Psalm 91:9-16
Hier zijn nog meer beloften van dezelfde strekking als die in de vorige verzen, en zij zijn zeer groot en dierbaar, en vast al de zede.
I. Uit zijn eigen ervaring verzekert de psalmist Goddelijke bescherming aan alle gelovigen, en wat hij zegt is het woord van God, is hetgeen waarop wij kunnen steunen en bebouwen.
Merk op:
1. De aard van hen, die het voordeel en de vertroosting zullen hebben van deze beloften, hij is tamelijk gelijk aan die in vers 1. Het zijn de zodanigen, die de Allerhoogste tot hun vertrek, hun woning hebben gesteld, vers 9, die voortdurend bij God zijn, in Hem rusten, Zijn naam beide tot hun tempel en tot hun hoog vertrek, hun vesting, maken, die wonen in liefde en dus wonen in God. Het is onze plicht om tehuis te zijn in God, Hem te verkiezen en dan ons leven te leiden in Hem als onze Woning met Hem te spreken, ons in Hem te verlustigen op Hem te getrouwen, en dan zal het ons voorrecht wezen in God tehuis te zijn. Wij zullen Hem welkom wezen, zoals een man welkom is in zijn eigen woning, zonder enige verhindering, beletsel of overlast, wij zullen dan ook veilig in Hem wezen, in allerlei vrede bewaard worden, Jesaja 26:3. Ten einde ons aan te moedigen om de Heere tot onze toevlucht te stellen en te hopen op veiligheid en voldoening in Hem wijst de psalmist op de vertroosting, die hij gesmaakt heeft door dit te doen: "Hij die gij tot uw vertrek hebt gesteld, is mijn toevlucht en ik heb Hem sterk en getrouw bevonden, en in Hem is plaats genoeg en beschutting genoeg voor u en voor mij." "In het huis mijn Vaders zijn vele woningen," wij behoeven er elkaar niet te verdringen, en nog minder elkaar naar buiten te dringen.
2. De beloften, die vast zijn voor allen, die aldus de Allerhoogste lot hun vertrek hebben gesteld.
A. Dat, wat er ook met hen zal gebeuren niets hen zal schaden, vers 10. "U zal geen kwaad wedervaren, als is het ook dat u moeite en verdriet wedervaren, zal er toch geen werkelijk kwaad in zijn, want zij zullen komen van de liefde Gods, en zullen geheiligd zijn, zij zullen komen, niet tot uw schade of nadeel maar tot uw welzijn, en hoewel zij voor het tegenwoordige geen zaak van vreugde, maar van droefheid zijn, zullen zij in het einde toch zo'n vreedzame vrucht van de gerechtigheid van zich geven, dat gij zelf zult erkennen dat u geen kwaad wedervaren is. Het is geen kwaad, niet enkel kwaad, er is een mengsel van goed in, en het brengt goed teweeg. Ja niet alleen uw persoon, maar ook uw tent, uw woning, zal onder de Goddelijke bescherming worden genomen, geen plage zal uw tent naderen, niets om aan u of de uw schade toe te brengen." "Nihil accidere bono viro mali potest. Een goed man kan geen kwaad overkomen."
B. Dat de engelen des lichts hun dienstbaar zullen zijn, vers 11, 12. Dit is een dierbare, kostelijke belofte, en spreekt zeer veel eer en troost tot de heiligen, noch is zij er ooit te slechter om, wijl zij aangehaald en misbruikt werd door de duivel in zijn verzoeking van Christus, Mattheus 4:6.
Merk op:
a. De last die aan de engelen betreffende de heiligen gegeven is. Hij, die de Heere is van de engelen, die hun het aanzijn heeft gegeven en hun wetten geeft, wiens zij zijn en wie zij dienen. Hij zal Zijn engelen van u bevelen, niet slechts van de kerk in het algemeen maar van iedere afzonderlijke gelovige. De engelen nemen de wacht des Heeren huns Gods waar, en dit is de last, de opdracht, die zij van Hem ontvangen. Het geeft de grote zorg te kennen, die God heeft over de heiligen, dat de engelen zelf tot hun dienst gebruikt worden. De last, de opdracht, luidt, dat zij u bewaren in al uw wegen. Hier is een beperking van de belofte. Zij zullen u bewaren in uw wegen, dat is: zolang als gij u houdt op de weg van uw plicht. Zij, die buiten de weg gaan, stellen zich buiten Gods bescherming. Dit woord heeft de duivel weggelaten, toen hij de belofte heeft aangehaald tot versterking van zijn verzoeking wetende hoezeer het in zijn nadeel was. Doch let nu op de uitgestrektheid van de belofte, het is: u te bewaren in al uw wegen, zelfs daar, waar geen blijkbaar gevaar is, hebben wij toch bewaring van node, en waar het gevaar het dreigendst, het meest nabij is, zullen wij haar hebben. Overal waar de heiligen heengaan, is de engelen opgedragen hen te behoeden, zoals kinderen aan de zorg van dienstboden worden toevertrouwd.
