Genesis 16:1-3
Wij hebben hier het huwelijk van Abram met Hagar, die zijn ondergeschikte vrouw of bijwijf was. Hij kan hierin wel enigszins verontschuldigd, maar toch niet gerechtvaardigd worden, want van den beginne is het zo niet geweest, en toen het wèl zo was, schijnt het voortgekomen te zijn uit een overmatige begeerte om hun gezinnen te bouwen, ten einde de wereld en de kerk spoediger te bevolken. Zo moet het nu niet zijn. Christus heeft die zaak teruggebracht tot de oorspronkelijke instelling, en laat de huwelijksband slechts toe tussen één man en één vrouw.
I. Die nu dit huwelijk tot stand had gebracht (wie zou het kunnen denken?) was Sarai zelf. Zij zei tot Abram: Ga toch in tot mijn dienstmaagd, vers 2. Het is Satans listig beleid om de verzoeking tot ons te laten komen door onze naaste en dierbaarste bloedverwanten of door vrienden, voor wie wij genegenheid koesteren en grote achting hebben. De verzoeking is het gevaarlijkst, als zij ons gebracht wordt door een hand, van wie wij dit het minst verwachten, daarom zullen wij wijs handelen door acht te geven, niet zozeer op wie spreekt, als wel op wat gesproken wordt.
2. Gods geboden gaan veel meer met ons welzijn en onze eer te rade dan onze bedenksels er mee te rade gaan. Het zou veel meer in Sarai's belang zijn geweest, dat Abram zich aan Gods wet had gehouden, dan zich te laten leiden door haar dwaze plannen, maar wij handelen dikwijls in ons eigen nadeel.
II. De beweegreden was Sarai's onvruchtbaarheid.
1. Sarai baarde Abram geen kinderen. Zij was zeer schoon, Hoofdstuk 12:14. Zij was een aangename, plichtsgetrouwe huisvrouw, een deelgenote van haar man in zijn grote bezittingen, en toch kinderloos aangeschreven. God deelt Zijn gaven duidelijk uit, ons beladende met Zijn weldaden, maar er ons niet mee overladende, er wordt ons het een of andere kruis gezonden als tegenwicht van grote genietingen. De zegen van kinderen wordt dikwijls gegeven aan de armen en onthouden aan de rijken, gegeven aan de goddelozen en onthouden aan Godvruchtigen, hoewel de rijken hun het meest kunnen nalaten, en de Godvruchtigen het meest zorg zouden dragen voor hun opvoeding. God handelt hierin naar Zijn welgevallen.
2. Zij erkende Gods voorzienigheid in deze beproeving: De Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet zou baren. Zoals, waar kinderen zijn, God het is, die ze geeft, Hoofdstuk 33:5, zo is waar zij ontbreken, Hij het, die ze weert, Hoofdstuk 30:2. Dit kwaad is van de Heere. Het past ons dit te erkennen, opdat wij het dragen en er ons voordeel mee doen, als een beproeving die Hij om wijze en heilige doeleinden over ons laat komen.
3. Zij gebruikte dit als een beweegreden bij Abram om hem zijn dienstmaagd te doen huwen, en die beweegreden heeft hem overwonnen. Als ons hart al te veel haakt naar aards genot, dan zullen wij er licht toe overgaan om slinkse middelen te gebruiken ten einde het te verkrijgen, ongeregelde begeerten brengen gewoonlijk onregelmatige pogingen teweeg om ze te bevredigen, indien onze wensen niet onderworpen gehouden worden aan Gods voorzienigheid, dan zal ons werken en streven nauwelijks onder bedwang van Zijn geboden gehouden worden. Het is uit gebrek aan een vast betrouwen op Gods belofte en een geduldig verbeiden van Gods tijd, dat wij buiten de weg van onze plicht gaan om naar de verwachte zegen te grijpen, "wie gelooft, die zal niet haasten." 4. Abrams toestemming in Sarai's voorstel kwam, naar wij reden hebben te geloven, voort uit zijn vurig verlangen naar het beloofde Zaad waarop het verbond zou overgaan. God had hem gezegd, dat zijn erfgenaam een zoon zou wezen, die uit zijn lijf zou voortkomen, maar Hij had hem nog niet gezegd, dat het een zoon zou wezen bij Sarai. "Waarom dan niet Hagar," dacht hij, nu Sarai het zelf voorstelde? Snode verzoekingen kunnen onder een zeer schoon voorwendsel tot ons komen en zeer aannemelijk schijnen. Gelijk vleselijke wijsheid vooruitloopt op Gods tijd van genade, zo voert zij ons ook buiten Gods weg. Dit zou gelukkig voorkomen kunnen worden, als wij God om raad wilden vragen door Zijn woord en door het gebed, voor wij iets ondernemen dat van gewicht en verdacht is. Hierin is Abram tekort gekomen, hij huwde zonder Gods toestemming. Dit gevoelen was niet uit Hem, die hem riep.