2. Zo zei Saraï tot Abram: 1) Zie toch, de HEERE 2) heeft wel aan u een zoon beloofd, die uit uw lijf voortkomen zal, maar van mij heeft Hij niet gezegd dat ik de moeder daarvan zal zijn; integendeel, gelijk duidelijk blijkt, heeft Hij mij toegesloten, dat ik niet bare. Waarom zou ik langer de vervulling van de goddelijke belofte in de weg staan? 3) Ga toch in tot mijn dienstmaagd: doe als de andere mannen en neem u een bijvrouw;4) ik zelf zal u mijn dienstmaagd daartoe geven; misschien zal ik uit haar gebouwd worden; 5) misschien behaagt het de Heere haar een kind te schenken; dat zou dan, omdat zij mijn lijfeigene is, niet haar, maar mijn kind heten, en ik zou daardoor een zoon, een erfgenaam verkrijgen. En Abram 6) antwoordde haar niet: Laat ons de Heere niet vooruitlopen, noch de Almachtige trachten te hulp te komen; laat ons wachten, wat Hij doen zal. Gelijk eens Adam, zo liet zich ook Abram door de vrouw verleiden, om het door haar aangebodene aan te nemen, en hij hoorde naar de stem van Saraï. Hij beschouwde haar voorstel als goed; die was ook goed gemeend; voor Saraï was dit voorstel een zelfverloochening, hoewel het inderdaad zondig was. (Galaten. 3:3).
1) Bij alle heidense volken, ook bij de meest beschaafde in de oudheid werden de vrouwen als slavinnen behandeld; bij de vrouwen van de Heilige Schrift zien wij duidelijk de invloed van de vreze Gods in de toestand van de vrouw; zij zijn geen slavinnen van de man, maar, hoewel hem onderworpen, staan zij als vrije naast hem. Saraï spreekt altijd op de toon van vrijheid en van onafhankelijkheid. Het is haar welbehagen, dat zij Hagar aan Abram geeft; het is haarbelang, het is haar eer, die zij wil handhaven.
2) Alles te beschouwen als komende van God, zowel het kwade als het goede Jesaja 45:7 Amos.3:6 ), is een teken van godsvrucht. Wij mochten wel wat meer de vinger Gods zien, daar waar Hij geeft of ontneemt, waar wij verblijd zijn of treuren..
3) Niet slechts het doel, maar ook het middel moet aan God overgelaten worden (Romeinen 11:36). Saraï vergeet de Heere niet; zij gelooft Zijn beloften, maar zij wil haar eigen weg gaan om de belofte vervuld te zien; en daarin zondigt zij, zoals later Rebekka, en nog meer een Jehu. Dit is een waarschuwing voor Christenen, opdat zij niet, met de geest beginnende, met het vlees eindigen (Galaten. 3:3), noch kwade dingen doen met een goed doel voor ogen (Romeinen 3:8), noch door eigen werk het werk Gods ontheiligen. Het hart is zo arglistig! "O! als God ons onze wegen laat gaan, onze toekomst laat regelen, ons huis tooien, zonder dat wij met Hem raadplegen, dan is het nimmer goed. Wie zich van Hem verwijdert en verre van Hem geluk, heil of leven zoekt, die heeft slecht gerekend. Zijn licht is onzeker, zijn tred ongewis, de grond wankelt, zijn lamp wordt spoedig uitgeblust in duisternis.
4) In die oude tijden nam de man, behalve zijn vrouw of vrouwen, bijvrouwen uit de slavinnen (Hoofdstuk 22:24; 25:6; 10:3-13; 36:12). De kinderen uit deze werden gewoonlijk met geschenken weggezonden, in plaats van, als de wettige kinderen, een erfdeel te ontvangen; zij werden echter mede in de geslachtsregister opgenomen. De Mozaïsche wet heeft dit later niet door een afzonderlijk verbod op geheven, maar dit even als het andere, dat in de echtelijke stand tegen Gods ordening was; om de hardheid van het hart geduld. (Mattheus 19:8).
5) Een gewone Hebreeuwse spreekwijze voor ons "moeder worden." Uit overdreven geloofsijver wordt deze hartstochtelijke begeerte van Saraï geboren. Maar, omdat deze niet aan God werd onderworpen, zodat zij Zijn tijd afwachtte, verviel zij tot polygamie, welke niets anders is, dan een vernietiging van de heilige huwelijkse staat. Verder, daar Saraï, een zo heilige vrouw, tot hetzelfde ongeduld, waarvan zij zelf brandde, ook haar man prikkelde; laten wij hieruit leren, hoe wij hebben te waken, dat satan ons niet heimelijk en op bedrieglijke wijze in het verderf storte. Want hij gebruikt niet slechts de goddelozen en slechten, die met opzet ons geloof bestoken, maar opdat hij de onvoorzichtigen in zijn netten vange, valt hij ons heimelijk en tersluiks aan door de goeden en eenvoudigen, en voor die hinderlagen heeft men zich te meer te wachten, opdat hij ons van die zijde niet onverhoeds overvalle..
Wat Saraï ontbrak, was niet het geloof in de belofte des Heren, maar het juiste licht op de belofte en bovenal een wachten op des Heren tijd..
6) Abram's geloof wankelde, omdat hij op het woord Gods afgaande, op aandrijven van zijn vrouw, tot een middel de toevlucht nam, dat van Gods zijde verboden was, maar het fundament behield hij, omdat hij niet twijfelde of God zou zich eindelijk als de Waarachtige openbaren. Door dit voorbeeld leren wij, dat er geen reden is, waarom wij in onze zielen zouden twijfelen, wanneer satan ons geloof bestrijdt, de waarheid Gods niet in onze harten aan het wankelen wordt gebracht. Ondertussen, als wij zien, dat Abram, die jaren lang als een beeld van een onverwinnelijk atleet, sierlijk had geschitterd en zulke krachtige aanvallen had verduurd, nu in één ogenblik voor een beproeving bezwijkt, wie van ons heeft dan niet voor soortgelijk gevaar te vrezen?.