Johannes 8:31-37
In deze verzen hebben wij:
I. Een troostrijke leerstelling betreffende de geestelijke vrijheid van Christus' discipelen ter bemoediging van die Joden, welke geloofden. Wetende dat Zijne leer op sommigen Zijner hoorders werking begon te oefenen, en bespeurende dat er kracht van Hem was uitgegaan, wendde Christus zich in Zijne rede af van de trotse Farizeeën, en richtte zich tot deze zwakke gelovigen. Na toorn te hebben aangekondigd over hen, die verhard waren in ongeloof, sprak Hij van vertroosting tot de zwakke Joden, die in Hem geloofden. Zie hier:
1. Hoe genadig de Heere Jezus hen aanziet, die beven voor Zijn woord en bereid zijn het aan te nemen. Hij heeft iets te zeggen tot hen, die oren hebben om te horen, en Hij zal hen niet voorbijgaan, die zich op Zijn weg stellen, zonder tot hen te spreken.
2. Met hoeveel zorg Hij het begin der genade kweekt en koestert, en hen tegemoet gaat, die zich tot Hem begeven. Deze Joden, die geloofden, waren slechts zwak, maar Christus heeft hen daarom niet verstoten of afgewezen, want Hij vergadert de lammeren in Zijne armen. Als het geloof nog in zijne kindsheid is, heeft Hij knieën om het te ondersteunen, voedt Hij het als met moedermelk, opdat het niet terstond na de geboorte zal sterven. In hetgeen Hij tot hen zei, hebben wij twee dingen, die Hij zegt tot allen, die te eniger tijd in Hem zullen geloven:
a. Wat de aard is van een waren discipel van Christus: Indien gijlieden in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijne discipelen. Toen zij in Hem geloofden als den groten profeet, hebben zij zich er toe gesteld om Zijne discipelen te zijn. Bij hun intrede nu in Zijne school, heeft Hij als regel vastgesteld, dat Hij niemand als Zijne discipelen zal erkennen, dan hen, die in Zijn woord zullen blijven. Hierin ligt opgesloten, dat er velen zijn, die belijden discipelen van Christus te wezen, die niet waarlijk Zijne discipelen zijn, maar het slechts zijn in naam. Het is van het grootste belang voor hen, die niet sterk zijn in het geloof, wèl toe te zien, dat zij gezond zijn in het geloof, zodat zij, hoewel gene discipelen van de hoogste klasse in de school van Christus, toch waarlijk Zijne discipelen zijn Zij, die Christus' discipelen willen wezen, moeten weten-het moet hun gezegd worden- dat zij beter doen met niet tot Hem te komen, tenzij dan met het vaste besluit om door Gods genade bij Hem te blijven. Laat hen, die er aan denken om met Christus in verbond te komen, er niet aan denken om zich de macht tot herroepen voor te behouden. Kinderen worden naar school gezonden, en jonge lieden in de leer gedaan voor het een of ander beroep, slechts voor enige jaren, maar zij alleen zijn Christus' eigen, die bereid zijn om levenslang aan Hem verbonden te wezen. Alleen zij, die blijven in Christus' woord, zullen aangenomen worden als waarlijk Zijne discipelen te zijn, die altijd en in alles zonder partijdigheid Zijn woord aanhangen, en er, zonder er van af te vallen, bij blijven. Het is menein -te blijven in Christus' woord, zoals een mens in zijn huis blijft, waar hij zijn middelpunt vindt, zijne rust en zijne toevlucht. Wij moeten het woord voortdurend raadplegen, er steeds ons leven en onze handelingen naar inrichten. Als wij ten einde toe discipelen blijven, dan, maar ook niet anders, betonen wij ons waarlijk discipelen te zijn.
