Leviticus 4:22-26
Merk hier op:
1. Dat God de zonden van oversten opmerkt en dat zij Hem mishagen. Zij, die de macht hebben om anderen ter verantwoording te roepen, zijn zelf verantwoordelijk aan de Overste der oversten, want, hoe hoog zij ook zijn, er is een, die hoger is dan zij. Dit wordt te kennen gegeven door dat hier alleen van het gebod, waartegen gezondigd is, gezegd wordt, dat het een gebod is van de Heer zijn God, vers 22. Hij is een vorst voor anderen, maar hij wete dat de Heer een God voor hem is.
2. De zonde van de overste, die hij door afdwaling gedaan heeft, dus door onwetendheid, wordt verondersteld later tot zijn kennis gekomen te zijn, vers 23 hetgeen òf door de beschuldiging van zijn eigen consciëntie geschied is, òf door de bestraffing van zijn vrienden, en allen, zelfs de besten en grootsten, behoren wij ons aan die beiden te onderwerpen niet alleen, maar er ook dankbaar voor te zijn. Wij moeten zeer begerig zijn om te weten te komen of wij iets verkeerds gedaan hebben. Leer mij hetgeen ik niet zie, en toon mij waarin ik gedwaald heb, is een gebed, dat wij dagelijks tot God behoren op te zenden, opdat wij, hoewel wij door onwetendheid in zonde vallen, er niet door onwetendheid in blijven liggen.
3. Het zondoffer voor een overste moest bestaan in een geitenbok, een volkomen mannetje niet, zoals voor de priester en de gehele vergadering, in een var, ook moest het bloed van zijn zondoffer niet, zoals van de twee anderen, in de tabernakel gebracht worden maar het moest op de hoornen van het koperen altaar gedaan worden, en het overige aan de voet van dit altaar worden uitgestort, vers 25. Ook moest het vlees er van niet, zoals van de twee anderen, buiten het leger verbrand worden, hetgeen te kennen gaf dat de zonde van een overste, hoewel erger dan die van een particulier persoon, toch niet zo hoog misdadig was, of zo verderflijke gevolgen had als de zonde van de hogepriester of van de gehele vergadering. Een geitebok volstond om voor een overste geofferd te worden, maar voor een stam werd een var vereist, om aan te duiden dat de overste, hoewel "major singulis-groter dan ieder," toch "minor universis-minder dan het geheel" was. Het is slecht als grote, voorname mannen een kwaad voorbeeld geven, maar erger als alle mensen hen navolgen.
4. Er is beloofd, dat de verzoening zal worden aangenomen en de zonde vergeven, vers 26, te weten: als hij berouw heeft en zich verbetert, want anders heeft God gezworen betreffende Eli een richter in Israël, dat de ongerechtigheid van het huis van Eli tot in der eeuwigheid niet zal verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer, 1 Samuël 3:14.