Spreuken 30:10-14
1. Hier is een waarschuwing om andere dienstboden geen onrecht te doen, evenmin als aan onze eigene, en geen kwaad te stichten tussen hen en hun meesters, want dat is een slecht werk, en zal iemand gehaat maken, vers 10. Bedenk:
a. Dat het een onrecht is aan de dienstknecht, wiens toestand van armoede hem tot een voorwerp maakt van medelijden, en dus is het wreed om aan de beproefde nog beproeving toe te voegen. Schaad een dienstknecht niet met uw tong, zegt de kanttekening, want het toont een lage gemoedsaard om iemand in het verborgen te slaan met de gesel van de tong, inzonderheid een dienstknecht, die niet tegen ons opgewassen is, en die wij veeleer moesten beschermen als zijn meester te streng met hem is, dan die nog meer tegen hem op te zetten.
b. Dat het misschien uzelf schaden kan. Als een dienstknecht aldus geprikkeld wordt, tot toorn wordt verwekt, zal hij u misschien vloeken, u beschuldigen en u in moeilijkheid brengen, u een slecht woord toevoegen, uw goede naam schenden. Of hij kan zich tegen u op God beroepen, en Zijn toorn over u inroepen, die de beschermer is van de verdrukte onschuld.
2. Een bericht bij gelegenheid van deze waarschuwing van enige goddeloze geslachten van mensen, die terecht een gruwel zijn voor allen, die deugdzaam en vroom zijn.
A. Dezulken, die beledigend zijn voor hun ouders, hun scheldwoorden geven, hun kwaad toewensen en hen werkelijk benadelen. Er is een geslacht van de zodanigen, jongelieden van zo'n slecht karakter vergezellen zich meestal met elkaar, en hitsen elkaar op tegen hun ouders, het is een adderengebroedsel, zij vloeken of hun natuurlijke ouders, of hun magistraten, of hun leraren, omdat zij het juk niet willen dragen. En diegenen zijn na aan hen verwant, die, hoewel nog niet tot die laagheid gekomen om hun ouders te vloeken, hen echter niet zegenen, hun geen goed woord kunnen geven, niet voor hen willen bidden.
B Dezulken, die verwaand zijn, en onder een vertoon van heiligheid zeer veel heersende goddeloosheid verbergen voor anderen, en misschien ook voor zichzelf, vers 12. Zij zijn rein in hun eigen ogen, alsof zij in alle opzichten waren wat zij behoorden te zijn. Zij koesteren een zeer goede mening van zichzelf, van hun aard en karakter, zij zijn niet alleen rechtvaardig, maar rijk en verrijkt, Openbaring 3:17 terwijl zij toch niet gewassen zijn van hun drek, de vuilheid van hun hart, dat zij voorgeven hun beste deel te zien. Het kan wezen dat ze met bezemen gekeerd en versierd zijn, maar zij zijn niet gewassen, niet geheiligd, zoals de Farizeen, die van binnen vol van onreinheid waren, Mattheus 23:25, 26.
C. Dezulken, die hoogmoedig en minachtend zijn voor allen, die hen omringen, vers 13. Hij spreekt van hen met verbazing over hun ondraaglijke hoogmoed en onbeschaamdheid o, hoe hoog zijn hun ogen! Met welk een minachting zien zij neer op hun naasten, alsof deze niet waardig waren om bij de honden van hun kudde gesteld te worden. Op welk een afstand verwachten zij dat iedereen zich van hen houden zal, en als zij op zichzelf zien, hoe trots en snoevend treden zij daarhenen als de pauw, zich inbeeldende dat zij zich groot en doorluchtig maken, terwijl zij in werkelijkheid zich bespottelijk maken. Er is een geslacht van de zodanigen, op hetwelk Hij, die de hoogmoedigen wederstaat, verachting zal uitstorten. D. Dezulken, die wreed zijn voor de armen en voor allen die in hun macht zijn, vers 14. Hun tanden zijn van ijzer en staal, zwaarden en messen, werktuigen van wreedheid, waarmee zij met het grootste genoegen de ellendigen en nooddruftiger verteren, even gulzig als hongerige lieden hun spijzen snijden en opeten. God heeft het zo beschikt en verordineerd, dat de armen altijd met ons zijn, dat zij nimmer zullen ophouden uit het midden des lands maar er zijn van de zodanigen, die, omdat zij het haten hun te hulp te komen, hen van de aarde zouden willen verdelgen, inzonderheid Gods armen. Sommigen verstaan het van hen, die anderen wonden en in het verderf storten door lasteren valse beschuldigingen, en een ongunstig oordeel over hun eeuwige staat, hun tong, en ook hun tanden (die ook spraakorganen zijn). zijn als zwaarden en messen, Psalm 57:5.