Psalm 65:7-14
Om te meer aangedaan te worden door de grote neerbuigendheid van Gods genade, is het goed om te letten op Zijn macht en soevereiniteit als de God van de natuur, de rijkdom en de milddadigheid van Zijn rijk van de voorzienigheid.
I. Hij maakt de aarde vast, en zij blijft staan Psalm 119:90. Door Zijn kracht zet Hij de bergen vast, Hij heeft ze vastgezet in de beginne, en houdt ze nog vast, hoewel zij soms door aardbevingen worden geschud. Vandaar dat zij de "aloude bergen" worden genoemd, Habakuk 3:6. Maar Gods verbond met Zijn volk wordt gezegd nog vaster te zijn, Jesaja 54:10.
II. Hij stilt de zee, en zij is kalm, vers 8. In een storm maakt de zee veel gedruis, waardoor haar dreigende verschrikking nog toeneemt maar als het Gode behaagt, gebiedt Hij stilte onder de golven en baren en legt ze te slapen.
Hij doet de storm stilstaan, Psalm 107:29. En door deze verandering, evenals door het vorige voorbeeld van de onveranderlijkheid van de aarde, blijkt dat Hij, wiens de zee is en het droge, omgord is met macht. En hierdoor gaf onze Heere Jezus een bewijs van Zijn Goddelijke macht, dat Hij de winden en golven gebood, en zij gehoorzaamden Hem. Bij dit voorbeeld van het stillen van de zee voegt hij, als iets dat van tamelijk gelijken aard is, het stillen van het rumoer van de volken, van het gemene volk. Niets is zo ontembaar en zo onaangenaam als het oproer van het grauw, de aanvallen en de beledigingen van het gemeen, maar ook deze kan God tot bedaren brengen, op verborgen wijze, zonder dat zij zelf het bemerken. Het kan ook bedoeld zijn van de gewelddadigheid van de volken, die vijanden waren van Israël Psalm 2:1. God heeft vele middelen om hen tot bedaren te brengen, en Hij zal hun rumoer voor altijd tot zwijgen brengen.
III. Hij hernieuwt de morgen en de avond en hun opvolging is bestendig, vers 9. Deze regelmatige opvolging van dag en nacht kan beschouwd worden:
1. Als een voorbeeld van Gods grote macht en dan vervult het allen met eerbied en ontzag. Zij, die aan de uiterste einden van de aarde wonen, vrezen voor Uw tekenen, zij worden er door overtuigd dat er een opperste Godheid is, een souvereine monarch, voor wie zij behoren te vrezen en te sidderen, want in deze dingen worden de onzichtbare dingen klaarlijk gezien en daarom worden zij gezegd "zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden ev," Genesis 1:14. Velen van hen, die in de ver verwijderde en duistere hoeken van de aarde woonden, waren zo beangstigd door deze tekenen, dat zij er toe gedreven werden om ze te aanbidden, Deuteronomium 4:19, niet bedenkende dat zij Gods tekenen waren, onloochenbare bewijzen van Zijn macht en Godheid, weshalve zij er door geleid hadden moeten worden om Hem te aanbidden.
2. Als een voorbeeld van Gods grote goedheid, en zo brengt zij troost tot allen. Gij doet de uitgangen des morgens, eer de zon opkomt, en des avonds, eer de zon ondergaat, juichen. Gelijk het God is, die het licht van de morgen verspreidt en de gordijnen van de avond toetrekt, zo doet Hij die beide dingen ten gunste van de mens, en doet ze juichen, ons gelegenheid gevende om ons in beide te verblijden, zodat, hoe tegenover elkaar licht en duisternis ook gesteld zijn, en hoe onveranderlijk de scheiding tussen hen ook zij Genesis 1:4, beide toch op hun tijd gelijkelijk welkom zijn aan de wereld, het is moeilijk te zeggen wat ons meer welkom is: het licht van de morgen, dat de werkzaamheden begunstigt van de dag, of de schaduwen van de avond die de nachtrust ten goede komen. Ziet de wachter uit naar de morgen? Even vurig verlangt de dagloner naar de schaduw. Sommigen verstaan het van het morgen- en avondoffer, waarin de Godvruchtigen zich grotelijks verblijdden, en waarin God voortdurend werd geëerd. Gij doet ze zingen, zo is het in het Hebreeuws, want elke morgen en iedere avond werden lofliederen gezongen door de Levieten, de plicht van iedere dag vereiste dit. Wij moeten onze dagelijkse Godsdienstige verrichtingen, zowel die wij alleen doen voor onszelf als die wij doen met ons gezin beschouwen als de nodigste van onze dagelijkse werkzaamheden en de lieflijkste van onze dagelijkse vertroostingen, en zo wij daar onze gemeenschap met God door onderhouden, dan zullen er de uitgangen beide van de morgen en van de avond door juichen.
