1. Zoals ik nader (
Vers 3vv.) uiteen zal zetten, werkt de eed, door het Joodse volk gehoord (
hoofdstuk 3:18v.), ten gevolge van het volhardend ongeloof nog voort en de rust door God aan hen beloofd (
Handelingen 3:20 Daniël 7:22,
27) is nog geenszins gekomen, maar pas in de toekomst te verwachten. Laat ons dan vrezen, 1) er bezorgd voor zijn dat niemand van u, terwijl de belofte van in Zijn rust in te gaan nog niet is vervuld, verwaarloosd is door het verlaten van de overste Leidsman tot de zaligheid die ons tot de vervulling leidt, de indruk zou wekken achtergebleven te zijn. 2)
1) Laat ons dan vrezen. Niet met een vrees van toorn en verdoemenis, noch met een vrees van wantrouw van de goddelijke macht, genade en goedheid, maar met een vrees van voorzichtigheid en waakzaamheid. Vrees is die aandoening van de ziel, waardoor zij ontvlucht en vermijdt wat schadelijk is voor haar en hier betekent zij een deugdelijke kinderlijke zorg en bekommering om niet Gods beloften te versmaden en de hemel mis te lopen, een vrees voortkomend uit geloof (Filippenzen 2:12).
2) Is aan de ene kant het nieuwe, door Christus gestichte verbond een vervulling van de in het Oude Verbond gegeven beloften, toch moet ook aan de andere kant het volk van God van het Nieuwe Testament nog een groot deel van deze vervulling in de toekomst verwachten. De nog onvervulde profetieën gaan ook de christenen aan en vormen nu het fundament van de christelijke hoop. Tot deze beloften behoort in het bijzonder die, die aan de Israëlieten reeds in de woestijn is gegeven, maar aan hen nog onvervuld gebleven is, namelijk van het ingaan in de rust van God. Nog heeft deze belofte haar volle kracht, nog moet men haar vervulling tegemoet zien; zij is nu voor de christenen de hoogste heilsbelofte, die hun haar laatste zalige doel doet tegemoet zien, evenals zij dat in vroegere tijden voor het verbondsvolk van het Oude Testament is geweest. Bij de stichting van het Oude en bij die van het Nieuwe Verbond had God namelijk één en hetzelfde doel voor ogen. Hij toonde reeds in de woestijn de Israëliet dit doel, waartoe Hij Zijn volk wilde leiden, omdat het met hen opgerichte Oude Verbond de bestemming had een Nieuw Verbond voor te bereiden. Maar daarom was toch de belofte van een ingaan in de rust van God er niet werkelijk een die het oudtestamentische verbondsvolk als zodanig aanging; het lag vanaf het begin niet in de bedoeling van God deze belofte aan het verbondsvolk nog in de tijd van het Oude Verbond te vervullen; en zo was dan ook het in bezit nemen van het heilige land, waarin na de lange en moeilijke tocht door de woestijn, het ingaan in de rust van God enigszins verwezenlijkt werd, vanaf het begin onder het kleed van het aardse en uiterlijke, de kern van een hogere, geestelijke zin verborgen.
De uiterlijke vervulling van de belofte door het ingaan in het heerlijk Kanaän na een lange vreemdelingschap en een moeilijk omzwerven, was zelf zo onvolkomen dat zij in de harten van alle gelovigen de vraag met kracht deed oprijzen wat de eigenlijk bedoelde rust mocht zijn.