Psalm 57:1-7
In het opschrift van deze psalm in vers 1, is een nieuw woord, al-tascheth, Verderf niet. Sommigen houden het slechts voor een bekende melodie, waarop deze psalm gezet was, anderen passen het toe op de gelegenheid en het onderwerp van de psalm, Verderf niet, dat is: David wilde niet dat Saul gedood zou worden, toen daar nu in de spelonk een goede gelegenheid voor was en zijn dienaren het gaarne gewild zouden hebben. Neen, zegt David, Verderf hem niet, 1 Samuël 24:6. Of liever. God wilde David niet laten verderven door Saul, Hij liet hem toe David te vervolgen, maar nog altijd onder beperking, verderf hem niet, zoals Hij Satan toegelaten heeft om Job te beproeven en te kwellen: doch verschoon zijn leven. David moet niet in het verderf worden gestort, want er is een zegen in hem, Jesaja 65:8, namelijk Christus, de beste van alle zegeningen. David zegt ons hier wat er in zijn hart omging toen hij in de spelonk in dreigend gevaar was, welke gedachten hij had van God, en zalig zij, die zulke goede gedachten in hun hart hebben als zij in gevaar zijn!
I. Hij ondersteunt zich door geloof en hoop in God, en gebed tot Hem, vers 2, 3. Zich omringd ziende van vijanden, ziet hij op tot God met dit zeer gepaste gebed: Wees mij genadig. o God, dat hij nog herhaalt, en het is geen ijdele herhaling, Wees mij genadig. Het was de bede van de tollenaar, Lukas 18:13. Het is te betreuren dat het op onachtzame wijze gebruikt wordt, en de mensen roepen: Heere wees ons genadig! als zij slechts hun verwondering of ergernis willen te kennen geven terwijl God en Zijn genade volstrekt niet in hun gedachten zijn. Het is met Godvruchtige aandoening, dat David hier bidt: Wees mij genadig, o God! Zie mij aan met ontferming en verlos mij door Uw liefde en mededogen." Om zich van de genade Gods aan te bevelen, belijdt hij hier
1. Dat al zijn vertrouwen op God is: Mijn ziel vertrouwt op U, vers 2. Hij beleed niet slechts op God te vertrouwen, maar zijn ziel heeft in werkelijkheid alleen op God gesteund, in oprechte overgave van zichzelf aan God en een algeheel welgevallen en voldoening in Hem. Hij gaat tot God, en aan de voetbank van de troon van Zijn genade belijdt hij nederig zijn vertrouwen op Hem, ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugelen, zoals de kuikens wegschuilen onder de vleugels van de hen als de roofvogels gereed zijn op ze aan te vliegen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
A. Hij was ervan overtuigd dat zijn rampen en wederwaardigheden een goed einde zouden nemen, te bestemder tijd zullen deze verdervingen voorbij zijn gegaan, de storm zal gaan liggen. Non si mate nutte et olim sic erit. Hoewel ik nu in benauwdheid ben, zal ik er niet altijd in wezen. Onze Heere Jezus heeft zich in Zijn lijden hiermede vertroost: de dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.
B. Hij was intussen zeer gerust onder de bescherming Gods.
a. Hij vertroostte zich met de goedheid van Gods aard, waardoor Hij geneigd is Zijn volk te steunen en te beschermen, zoals de hen uit instinct haar jongen beschut. God komt op de vleugelen van de wind Zijn volk te hulp, hetgeen een snelle redding aanduidt, Psalm 18:11, en Hij neemt hen onder Zijn vleugelen, hetgeen warmte en verkwikking aanduidt, zelfs als hun rampen wedervaren, zie Mattheus 23:37. b. Met de belofte van zijn woord en het verbond van Zijn genade, want het kan zien op de uitgebreide "vleugelen van de cherubim, tussen welke God gezegd wordt te wonen", Psalm 80:2, en vanwaar Hij Zijn orakelen gaf. Tot God, als de God van de genade, zal ik de toevlucht nemen, en Zijn belofte zal mijn toevlucht zijn, en zij zal mij veilig door al deze gevaren heenvoeren." Door Zijn belofte biedt God zich dikwijls aan ons aan om op Hem te vertrouwen, en door ons geloof moeten wij Hem aannemen en ons vertrouwen stellen in Hem.
2. Dat al zijn begeerte naar God is, vers 3. "Ik zal roepen tot God de Allerhoogste, om hulp en steun, tot Hem, die de allerhoogste is zal ik mijn ziel opheffen en ernstig bidden tot God, die het aan mij voleindigen zal." In alles wat ons wedervaart, moeten wij de hand Gods zien en erkennen, al wat geschiedt, geschiedt door Hem, Zijn raad wordt er in volvoerd en de Schrift vervuld. Al wat God doet met Zijn volk, zal in de uitkomst blijken voor hen gedaan te zijn en tot hun welzijn. Hoewel God hoog is, de Allerhoogste is, buigt Hij zich toch zo laag neer, dat Hij er voor zorgt dat alle dingen hun medewerken ten goede. Dit is een goede reden waarom wij in alle onze benauwdheden en moeilijkheden tot Hem zullen roepen niet slechts zullen bidden, maar vurig zullen bidden.
3. Dat al zijn verwachting van God is, vers 4. Hij zal van de hemel zenden en mij verlossen. Zij, die God tot hun enige toevlucht stellen, en door geloof en gebed de toevlucht tot Hem nemen, kunnen zich verzekerd houden van verlossing op Zijn tijd en Zijn wijze.