IV. Hij bevochtigt de aarde en maakt haar vruchtbaar. Hij weidt zeer uit over dit voorbeeld van Gods macht en goedheid, daar de psalm waarschijnlijk geschreven werd bij gelegenheid, hetzij van een buitengewoon overvloedige oogst, of bij een verfrissende regen na langdurige droogte. Hoeveel de vruchtbaarheid van dit lagere gedeelte van de schepping afhangt van de invloed van het bovenste, is gemakkelijk waar te nemen. Indien de hemel als koper is, dan is de aarde als ijzer, hetgeen een merkbare aanduiding is aan een stompzinnige wereld, dat alle goede gave en alle volmaakte gift van boven is. Wij moeten onze ogen opheffen boven de bergen, ze opheffen naar de hemel, waar de bronnen zijn van alle zegeningen, buiten het gezicht, en daarheen moet onze lof terugkeren, zoals de eerstelingen van de vruchten van de aarde in het hefoffer opgeheven werden naar de hemel, bij wijze van erkenning dat zij van daar gekomen waren. Al Gods zegeningen, zelfs de geestelijke, worden uitgedrukt door Zijn regenen van gerechtigheid over ons.
Merk nu op hoe de gewone zegen van regen van de hemel en van vruchtbare tijden hier beschreven wordt.
1. Hoeveel van de macht en goedheid Gods er in is, hier voorgesteld door een grote verscheidenheid van levendige uitdrukkingen.
a. God, die de aarde gemaakt heeft, bezoekt haar hierdoor, geeft bewijzen van Zijn zorg er voor, vers 10. Het is een bezoeken in genade, waarvoor de inwoners van de aarde Hem dankbare lof moeten brengen.
b. God, die de aarde droog land heeft gemaakt, bevochtigt haar hierdoor, ten einde haar vruchtbaar te maken. Hoewel de voortbrengselen van de aarde bloeiden, voordat God het had doen regenen was er toch ook toen een damp, die aan het doel beantwoordde "een damp was opgegaan uit de aarde en bevochtigde de gehele aardboden," Genesis 2:5, 6. Ons hart is dor en onvruchtbaar, tenzij God zelf als de dauw voor ons is en ons bevochtigt en de planten van Zijn eigen planting zal Hij bevochtigen en doen opwassen.
c. Regen is de rivier Gods, die vol water is, de wolken zijn de bronnen van deze rivier, die maar niet zo in `t wilde vloeit, maar in de bedding, die God er voor bereid heeft. De regenbuien zijn als de waterbeken, die Hij henenleidt waar het Hem behaagt:
d. Deze rivier Gods verrijkt de aarde, die, zonder haar spoedig een armzalig ding zou zijn. De schatten van de aarde, die uit haar oppervlakte worden voortgebracht, zijn oneindig nuttiger en meer dienstig aan de mens dan die, welke in haar ingewanden zijn verborgen, wij zouden goed genoeg kunnen leven zonder zilver en goud, maar niet zonder koren en gras.