b. Het voorrecht van een waar discipel van Christus. Er worden hier twee dierbare beloften gegeven aan hen, die zich aldus als ware discipelen betonen, vers 32. Gij zult de waarheid verstaan. Gij zult al die waarheid kennen, die u nuttig en nodig is te kennen, en zult meer bevestigd worden in het geloof er aan, gij zult er de zekerheid en ontwijfelbaarheid van kennen. Zelfs zij, die oprechte gelovigen en ware discipelen zijn, kunnen omtrent vele dingen, die zij behoren te weten, in duisternis zijn. Gods kinderen zijn slechts kinderen, spreken en verstaan als kinderen. Indien wij niet behoefden onderwezen te worden, wij zouden gene discipelen behoeven te zijn. Het is een zeer groot voorrecht de waarheid te kennen, de bijzondere waarheden te kennen, die wij moeten geloven in haar onderling verband, en de gronden van ons geloof, -te weten wat waarheid is, en waaruit blijkt, dat het waarheid is. Het is een genaderijke belofte van Christus aan allen, die in Zijn woord blijven, dat zij de waarheid zullen kennen voorzover zij hun nodig en nuttig is. Christus' leerlingen kunnen er van verzekerd wezen, dat zij goed onderwezen zullen worden.
De waarheid zal u vrijmaken. Dat is: Ten eerste. De waarheid, door Christus onderwezen, heeft de strekking om de mensen vrij te maken, Jesaja 61:1. De rechtvaardigmaking maakt ons vrij van de schuld der zonde, waardoor wij voor het gericht Gods gedaagd waren en gebonden lagen onder vreze en verschrikking. De heiligmaking maakt ons vrij van de slavernij van het bederf, waardoor wij teruggehouden werden van dien dienst, die volkomen vrijheid is, en gedwongen werden tot dien, welke volkomen slavernij is. De Evangeliewaarheid bevrijdt ons van het juk der ceremoniële wet en den nog zwaarder last van de inzettingen der ouden. Zij maakt ons vrij van onze geestelijke vijanden, vrij in den dienst van God, vrij om te genieten van de voorrechten der kinderen, en vrij voor het Jeruzalem, dat van Boven is en vrij is. Ten tweede. Het kennen en geloven van deze waarheid maakt ons vrij van vooroordelen, dwalingen en verkeerde begrippen, die meer dan iets anders de ziel verslaven en verstrikken, vrij van de heerschappij van hartstocht en lust, en de ziel wordt hersteld in het bestuur over zich zelve, door haar onder de gehoorzaamheid aan haren Schepper te brengen. Door de waarheid van Christus toe te laten in het licht en de kracht, wordt de geest ten zeerste verruimd, wordt er lucht en ruimte aan gegeven, wordt hij ver opgeheven boven de dingen der zinnen, en nooit handelt hij met zo wezenlijke vrijheid, als wanneer hij handelt onder het gebod Gods, 2 Corinthiërs 3:17. De vijanden van het Christendom maken aanspraak op vrij denken, terwijl diegenen werkelijk het vrijst zijn in denken en redeneren, die geleid worden door geloof, en diegenen mensen zijn van vrije gedachte, wier gedachten gevangen en tot de gehoorzaamheid van Christus gebracht worden.
II. De aanstoot, genomen aan deze leer, door de vleselijk-gezinde Joden, en hun bezwaar er tegen. Hoewel het ene leer was, die een blijde boodschap bevatte van vrijheid voor de gevangenen, hebben zij er toch vittende aanmerkingen op gemaakt, vers 33. De Farizeeën misgunden dit troostrijke woord aan hen, die geloofden, de bijstanders, die part noch deel aan deze zaak hadden, dachten dat hun smaadheid was aangedaan door dit genaderijke voorrecht van vrijheid, toegezegd aan hen, die geloven, daarom hebben zij Hem met veel hoogmoed en afgunst geantwoord: Wij, Joden, zijn Abrahams zaad, en dus vrij-geboren, en onze geboorterechtsvrijheid hebben wij niet verloren. Wij hebben nooit iemand gediend, hoe zegt gij dan tot ons, Joden: Gij zult vrij worden? Zie hier:
