Spreuken 26:2
1. Hier is de dwaasheid van de hartstocht, hij doet de mens vloeken uitstrooien zonder oorzaak, anderen kwaad toewensende op het blote vermoeden dat zij slecht zijn en kwaad gedaan hebben, als zij of zich vergissen in de persoon, of een misbegrip hebben van de zaak, of kwaad goed noemen, en goed kwaad. Geef eer aan een zot, en hij dondert zijn banvloeken uit tegen al wat hem mishaagt, terecht of ten onrechte. Voorname mannen, die goddeloos zijn, denken dat zij verlof hebben om allen, die hen omringen, in ontzag te houden door tegen hen te vloeken en te zweren, dat toch slechts de uitdrukking is van machteloze boosaardigheid en hun zwakheid aan de dag legt evenzeer als hun boosheid.
2. De veiligheid van de onschuld. Hem, die zonder oorzaak gevloekt wordt, hetzij door verwoede verwensing of door plechtige banvloeken zal die vloek evenmin kwaad doen, als de vogel die boven zijn hoofd vliegt, of als Goliath's vloeken David kwaad gedaan hebben, 1 Samuël 17:43. Hij zal wegvliegen als de mus of de wilde duif, die wegvliegen, niemand weet waarheen, tot zij weerkeren naar hun plaats, zoals de vloek ten laatste wederkeren zal op het hoofd van hem, die hem heeft uitgesproken.