2. Hoeveel voordeel er aan ontleend wordt voor de aarde en voor de mens op haar.
A. Voor de aarde zelf. De regen op zijn tijd geeft haar een nieuw aanzien. Niets is meer verkwikkend en verfrissend dan regen op het pas gemaaide gras, Psalm 72:6, zelfs de bergruggen en glooiingen, waar de regen van schijnt af te glijden, worden overvloedig bevochtigd, want zij drinken de regen in, die dikwijls op hen valt, de voren, door de ploeg gemaakt voor de zaaitijd, zijn door de regen geschikt gemaakt, om het zaad te ontvangen vers 11, daar zij er week door gemaakt zijn. Zo wordt ook het hart door Gods genade week gemaakt en dan bevestigd. Indien aldus de lente, het eerste gedeelte van het jaar, gezegend wordt, dan is dit een onderpand van een zegen over het gehele jaar, weshalve God gezegd wordt het te kronen met Zijn goedheid, vers 12, het aan alle zijden te omgeven, zoals het hoofd omgeven wordt door een kroon, en er het lieflijke en aangename van te vervolledigen, zoals het einde van een zaak gezegd wordt haar te kronen. En zijn voetstappen worden gezegd te druipen van vettigheid, want alle vettigheid, die er in de aarde is, en haar vruchtbaar maakt, komt van de uitgangen van Gods goedheid. Overal waar God heengaat, laat Hij de tekenen achter van Zijn genade en goedheid, Joël 2:13, 14. Die mededelingen van Gods goedheid aan deze lagere wereld zijn zeer uitgestrekt, vers 13. Ze bedruipen de weiden van de woestijn, en niet slechts de weiden van de bewoonde streken. De woestijnen, waarvoor de mens geen zorg draagt en waaraan hij geen voordeel ontleent zijn onder de zorg van de Goddelijke voorzienigheid, en de voordelen ervan strekken tot eer van God, als de grote weldoener van geheel de schepping, hoewel niet onmiddellijk tot voordeel van de mens, en wij moeten dankbaar zijn, niet alleen voor hetgeen ons nuttig en dienstbaar is, maar ook voor hetgeen aan enigerlei deel van de schepping dienstig is, omdat het daardoor tot eer strekt van de Schepper. De woestijn, die niet zoveel voordeel oplevert als de bebouwde grond, ontvangt evenveel van de regen des hemels als de vruchtbaarste grond, want God doet goed aan de bozen en ondankbaren. Zo uitgestrekt zijn de gaven van Gods milddadigheid, dat de heuvelen aangegord zijn met verheuging, zich van rondom verheugen, zelfs aan de noordzijde, die het verst af ligt van de zee. Bergen zijn niet te verheven voor Gods voorzienigheid, heuvelen zijn niet te laag, te gering, voor Gods kennisneming. Maar evenals Hij ze, zo het Hem behaagt, kan doen beven, Psalm 114:6, zo kan Hij ze, als het Hem behaagt, ook aangorden met verheuging.
B. Voor de mens op de aarde. Door regen te geven op de aarde, bereidt God koren voor de mens, vers 10. "Uit de aarde komt het brood voort," Job. 28:5, want uit haar komt het koren, maar iedere graankorrel, die er uit voortkomt, heeft God zelf bereid, en daarom geeft Hij regen voor de aarde, teneinde daardoor koren te bereiden voor de mens, onder wiens voeten Hij de overige schepselen gesteld heeft en tot wiens gebruik Hij ze geschikt heeft gemaakt. Als wij bedenken dat de jaarlijkse korenopbrengst niet alleen een werking is van dezelfde macht, die de doden opwekt, maar ook een voorbeeld is van dezelfde macht, die er niet ongelijk aan is, zoals blijkt uit het gezegde van onze Zaligmaker, Johannes 12:24, en dat het bestendige nut en voordeel, dat wij ervan hebben, een voorbeeld is van die goedertierenheid, welke tot in eeuwigheid is, dan zullen wij reden hebben om te denken dat het niet minder dan een God is, die het koren voor ons bereidt.
Koren en vee, de twee voornaamste zaken waardoor de landman, die onmiddellijk in de vruchten van de aarde handelt, verrijkt wordt, en beide zijn verschuldigd aan de goedheid van God in het bevochtigen van de aarde vers 14. Daaraan is het te danken dat de velden bekleed zijn met kudden, vers 14. Zo wel voorzien zijn de weiden, dat zij als bedekt schijnen te zijn met vee, terwijl toch de weiden er niet door overladen zijn. Zo goed gevoed zijn de kudden dat zij het sieraad en de eer zijn van de weiden waarop zij grazen. De dalen zijn zo vruchtbaar, dat zij bedekt schijnen te zijn met koren in de tijd van de oogst. De laagste delen van de aarde zijn gewoonlijk het vruchtbaarst, een akker van de nederige valleien is er vijf waard van de hoogste bergen. Maar beide korenvelden en weidevelden beantwoorden aan het doel van hun schepping, en daarom worden zij gezegd te juichen en te zingen, omdat zij dienstig zijn voor de eer Gods en het welzijn van de mens, en ons stof geven voor blijdschap en lof. Gelijk er geen aardse vreugde groter is dan de vreugde wegens de oogst, zo werden er ook geen feesten des Heeren onder de Joden met meer plechtigheid gevierd en met grotere uitdrukkingen "van" dankbaarheid dan "het feest van de inzameling op van de uitgang van het jaar," Exodus 23:16. Laat nu al deze gaven van de Goddelijke milddadigheid, waarvan wij jaarlijks en dagelijks genieten, onze liefde doen toenemen tot God, als het beste van alle wezens, en ons aansporen om Hem te verheerlijken met ons lichaam, waarvoor Hij zo mildelijk voorzien heeft.