1. Wat het was, dat hen griefde: het was een wenk, opgesloten in deze woorden: Gij zult vrij worden, alsof de Joodse kerk en natie in enigerlei dienstbaarheid verkeerde, hetgeen ene smaadheid was voor de Joden in het algemeen, alsof alleen, die niet in Christus geloofden, in deze dienstbaarheid bleven, hetgeen ene smaadheid was voor de Farizeeën in het bijzonder. De voorrechten der gelovigen maken de afgunst en kwelling uit van de ongelovigen, Psalm 112:10. 2. Wat zij hiertegen aanvoerden. Terwijl Christus te kennen gaf, dat zij nodig hadden vrijgemaakt te worden, zeggen zij: "Wij zijn Abrahams zaad, en Abraham was een vorst en groot man. Hoewel wij in Kanaän wonen, zijn wij toch gene nakomelingen van Kanaän, en liggen niet onder zijn oordeel, een knecht der knechten zal hij zijn. Het is iets gans gewoons, dat een diep-gezonken en vermolmend geslacht roemt op de heerlijkheid en waardigheid zijner voorouders, en ere wil ontlenen aan den naam, dien zij tot schande zijn, zo deden ook hier de Joden. Maar dit was nog niet alles. Abraham was in verbond met God, en in zijn recht waren het ook zijne kinderen, Romeinen 11:28. Dit verbond nu heeft hun ongetwijfeld voorrechten verleend, onbestaanbaar met een toestand van slavernij, Romeinen 9:4. En daarom dachten zij, dat zij zo groot ene soms gelds, als zij het geloof in Christus achtten te zijn, niet nodig hadden, om dezen vrijdom te verkrijgen, daar zij reeds vrij- geboren waren. Het is de gewoonte, fout en dwaasheid van hen, die vrome ouders en een Godvruchtige opvoeding hebben gehad, om op hun voorrecht te vertrouwen, en er op te roemen, alsof dit het gebrek aan wezenlijke heiligheid kon vergoeden. Zij waren Abrahams zaad, maar wat zal hun dit baten, nu wij iemand in de hel zien, die Abraham vader noemt? Zaligmakende weldaden gaan niet, evenals gewone voorrechten, door erfrecht over op ons en onze nazaten, ook kan gene afkomst ons recht geven op den hemel, en evenmin kunnen wij door onzen stamboom op te sporen ons recht als erfgenaam laten gelden. Ons recht wordt zuiver en alleen verkregen, gekocht, niet door ons zelven, maar door onzen Verlosser, onder zekere voorwaarden en bepalingen, die wij moeten nakomen, want zo wij ze niet nakomen zal het ons van generlei nut zijn Abrahams zaad te wezen. Zo zijn er velen, die, wanneer men bij hen aandringt op de noodzakelijkheid der wedergeboorte, er zich afmaken met: "Wij zijn de kinderen der kerk, leden der gemeente", maar zij zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.
b. Wij hebben nooit iemand gediend. Merk nu op: Hoe vals dit beweren was. Het verwondert mij, hoe zij de stoutmoedigheid konden hebben om ten aanhore ener vergadering iets te zeggen, dat zo blijkbaar onwaar was. Is het zaad Abraham's niet in dienstbaarheid geweest bij de Egyptenaren? Waren zij niet dikwijls in dienstbaarheid geweest bij de naburige volken in den tijd der richteren? Zijn zij niet zeventig jaren in gevangenschap geweest in Babylon? Ja meer, waren zij niet op dit eigen ogenblik schatplichtig aan de Romeinen, en, hoewel niet in persoonlijke, maar toch wel in nationale dienstbaarheid aan hen, zuchtten zij niet om van hen bevrijd te worden? En toch, om Christus het hoofd te bieden, hebben zij de onbeschaamdheid te zeggen: Wij hebben nooit iemand gediend. Aldus wilden zij Christus blootstellen beide aan de kwaadwilligheid der Joden, die zeer naijverig waren voor de eer hunner vrijheid, en der Romeinen, die niet geacht wilden worden de volken, die zij overwonnen, in slavernij te brengen. Hoe dwaas de toepassing was. Christus had gesproken van ene vrijheid, waarmee de waarheid hen vrij zou maken, die dus bedoeld moet zijn van een geestelijke vrijheid, want, gelijk de waarheid ene verrijking is van den geest, zo is zij er ook de vrijmaking van, en de losmaking uit de gevangenschap van dwaling en vooroordeel. En toch pleiten zij tegen de aanbieding van geestelijke vrijheid, dat zij nooit in lichamelijke dienstbaarheid geweest zijn, alsof, omdat zij nooit een mens gediend hebben, zij daarom ook gene lusten gediend hadden. Vleselijke mensen bespeuren geen ander leed, dan waardoor het lichaam aangedaan wordt, of waardoor schade wordt toegebracht aan hun wereldse zaken. Spreek hun van inbreuk op hun burgerlijke vrijheid en hun eigendom, -spreek hun van schade, toegebracht aan hun landerijen of aan hun huizen-en zij verstaan u zeer goed, en zullen u een verstandig antwoord geven, de zaak raakt hen. Spreek hun nu echter van de dienstbaarheid onder de zonde, de gevangenschap onder Satan, en van de vrijheid door Christus, -spreek hun van onrecht, gedaan aan hun kostelijke ziel, en het gevaar voor hun eeuwig welzijn-en gij brengt enige vreemde dingen voor hun oren, zij zeggen er van (zoals zij zeiden, Ezechiël 49): Is hij niet een dichter van gelijkenissen? Het geleek zeer veel op de grove vergissing van Nicodemus omtrent het wedergeboren worden.