b. De zorg, die de engelen hebben voor de heiligen ingevolge die last. Zij zullen u op de handen dragen, hetgeen beide hun grote bekwaamheid en hun grote liefde aanduidt. Zij zijn instaat om de heiligen op te heffen buiten het bereik van gevaar, en zij doen het met al de tederheid en liefde waarmee de voedster het kindeke in haar armen draagt, er spreekt onze hulpeloosheid en hun hulpvaardigheid uit. Zij zijn nederbuigend in hun dienen, zij bewaren de voeten van de heiligen opdat zij die aan geen steen stoten, opdat zij niet struikelen en in zonde vallen en alzo in ellende komen.
c. Dat zij over de machten van de duisternis zullen zegevieren, vers 13. Op de fellen leeuw en de adder zult gij treden. De duivel wordt een briesende leeuw genoemd, de oude slang, de rode draak, zodat de apostel naar die belofte schijnt te verwijzen als hij zegt: "de God des Redes zal de Satan haast onder uw voeten verpletteren," Romeinen 16:20. Christus heeft de kop van de slang vermorzeld, onze geestelijke vijanden uitgetogen, Coloss. 2:15, en door Hem zijn wij "meer dan overwinnaars," want Christus roept ons, zoals Jozua de oversten des krijgsvolks van Israël riep om hun voeten op de halzen van de koningen te zetten, om onze voeten op de halzen van onze overwonnen vijanden te zetten. Sommigen denken dat deze belofte haar volkomen vervulling erlangd heeft in Christus en de wonderdadige macht, die Hij gehad heeft over geheel de schepping, genezende de kranken, duivelen uitwerpende, en inzonderheid dat Hij het in de opdracht aan Zijn discipelen gezet heeft, dat "zij slangen zullen opnemen," Markus 16:18 Het kan toegepast worden op de zorg van de Goddelijke voorzienigheid, door welke wij behoed worden tegen verslindende schadelijke dieren "het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn" Job 5:23, ja, en dat wij wegen en middelen hebben om ze te temmen, Jakobus 3:7.
II. Hij voert God zelf in, sprekende woorden van vertroosting tot de heiligen, en de goedertierenheden verkondigende, die Hij voor hen heeft weggelegd, vers 14-16. Sommigen houden het ervoor, dat dit gezegd is tot de engelen, als de reden van de opdracht, die hun is gegeven betreffende de heiligen, alsof Hij gezegd had: Draagt zorg voor hen, want zij zijn Mij dierbaar. En nu moeten wij, evenals tevoren, opmerken:
1. Aan wie deze beloften toekomen. Zij worden aangeduid door drieerlei aard.
a. Het zijn de zodanigen, die Gods naam kennen. Zijn aard, Zijn wezen, kunnen wij niet ten volle kennen, maar door Zijn naam heeft Hij zich bekend gemaakt, en daarmee moeten wij bekend worden. b. Het zijn de zodanigen, die Hem hun liefde gegeven hebben, en zij, die Hem recht kennen, zullen Hem liefhebben, zullen hun liefde voor Hem uitspreken met genot en verruiming des harten, Hem hun liefde wilden geven met het vaste besluit haar nooit aan een mededinger te geven.
c. Het zijn de zodanigen, die Hem aanroepen, die door het gebed gemeenschap met Hem onderhouden, en zich in elke moeilijkheid tot Hem wenden.
2. Wat de beloften zijn, die God doet aan de heiligen.
A. Dat Hij hen ter bestemder tijd verlossen zal uit benauwdheid. Ik zal hem uithelpen, vers 14, en wederom in vers 15, een dubbele verlossing te kennen gevende, levende en stervende, een verlossing in benauwdheid en een verlossing uit benauwdheid. Indien God de mate en de duur van onze ellende in evenredigheid doet zijn met onze kracht, indien Hij er ons voor bewaart om in onze benauwdheid tegen Hem te overtreden, en onze dood onze ontheffing maakt van al onze moeite en lijden dan is deze belofte vervuld. Zie Psalm 34:20-2 Timotheus 3:11, 4:18.
B. Dat Hij intussen in de benauwdheid bij hen zal zijn, vers 15. Indien Hij niet terstond een einde maakt aan hun beproevingen, zal Hij toch in hun benauwdheid genadiglijk met hen zijn, Hij zal kennis nemen van hun smart en hun ziel kennen in benauwdheden, Hij zal hen genadiglijk bezoeken door Zijn woord en Geest, en tot hen spreken, Hij zal hun partij nemen, hen ondersteunen en vertroosten, hun beproevingen aan hen heiligen, hetgeen het zekerste teken zal wezen dat Hij in hun benauwdheid bij hen is.
C. Dat Hij hierin hun gebeden zal verhoren: hij zal Mij aanroepen, Ik zal de geest des gebeds over hem uitstorten, en dan zal Ik hem verhoren, hem verhoren door beloften, Psalm 85:9, verhoren door leidingen Mijner voorzienigheid, tijdige hulp aanbrengende, en verhoren door genadegaven, hen "versterkende met kracht in hun ziel," Psalm 138:3. Aldus heeft Hij Paulus verhoord met "genade, die hem genoeg was", 2 Corinthiers 12:9.
D. Dat Hij hen zal verhogen en eren. Ik zal hem op een hoogte stellen, buiten het bereik van moeite en ellende, boven het stormachtige gebied, en op een rots, boven de golven en baren, Jesaja 33:16. Door de genade Gods zullen zij instaat gesteld worden om met heilige minachting en onverschilligheid op de dingen van deze wereld neer te zien, en naar de dingen van de andere wereld op te zien met een heilige eerzucht en belangstelling en dan zijn zij op een hoogte gesteld. Ik zal hem verheerlijken, diegenen zijn waarlijk achtbaar, die door God geëerd worden door hen in verbond en gemeenschap met Hem op te nemen en hen te bestemmen voor Zijn koninkrijk en heerlijkheid, Johannes 12:26.
E. Dat zij een genoegzaamheid van leven zullen hebben in deze wereld. vers 16. Ik zal hem met langheid van de dagen verzadigen.
a. Zij zullen lang genoeg leven, zij zullen in deze wereld blijven totdat zij het werk volbracht hebben, waartoe zij gezonden waren, en bereid zijn voor de hemel, en dat is lang genoeg. Wie zou wensen een dag langer te leven dan God enigerlei werk te doen heeft, dat hetzij door hem of aan hem gedaan moet worden? b. Zij zullen vinden dat het lang genoeg is, want God zal door Zijn genade hen spenen van de wereld en hen gewillig maken om haar te verlaten. Een mens kan jong sterven en toch vol zijn van dagen, "sater dierum, zat van te leven." Een goddeloos, wereldsgezind man is niet verzadigd, niet tevreden, neen, zelfs niet met een lang leven, nog roept hij: Geef, geef, maar hij, die zijn schat en zijn hart in een andere wereld heeft, heeft spoedig genoeg van deze, hij zou niet altijd willen leven.
F. Dat zij een eeuwig leven zullen hebben in de andere wereld, dit kroont de zegen: Ik zal hem Mijn heil doen zien, hem de Messias doen zien aldus sommigen. De vrome, oude Simeon was voldaan met zijn lang leven toen hij zeggen kon: "Mijne ogen hebben Uwe zaligheid gezien." Er was voor de Oud-Testamentische heiligen geen groter vreugde, dan om de dag van Christus te zien, al was het ook in de verte. Het is meer waarschijnlijk, dat het woord betrekking heeft op het betere land, dat is het hemelse, dat de aartsvaders begeerd en waarnaar zij uitgezien hebben, dat zal Hij hun doen zien, hen brengen in die zalige staat, de zaligheid die zozeer bestaat in datgene van aangezicht tot aangezicht te zien, dat wij hier slechts door een spiegel zien in een duistere rede, en intussen zal Hij hun er het vooruitzicht op geven. Sommigen denken dat al deze beloften in de eerste plaats zien op Christus, en in Zijn opstanding en verhoging haar vervulling gehad hebben.