Psalm 148:1-6
Wij, bewoners van deze donkere neergedrukte wereld, weten slechts weinig van de wereld van licht en heerlijkheid boven ons, en ons bewegende in een enge kring, kunnen wij ons nauwelijks een voorstelling maken van het ontzaglijk ruime gebied boven ons. Maar dit weten wij:
I. Dat er boven ons een gezegende wereld van engelen is, door wie God geloofd wordt, een talloze menigte van hen, duizend maal duizenden dienen Hem, en tien duizendmaal tien duizenden staan voor Hem, en het is Zijn eer dat Hij zulke dienaren heeft, maar nog veel meer is het Zijn eer en heerlijkheid dat Hij hen niet nodig heeft, door hen noch bevoordeeld is noch bevoordeeld kan wezen. Op deze schitterende, gelukkige wereld heeft de psalmist hier het oog, vers 1, 2. In het algemeen, op de hemelen, de hoogste plaatsen, de hemelen zijn de hoogste plaatsen, en daarom moeten wij onze ziel opheffen boven de wereld tot God in de hemelen, en wij moeten de dingen die boven zijn bedenken. Het is zijn begeerte dat God geloofd zal worden uit de hemelen, dat vandaar de gezindheid tot loven overgebracht zal worden naar de wereld, waarin wij leven, opdat wij van de bewoners dier wereld zullen leren dit gezegende werk te doen. Het is hem een zielsgenot te denken dat God geloofd wordt in de hoogste plaatsen, dat, terwijl wij zo koud en droog zijn in het loven van God, er diegenen hierboven zijn, die dit op een betere wijze doen, en dat, terwijl wij zo dikwijls gestoord worden in dit werk zij er dag noch nacht van rusten. In het bijzonder had hij het oog op Gods engelen, op Zijn heirscharen, en hij roept hen op om God te loven. Dat Gods engelen Zijn heirscharen zijn, is duidelijk genoeg, zodra zij gemaakt waren, -waren zij in dienst genomen, gewapend en onderricht, Hij gebruikt hen om Zijn krijgen te voeren, en zij blijven in hun gelederen, weten waar hun plaats is, en als Zijn heirscharen letten zij op Zijn woord van bevel. Maar wat er mee bedoeld wordt, dat de psalmist hen oproept en aanspoort om God te loven, is niet zo gemakkelijk te verklaren. Ik wil niet zeggen dat zij er geen acht op slaan, want wij bevinden dat door de gemeente bekend gemaakt wordt aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid Gods, Efeziers 3:10, maar ik wil zeggen dat zij het niet nodig hebben, want zij loven God gestadig, en in alles wat zij doen is geen gebrek, geen tekortkoming, weshalve wij, als wij deze psalm zingen, de engelen oproepen om God te loven (zoals wij ook deden in Psalm 103:20) er mee bedoelen dat wij wensen, dat God op de beste wijze en door de bekwaamsten geloofd zal worden, en dat wij er zeker van zijn dat dit goed en gepast is, en dat het ons een genot is te denken, dat Hij aldus geloofd en geprezen wordt, en dat wij een geestelijke gemeenschap hebben met hen, die in Zijn huis hierboven wonen en Hem nog steeds loven, en dat wij door geloof, en hoop en heilige liefde gekomen zijn tot de vele duizenden van de engelen, Hebreeën 12:22.
II. Dat er boven ons niet alleen een vergadering is van zalige geesten, maar ook een stelsel van zeer grote, schitterende lichamen, in welke God geloofd wordt, hetgeen ons aanleiding kan geven, om (voor zoveel wij iets daarvan weten) God de eer te geven, niet slechts van hun bestaan, maar van hun nut en voordeel van het mensdom.