III. Onzes Heilands rechtvaardiging van Zijne leer tegen deze tegenwerpingen, en de nadere verklaring er van, vers 34-37, waar Hij deze vier dingen doet:
1. Hij toont aan, dat in weerwil van hun burgerlijke vrijheden, en niettegenstaande hun lidmaatschap der kerk, het toch mogelijk was, dat zij in een staat van dienstbaarheid verkeerden, vers 34: Een iegelijk, die de zonde doet, al is hij ook van het zaad Abrahams, is een dienstknecht der zonde. Merk op, dat Christus hun niet het onware van hun beweren verwijt, hun ook niet van hun tegenwoordige dienstbaarheid spreekt, maar hetgeen Hij tot hun stichting gezegd had, nader verklaart. Aldus behoren Evangeliedienaren met zachtmoedigheid hen te onderwijzen, die hen tegenstaan, opdat zij wederom ontwaken mogen uit den strik, maar hen niet door drift of hartstocht er toe te brengen, om er hoe langer hoe meer in verward te geraken. Nu is hier:
a. De inleiding zeer plechtig: "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u", een indrukwekkende verzekering, die onze Heiland dikwijls gebruikt heeft om eerbiedige aandacht en gerede instemming te verkrijgen. De uitdrukking, door de profeten gebruikt, was: Zo spreekt de Heere, want zij zijn als dienstknechten getrouw geweest, maar Christus, als Zoon, spreekt in Zijn eigen naam: Ik zeg u, Ik, de Amen, de getrouwe Getuige, Hij staat er borg voor met Zijne waarheidsliefde. "Ik zeg u, die roemt Abrahams zaad te zijn, alsof dit u zou sparen of behouden."
b. De waarheid is van algemeen belang, hoewel zij hier bij een bijzondere gelegenheid wordt uitgesproken: een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde, en heeft er zeer dringend behoefte aan om vrijgemaakt te worden. Een toestand van zonde is een toestand van slavernij. Zie nu wie het is, wie dit brandmerk wordt ingedrukt- hij, die de zonde doet -pas ho poioon hamartian een iegelijk, die zonde maakt. "Er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt", toch is niet ieder die zondigt een dienstknecht der zonde, want dan zou God gene dienstknechten hebben, maar hij, die zonde maakt, die de zonde kiest, die aan den weg der boosheid de voorkeur geeft boven den weg der heiligheid, Jeremia 44:16, 17, - die een verbond maakt met de zonde, ene overeenkomst met haar aangaat, er zich aan huwt, er berekeningen mede maakt, er voorziening mede maakt voor het vlees, en ongerechtigheid bedenkt, -die van de zonde ene gewoonte maakt, die naar het vlees wandelt, en van de zonde een winstgevend bedrijf maakt. Zie welk brandmerk het is, dat Christus hun indrukt, die aldus de zonde doen. Hij schandvlekt hen, hecht hun het kenmerk aan van slavernij. Zij zijn dienstknechten der zonde, gevangen onder de schuld der zonde, onder de macht er van, onder de zonde besloten, onderworpen aan de macht der zonde. Hij is een dienstknecht der zonde, dat is: hij maakt zich tot een dienstknecht der zonde, en wordt ook aldus geacht te zijn, hij heeft zich verkocht om te doen dat kwaad is, zijne lusten stellen hem de wet, hij is tot hun dienst en is zijn eigen meester niet. Hij doet het werk der zonde, ondersteunt hare belangen, en neemt hare bezoldiging aan, Romeinen 6:16.