Merk hier op:
a. Vanwaar hij verlossing verwacht: van de hemel. Waarheen hij ook de blik richt op deze aarde, de toevlucht faalt, er is nergens hulp te zien, maar hij ziet er voor opvaar de hemel, zij, die hun hart opheffen tot de dingen die boven zijn, kunnen vandaar alle goed verwachten.
b. Waarin de verlossing bestaat, die hij verwacht, hij vertrouwt dat (Jod hem zal redden van de smaad desgenen, die hem zoekt op te slokken, vers 4, die het er op toelegde om hem te verderven, en intussen alles deed wat hij kon om hem te kwellen. Sommigen lezen het: Hij zal van de hemel zenden en mij verlossen, want hij heeft hem te schande gemaakt die mij zocht op te slokken, Hij heeft tot nu toe hun plannen tegen mij verijdeld, en daarom zal Hij mijn verlossing voltooien.
c. Waaraan hij zijn verlossing zal toeschrijven: God zal Zijn goedertierenheid en waarheid zenden. God is goed in zichzelf en getrouw aan ieder woord, dat Hij heeft gesproken, en dat doet Hij blijken als Hij de verlossing van Zijn volk werkt. Meer behoeven wij niet om ons gelukkig te maken, dan het voordeel te hebben van de goedertierenheid en waarheid Gods, Psalm 25:10.
II. Hij stelt de macht en de boosaardigheid van zijn vijanden in het licht, vers 5, Mijn ziel is in het midden van de leeuwen, zo woest en woedend waren Saul en die hem omringden tegen David, dat hij even veilig in een kuil van de leeuwen had kunnen wezen als onder zulke mensen, die hem voortdurend aanbrulden en gereed waren om hem tot hun prooi te maken. Zij zijn stokebranden, die vuur en vlam spuwen zij steken de loop van de natuur in brand, elkaar verbitterende tegen David, en "zijn zelf ontstoken van de hel," Jakobus 3:6. Zij waren mensenkinderen, van wie men iets van het verstand en het medelijden eens mensen had kunnen verwachten, maar zij waren roofdieren in de gedaante van mensen, hun tanden, die zij tegen hem knarsten en waarmee zij hoopten hem in stukken te scheuren en hem op te eten waren spiesen en pijlen, geschikt voor kwaad en moord, en hun tong, waarmee zij hem vloekten en zijn goede naam wondden, was "als een scherp zwaard om te snijden te doden", zie Psalm 42:11. Een boosaardige tong is een gevaarlijk wapen, waarmee satans handlangers strijden tegen Gods volk. Hij beschrijft hun boosaardige plannen tegen hem, vers 7, en toont wat er de uitkomst van is voor hen: Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, om mij er in te vangen, opdat ik niet weer uit hun handen zou ontkomen, zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven opdat ik er, eer ik het wist, in zou vallen." Zie het beleid van de vijanden van de kerk, zie de moeite, die zij zich geven om kwaad te doen. Maar laat ons zien wat er van komt.
1. Het geeft David werkelijk enige ontroering, mijn ziel was nedergedrukt. Het maakte hem neerslachtig, hij liet het hoofd hangen bij de gedachte dat er mensen waren, die hem zo'n haat toedroegen. Maar
2. Het was verwoestend voor hen zelf zij groeven een kuil voor David, en zij zelf zijn er midden in gevallen. Het kwaad, zij tegen hem beraamden, keerde terug op henzelf, en zij waren verward in hun raad. Toen Saul David vervolgde, vielen de Filistijnen in zijn land ja in de spelonk, in welke Saul dacht David in handen te krijgen, viel hij David in handen en bevond hij zich in zijn macht.
III. Hij bidt God om zich en Zijn grote naam te verheerlijken, vers 6. Wat er ook van mij worde, van mij en mijn belangen: verhef U boven de hemelen, o God, laat Uw naam geprezen worden door de heilige engelen, de heerlijke bewoners van de bovenwereld. Uw eer zij over de gehele aarde, laat al de inwoners van deze aarde er toe gebracht worden om U te kennen en te loven." Zo moet Gods eer ons nader aan het hart liggen en moeten wij daar meer bezorgd voor zijn dan voor enigerlei bijzonder belang van onszelf. Toen David in de grootste ellende en versmaadheid was, heeft hij niet gebeden: Heere, herleef, verhoog mij, maar, verhef Uw eer, verhef Uw naam. Zo heeft de Zone Davids, toen Zijn ziel ontroerd was en Hij gebeden heeft: Vader, verlos Mij uit deze ure, terstond die bede teruggenomen, en deze in de plaats ervan besteld: "Hierom ben Ik in deze ure gekomen, Vader, verheerlijk Uw naam," Johannes 12:27, 28. Of, het kan genomen worden als een pleitgrond om kracht bij te zetten aan zijn bede om verlossing: "Heere, zend van de hemel om mij te verlossen, en hierdoor zult Gij U verheerlijken als de God beide van hemel en van aarde." Onze beste aanmoediging in het gebed is ontleend aan de eer Gods, en daarop moeten wij dus het oog hebben meer dan op onze eigen vertroosting of verlichting in al onze gebeden om genade en zegeningen, want dit is ook de eerste bede in het gebed des Heeren, als hetgeen al de overige regelt en leidt: Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd.