Psalm 8:4-10
David gaat hier voort met de eer Gods groot te maken door de eer te vermelden, die Hij op de mens gelegd heeft, inzonderheid op de mens Christus Jezus. Gods nederbuigende goedheid en genade eisen evenzeer onze lof als de verhevenheid van Gods heerlijkheid. Met bewondering en dankbaarheid merkt de psalmist op hoe God zich in gunst tot de mens heeft nedergebogen en beveelt dit ons aan ter overpeinzing. Zie hier:
I. Wat het is dat Hem er toe leidt om de nederbuigende gunst van God jegens de mens te bewonderen, het is zijn beschouwing van de glans en de invloed van de hemellichamen, vers 4 :als ik Uw hemel aanzie, en daar inzonderheid de maan en de sterren. Maar weerom neemt hij geen nota van de zon, die ze allen toch ver overtreft? Waarschijnlijk omdat het op een nachtwandeling was bij maanlicht dat hij zich bezighield met deze overdenking, toen de zon niet zichtbaar was maar alleen de maan en de sterren, die hoewel zij niet zo nuttig en voordelig zijn voor de mens als de zon, toch niet minder bewijzen zijn van de wijsheid, macht en goedheid van de Schepper.
Merk op:
1. Het is onze plicht de hemel te beschouwen. Wij zien hem, wij moeten hem wel zien, wij kunnen niet anders dan hem zien, hierdoor onder andere is de mens onderscheiden van de dieren dat, terwijl deze zo geformeerd zijn dat zij nederwaarts zien naar de aarde, de mensen rechtop gemaakt is om naar de hemel te kunnen zien, opdat hij aldus geleid zou worden om de dingen te bedenken die boven zijn, want hetgeen wij zien heeft de rechte invloed niet op ons, tenzij wij het beschouwen en overdenken.
2. Wij moeten de hemel altijd beschouwen als Gods hemel, niet alleen zoals geheel de wereld Zijn is, zelfs de aarde en haar volheid maar in een meer bijzondere zin. Aangaande de hemel, de hemel is des Heeren, Psalm 115:16, het is de plaats van de woning van Zijn heerlijkheid, en ons wordt geleerd Hem onze Vader in de hemel te noemen.
3. De hemel is Zijne, omdat hij het werk is van Zijn vingeren, Hij heeft hem gemaakt, Hij heeft hem gemakkelijk, zonder enige moeite, gemaakt, om de hemel uit te spreiden was geen uitgestrekte arm nodig, het geschiedde door een woord, Hij heeft hem zeer fraai en kunstig gemaakt als een keurig stuk werk, dat een kunstenaar maakt met zijn vingers.
4. Zelfs de kleinere lichten, de maan en de sterren, tonen de macht en de heerlijkheid van de Vader van de lichten en voorzien ons van stof om Hem te loven.
5. De hemellichamen zijn niet slechts de schepselen van de Goddelijke macht, zij zijn ook onderworpen aan de Goddelijke regering. God heeft ze niet slechts gemaakt, maar ze verordend, vers 4 en de ordeningen des hemels kunnen nooit veranderd worden. Maar hoe wordt dit nu hier te pas gebracht om Gods gunst jegens de mens te verheerlijken?
a. Als wij de heerlijkheid van God zien schitteren in de bovenwereld, dan kunnen wij er ons wel over verwonderen dat Hij kennis neemt van zo'n gering schepsel als de mens is, dat Hij, die in dat glansrijke, gezegende deel van de wereld woont en het regeert, zich vernedert om de dingen te beschouwen, die op de aarde gedaan worden, zie Psalm 113:5, 6.
b. Als wij bedenken van hoe groot nut de hemel is voor de mensen op aarde, en hoe de lichten des hemels "aan alle volken zijn uitgedeeld," Deuteronomium 4:I9, Genesis 1:15, dan kunnen wij wel zeggen: "Heere, wat is de mens, dat Gij de ordeningen des hemels stelt met het oog op hem en hetgeen nuttig voor hem is, en dat bij het maken van de lichten des hemels en het besturen en leiden van hun bewegingen zozeer te rade is gegaan met zijn gemak en genoegen!"
II. Hoe hij deze bewondering uitdrukt, vers 5. "Heere, wat is de mens! "Enosh" de zondige, zwakke, ellendige mens, een schepsel, dat U zo vergeet, zijn plicht jegens U zo vergeet dat Gij hem aldus gedenkt, dat Gij kennis van hem neemt, van hem en van zijn daden en aangelegenheden, dat Gij bij het maken van de wereld hem in aanmerking hebt genomen! Wat is de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt, dat Gij hem niet alleen spijzigt zoals andere schepselen, maar hem bezoekt en U aan hem gelegen laat liggen? Wat is de mens zo'n gering schepsel dat hij aldus geëerd wordt, zo'n zondig schepsel dat hij aldus gesteund en begunstigd wordt!" Dit nu verwijst:
1. Naar het mensdom in het algemeen. Hoewel de mens een made is, en des mensen kind een worm, Job 25:6, doet God hem toch eer aan en toont hem zeer groots vriendelijkheid. De mens is boven alle schepselen in deze lagere wereld, de gunstgenoot en lieveling van de voorzienigheid, want:
A. Hij behoort tot een zeer eervolle rang van wezens. Wij kunnen er zeker van zijn, dat hij de voorrang heeft boven al de bewoners van deze lagere wereld, want hij is slechts een weinig minder gemaakt dan de engelen, vers 6, minder voorzeker, want door zijn lichaam is hij verwant aan de aarde en aan de beesten, die vergaan, maar door zijn ziel, die geestelijk en onsterfelijk is, is hij zo na verwant aan de heilige engelen, dat hij in waarheid gezegd kan zijn, slechts een weinig minder te zijn dan zij en naar rang volgt hij op hen. Hij is slechts voor een kleine wijle minder dan de engelen terwijl zijn grote ziel opgesloten is in een lemen huis, maar de kinderen van de opstanding zullen "isaggeloi engelen," de engelen gelijk zijn, Lukas 20:36, en niet langer minder zijn dan zij.
B. Hij is begaafd met edele vermogens en hoedanigheden. Gij hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond. Hij, die hem het aanzijn gaf, heeft hem onderscheiden, en hem geschikt en bevoegd gemaakt om heerschappij te hebben over de mindere schepselen, "want hem geleerder gemaakt hebbende dan de beesten van de aarde, en wijzer dan het gevogelte des hemels," Job 35:11, heeft Hij hem geschikt gemaakt om hen te regeren, en het voegt dat zij door hem geregeerd worden. Des mensen verstand is zijn erekroon, laat hem die kroon niet ontwijden door haar te misbruiken, noch haar verbeuren door er in tegenspraak mee te handelen.
C. Hij is bekleed met een soevereine heerschappij over de mindere schepselen, onder God, en is tot hun heer gesteld. Hij, die ze gemaakt heeft en ze kent, en wiens eigendom zij zijn heeft de mens over hen doen heersen, vers 7. De handvest, die hem dit koningschap verleent, draagt dezelfde datum als zijn schepping, Genesis 1:28, en zij werd vernieuwd na de zondvloed, Genesis 9:2. God heeft alles onder de voeten gezet van de mens, opdat hij zich zou bedienen niet slechts van de arbeid, maar ook van de voortbrengselen en het leven van de mindere schepselen, zij zijn allen in zijn hand gegeven, ja zij zijn allen onder zijn voeten gezet. Hij noemt enige van deze mindere schepselen, vers 8, 9, niet alleen schapen en ossen, voor welke de mens zorgt en voorziet, maar ook de dieren van het veld, zowel als die van de vloed, ja en ook de schepselen, die op de grootste afstand zijn van de mens, zoals het gevogelte van de lucht en de vissen van de zee die in een ander element leven en ongezien de paden van de zeeën doorwandelen. De mens bezit de kunst om die te vangen, hoewel vele ervan veel sterker en vele andere ervan veel vlugger zijn dan hij, is hij hun toch op de een of andere wijze te sterk, Jakobus 3:7. "Alle natuur beide van de wilde dieren en van de vogelen, beide van de kruipende en van de zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur, " hij heeft ook de vrijheid om ze te gebruiken naardat hij ze nodig heeft. Sta op, Petrus, slacht en eet, Handelingen 10:13. Telkenmale als wij het vlees van vissen of vogels nuttigen, realiseren wij ons deze heerschappij, die de mens heeft over de werken van Gods handen, en het is een reden voor onze onderwerping aan God onze Opperheer, en aan Zijn heerschappij over ons.
2. Maar dit ziet zeer bijzonder op Jezus Christus. Ons wordt geleerd dit toe te passen op Christus, Hebreeën 2:6-8, waar de apostel, om Christus' soevereine heerschappij in hemel en op aarde te bewijzen, aantoont dat Hij die mens, die zoon des mensen is, van wie hier gesproken wordt, die God met eer en heerlijkheid heeft gekroond en doen heersen over de werken Zijner handen. En het is zeker, dat de grootste gunst, die ooit aan het menselijke geslacht is bewezen, en de grootste eer, die ooit van de menselijke natuur werd aangedaan, gebleken is in de vleeswording en verhoging van de Heere Jezus Deze overtreffen zeer verre de gunst en de eer, die ons gegeven werden door de schepping en de voorzienigheid, hoewel ook die groot zijn en veel meer dan wij verdienen.
Wij hebben reden om ons met ootmoed daarnaar te schatten, en de genade Gods er in dankbaar te erkennen:
A. Dat Jezus Christus de menselijke natuur heeft aangenomen, en in die natuur zichzelf vernederd heeft. Hij is de Zoon des mensen geworden, vlees en bloed deelachtig geworden, en als zodanig heeft God Hem bezocht, hetgeen sommigen toepassen op Zijn lijden voor ons, want er is gezegd, Hebreeën 2:9, "vanwege het lijden des doods," een bezoeking in toorn "was Hij met eer en heerlijkheid gekroond." God heeft Hem bezocht, ons aller ongerechtigheid op Hem hebbende doen aanlopen, heeft Hij er met Hem voor afgerekend, Hem bezocht met een roede en met striemen, opdat door Zijn striemen ons genezing zou geworden. Hij was "voor een weinig tijds" (aldus verklaart het de apostel) minder gemaakt dan de engelen, toen Hij de gestalte eens dienstknechts heeft aangenomen en zichzelf vernietigd heeft.
B. Dat Hij in die natuur verhoogd is tot een Heere over allen. God de Vader treeft Hem verhoogd, omdat Hij zichzelf vernederd heeft, heeft Hem met eer en heerlijkheid gekroond met de heerlijkheid, die Hij bij Hem had voor de grondlegging van de wereld, Hem aan Zijn rechterhand gesteld, en Hem gesteld niet alleen tot Hoofd van de gemeente, maar tot Hoofd boven alle dingen in de gemeente, heeft alle dingen in Zijn handen overgegeven, Hem het beheer opgedragen van het rijk van de voorzienigheid in samenvoeging met en onderworpenheid aan het rijk van de genade. Alle schepselen zijn onder Zijn voeten gezet, en zelfs in de dagen Zijns vleses heeft Hij enige proeven gegeven van Zijn macht over hen, zoals toen Hij de winden en de zeeën gebood, en een vis aanwees om Zijn schatting te betalen. Met goede reden eindigt daarom de psalmist zoals hij is begonnen, o Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw naam op de gehele aarde! die geëerd werd met de tegenwoordigheid van de Verlosser, en nog verlicht is door Zijn Evangelie, en geregeerd wordt door Zijn wijsheid en macht! Als wij dit zingen en biddend overdenken, moeten wij wel niet vergeten om dankbaar Gods algemene gunsten jegens het mensdom te erkennen in de dienstbaarheid en nuttigheid van de mindere schepselen voor ons maar ons toch zeer bijzonder er toe opwekken om eer te geven aan de Heere Jezus, door te belijden dat Hij de Heere is, ons onderwerpende aan Hem als onze Heere en wachtende totdat wij Hem alle dingen onderworpen zien, en al Zijn vijanden tot een voetbank van Zijn voeten zien gesteld.