Genesis 11:27-32
Hier begint de geschiedenis van Abram, wiens naam van nu aan vermaard is in beide Testamenten. Wij hebben hier:
I. Zijn land: Ur van de Chaldeeën. Dat was het land van zijn geboorte, een afgodisch land, waar zelfs de kinderen van Heber ontaard waren. Zij, die door genade erfgenamen zijn van het land van de belofte, moeten gedenken wat het land hunner geboorte geweest is, wat hun verdorven, zondige toestand van nature geweest is, de rotssteen, waaruit zij gehouwen zijn.
II. Zijn bloedverwanten, van wie om zijnentwil melding wordt gemaakt, en vanwege hun deel in de volgende geschiedenis.
1. Zijn vader was Terach, van wie in Jozua 24:2 gezegd wordt, dat hij aan de andere kant van de rivier andere goden heeft gediend, zo vroeg reeds heeft de afgoderij vaste grond gekregen in de wereld, en zo moeilijk is het zelfs voor hen, die nog enige goede beginselen hebben om tegen de stroom op te roeien. Hoewel in vers 26 gezegd wordt, dat Terach zeventig jaren oud was, toen hij Abram, Nahor en Haran gewon, (hetgeen ons schijnt te zeggen, dat Abram, Terachs oudste zoon, was geboren in zijn 70ste jaar) blijkt toch uit de vergelijking van vers 32, waar gezegd wordt, dat Terach in zijn 205de jaar is gestorven, met Handelingen 7:4 (waar gezegd wordt, dat Abram van Haran vertrok, toen zijn vader gestorven was) en met Hoofdstuk 12:4, (waar gezegd wordt, dat hij slechts 75 jaar oud was, toen hij uit Haran ging) dat hij in het 130ste jaar van Terach geboren was, en waarschijnlijk zijn jongste zoon is geweest, want naar Gods verkiezing zijn de laatsten dikwijls de eersten, en de eersten de laatsten. Wij hebben:
2. Een bericht omtrent zijn broeders.
a. Nahor, uit wiens geslacht beide Izak en Jakob hun vrouwen hadden.
b. Haran, de vader van Lot, van wie vers 28 vermeldt dat hij stierf voor het aangezicht zijns vaders Terach. Kinderen kunnen er niet zeker van zijn, dat zij hun ouders zullen overleven want de dood regelt zich niet naar volgorde van leeftijd, waarnaar de oudste het eerst sterft, de schaduw des doods is zonder ordeningen, Job 10:22. Er wordt ook gezegd, dat hij stierf in Ur van de Chaldeeën, vóór het gelukkig vertrek van het gezin uit dat afgodisch land. Het is van het grootste belang voor ons, dat wij ons wegspoeden uit onze natuurlijke staat, opdat ons de dood daarin niet overvalle.
3. Zijn vrouw was Sarai, die, naar sommigen denken, dezelfde is als Jiska, de dochter van Haran. Abram zelf zegt van haar, dat zij de dochter was van zijn vader, maar niet van zijn moeder, Hoofdstuk 20:12. Zij was tien jaren jonger dan Abram.
III. Zijn vertrek uit Ur van de Chaldeeën met zijn vader Terach, zijn neef Lot en de overigen van zijn gezin, in gehoorzaamheid aan de roeping Gods, waarvan wij meer zullen lezen in Hoofdstuk 12. Dit hoofdstuk laat hen nog in Haran of Charran, een plaats, ongeveer halverwege tussen Ur en Kanaän, waar zij bleven totdat Terach het hoofd neerlegde, waarschijnlijk omdat de grijsaard door ouderdomszwakte verhinderd werd de reis voort te zetten. Velen bereiken wel Charran, maar komen toch niet in Kanaän, zij zijn niet ver van het koninkrijk Gods, maar komen er nooit in. HOOFDSTUK 12
1 De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. 2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! 3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. 4 En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging. 5 En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan. 6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land. 7 Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was. 8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den HEERE een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. 9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden. 10 En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land. 11 En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht. 12 En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. 13 Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. 14 En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was. 15 Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. 16 En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen. 17 Maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw. 18 Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is? 19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen! 20 En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.