2. Hij toont hun, dat hun hebben van ene plaats in het huis Gods hun geen recht geeft op het erfdeel der kinderen, daar zij nog in een staat van dienstbaarheid verkeren, want, vers 35, de dienstknecht, hoewel hij voor ene wijle in het huis is, slechts een dienstknecht zijnde, blijft hij er toch niet eeuwiglijk. Dienstknechten, (zeggen wij) zijn gene erfgenamen, zij zijn slechts tijdelijk, maar de zoon des huizes blijft er eeuwiglijk. Dit nu wijst: a. in de eerste plaats op de verwerping der Joodse kerk en natie. Israël is Gods zoon geweest, Zijn eerstgeborene, maar zij zijn allerellendigst ontaard tot een slaafse gezindheid, zij waren verslaafd aan de wereld en het vlees, en daarom, hoewel zij zich krachtens hun geboorterecht veilig waanden voor hun kerklidmaatschap, zegt Christus hun, dat zij, zich zelven tot dienstknechten gemaakt hebbende, niet eeuwiglijk in het huis zullen blijven. Door het Evangelie van Christus, dat vrijheid verkondigde, tegen te staan, en het Sinaïtische verbond, dat dienstbaarheid teweegbracht, aan te hangen, nadat het daarvoor bestemde tijdperk ten einde was, is Jeruzalem met hare kinderen in dienstbaarheid gekomen, Galaten 4:24, 25, en daarom werd zij van haar kerklidmaatschap ontzet, en werd zij, evenals de zoon der dienstbare, uitgeworpen, Genesis 21:14. Chrysostomus geeft aan die schriftuurplaats dezen zin: "Denkt niet door de ceremoniën van de wet van Mozes vrijgemaakt te worden van de zonde, want Mozes was slechts een dienstknecht, en had niet het blijvende gezag in de kerk, dat de Zoon had, maar indien de Zoon u vrijmaakt, dan is het wel", vers 36. Maar:
b. het ziet voorts op de verwerping van allen, die de dienstknechten zijn der zonde en de aanneming tot kinderen Gods niet ontvangen, deze onnutte dienstknechten kunnen voor ene wijle in Gods huis blijven, maar toch komt er een dag, wanneer de kinderen der dienstmaagd van de kinderen der vrije onderscheiden zullen worden. Alleen ware gelovigen, die de kinderen zijn der belofte en van het verbond, worden geacht vrij te zijn, en zullen, gelijk Izaak, eeuwig in het huis blijven: zij zullen een nagel hebben in de heilige plaats op aarde, Ezra 9:8, en woningen in de heilige plaats in den hemel, Hoofdstuk 14:2.
3. Hij toont hun den weg ter bevrijding uit dezen staat der dienstbaarheid tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, Romeinen 8:21. Treurig is de toestand van hen, die dienstknechten zijn der zonde, maar Gode zij dank, hij is niet hulpeloos en niet hopeloos. Gelijk het het voorrecht is van al de kinderen van het gezin, en hun waardigheid boven de dienstknechten, dat zij voor eeuwig in het huis blijven, zo heeft Hij, die de Zoon is, de eerstgeborene onder vele broederen en de erfgenaam van alle dingen, de macht zowel tot vrijmaking als van aanneming, vers 36:Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn. In het Evangelie biedt Jezus Christus ons onze vrijheid aan, Hij heeft de macht om vrij te maken. Om gevangenen in vrijheid te stellen, dit doet Hij in de rechtvaardigmaking, door onze schuld te voldoen (op welke schuldvoldoening de Evangelie-aanbieding gegrond is, die voor allen een voorwaardelijke acte van straffeloosheid is, en voor alle ware gelovigen ene acte van volstrekte kwijtschelding) en voor onze schulden, voor welke de wet ons gevangen hield. Als onze Borg, maakt Hij ene schikking met den schuldeiser, voldoet Hij aan den eis der geschonden gerechtigheid met meer dan het evenwaardige, neemt de verbintenis en het oordeel in Zijn eigen handen, en geeft ze als voldaan (gekwiteerd) aan allen, die Hem door geloof en door bekering (als ik dit eens zo mag uitdrukken) ene tegenverzekering, of waarborg geven, Zijne eer ongeschonden te houden, en aldus zijn zij dan vrijgemaakt. Van de schuld, en van elk deel er van zijn zij voor altijd ontheven, zij is hun gans en al kwijtgescholden, een algemeen ontslag van rechtsvervolging wegens alle daden en alle