden door hun instinct naar de hoge bergen geleid die hun tot een schuilplaats dienen, en de konijnen, die ook hulpeloze dieren zijn, vinden een schuilplaats in de rotsen, waar zij de roofdieren kunnen trotseren. Voorziet God aldus voor de mindere schepselen, en zal Hij zelf dan niet een toevlucht zijn voor Zijn eigen volk?