Merk op:
1. Wat deze schepselen zijn, die ons aldus de weg wijzen in het loven van God, en ons, telkenmale als wij opzien om de hemel te beschouwen, van stof voorzien om Hem te loven. a. Daar zijn de zon, de maan en de sterren, die zich voortdurend, hetzij bij dag of bij nacht, aan onze ogen voordoen als spiegels, waarin wij een flauwe schaduw kunnen zien (want aldus moet ik het noemen, niet een beeld of gelijkenis) van de heerlijkheid van Hem, die de Vader van de lichten is, vers 3. De grotere lichten, de zon en de maan, zijn niet te groot, niet te schitterend, om Hem te loven, en de lof van de mindere lichten, de sterren zal niet versmaad worden. Afgodendienaars maakten zon, maan en sterren tot hun goden en loofden ze, het schepsel aanbiddende en dienende, omdat het gezien wordt, meer dan de Schepper, omdat Hij niet gezien wordt, maar wij, die de ware God aanbidden, houden ze slechts voor onze mede-aanbidders, en roepen ze op om met ons Hem te loven, ja, om als Levieten ons te dienen, die als priesters deze geestelijke offerande offeren.
b. Daar zijn de hemelen der hemelen, boven de zon en de sterren, de zetel van de gelukzaligen, van de grootte en de schittering van deze onbekende werelden wordt Gode overvloedige lof toegebracht, want de hemel is des Heeren, Psalm 115:16, en toch kan hij Hem niet bevatten, 1 Koningen 8:27. Onder de hemelen der hemelen verstaat de geleerde Dr. Hammond hier de bovenste luchtstreken, of wel al de luchtstreken, zoals in Psalm 68:34. Wij lezen van de hemel der hemelen, vanwaar God Zijn stem uitzendt, Zijn machtige stem, bedoelende de donder.
c. Daar zijn de wateren, die boven de hemelen zijn, de wolken, die boven in de lucht hangen, waar zij bewaard worden tot de dag des strijds en des oorlogs, Job 38:23. Wij hebben reden om God te loven, niet alleen omdat deze wateren de aarde niet overstromen, maar haar bewateren en vruchtbaar maken. De Chaldeeuwse paraphrast leest hier, Looft Hem gij hemelen der hemelen, en gij wateren, die afhangt van het woord van Hem, die boven de hemelen is, want de sleutel van de wolken is een van de sleutels, die God in Zijn hand heeft, waarmee Hij opent en niemand kan sluiten, Hij sluit en niemand kan openen.
2. Om welke reden wij God de eer van hen moeten geven, dat zij de naam des Heeren loven, laat ons voor hen de naam des Heeren loven, en zien welke voortdurende en nieuwe stof tot lof aan hen ontleend kan worden.
a. Omdat Hij ze gemaakt heeft, hun hun krachten heeft gegeven, en hun plaats heeft aangewezen. Als Hij het beval, zijn zij, (hoe groot zij ook zijn) uit niets voortgekomen, werden zij geschapen door het spreken van een woord. God schiep, en daarom kan Hij bevelen, want Hij beval, en aldus schiep Hij, Zijn gezag moet altijd erkend worden, en er moet in worden berust, omdat Hij eens met zodanig gezag gesproken heeft.
b. Omdat Hij ze nog in wezen houdt en ze op hun plaats bewaart, hun krachten en bewegingen in stand houdt, vers 6, Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid, tot aan het einde des tijds, een korte eeuwigheid, maar het is hun eeuwigheid, zij zullen in stand blijven zolang als zij nodig zijn. Hij heeft hun een orde gegeven, de wet van de schepping, die geen van hen zal overtreden, zij was vastgesteld door de wijsheid van God, en behoeft dus niet veranderd te worden, door Zijn vrijmacht en onverbreekbare trouw, en daarom kan zij niet veranderd worden. En wij hebben reden om Hem te loven, dat zij binnen de grenzen van een orde gehouden worden, want daaraan is het te danken dat de wateren boven de hemelen niet nogmaals de aarde overstroomd en overstelpt hebben.