eisen, is verzegeld, terwijl tegen hen, die deze voorwaarden weigeren aan te nemen, de waarborgen in des Verlossers bezit blijven en van volle kracht zijn. Hij heeft de macht geboren slaven te bevrijden, en dat doet Hij door de heiligmaking. Door de krachtige argumenten van Zijn Evangelie en de machtige werkingen van Zijn Geest verbreekt Hij de kracht van het bederf in de ziel, herstelt Hij de verstrooide krachten van verstand en deugd, en versterkt Hij Gods invloed tegen de zonde en tegen Satan, en zo is de ziel dan vrijgemaakt. Hij heeft de macht vreemdelingen burgerrecht te verlenen, en dat doet Hij in de aanneming. Dit is wederom ene daad van genade, wij hebben niet slechts vergiffenis ontvangen, zijn niet slechts genezen, maar bevorderd, er is ons ene oorkonde van voorrechten geschonken, zowel als van vergeving, en aldus maakt de Zoon vrije burgers van het priesterlijk koninkrijk, het heilig volk, het nieuwe Jeruzalem. Zij, die door Christus vrijgemaakt worden, zijn waarlijk vrij. Het is niet alêthoos, het woord, dat gebruikt is, vers 31, voor waarlijk discipelen, maar ontoos -wezenlijk. Het geeft te kennen: De waarheid en zekerheid der belofte, de vrijheid, waarop de Joden roemden, was een denkbeeldige vrijheid, zij roemden over een valse gift, maar de vrijheid, die Christus geeft, is iets zekers, iets werkelijks, en heeft wezenlijke uitwerkselen. De dienstknechten der zonde beloven zich vrijheid, en beelden zich in vrij te zijn, als zij de banden van den Godsdienst hebben verbroken, maar zij misleiden zich zelven. Niemand anders is waarlijk vrij dan zij, die door Christus vrijgemaakt zijn. Het duidt de zeer bijzondere voortreffelijkheid aan van de beloofde vrijheid, het is ene vrijheid, die dien naam verdient. Bij haar vergeleken, zijn alle andere vrijheden niet beter dan slavernij, zo zeer strekt zij tot eer en voordeel van hen, die er door vrijgemaakt zijn. Het is een heerlijke vrijheid. Het is datgene wat is (dat is de betekenis van ontoos), het is bestendig, Spreuken 8:21, terwijl de dingen dezer wereld schaduwen zijn, die voorbijgaan. Hij past dit toe op deze ongelovige, haarklovende Joden in antwoord op hun roemen op hun verwantschap aan Abraham, vers 37:Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt, maar gij zoekt Mij te doden, en daarom hebt gij de ere verbeurd van uwe betrekking tot Abraham, want Mijn woord heeft in u gene plaats. Merk hier op, dat:
a. De waardigheid hunner afkomst erkend wordt: Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt, iedereen weet dit, en het is u tot eer. Hij erkent wat waar is, en in wat onwaar was in hetgeen zij zeggen (dat zij nooit iemand gediend hebben) spreekt Hij hun niet tegen, want Hij streefde er naar hun nuttig te wezen, niet hen te prikkelen, en daarom zei Hij wat hun welgevallig was: Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt. Zij roemden op hun afkomst van Abraham, als op iets, dat waardigheid bijzette aan hun naam, een zeer eervolle onderscheiding voor hen was, terwijl het in werkelijkheid hun misdaden slechts verzwaarde, hen bij uitstek zondig maakte. Uit hun eigen mond zal Hij de verwaande, roemzuchtige geveinsden oordelen, die zich verheffen op hun maagschap en opvoeding. "Zijt gij Abrahams zaad? Waarom hebt gij dan zijn geloof en zijne gehoorzaamheid niet nagevolgd?"
b. Hoe hun wijze van doen gans niet in overeenstemming was met deze waardigheid: Maar gij zoekt Mij te doden. Zij hadden het onderscheidene malen beproefd, en waren het nu ook van plan, hetgeen weldra bleek, vers 59, toen zij stenen opnamen, dat zij ze op Hem wierpen. Christus kent al de boosheid, niet slechts, die de mensen doen, maar die zij voornemens zijn te doen. Een onschuldig man te willen doden is voorzeker wel een zeer grote misdaad, maar den dood te zoeken van Hem, die de Koning is der koningen, was ene misdaad, waarvan het snode en gruwelijke niet onder woorden is te brengen.
c. De reden van die onbestaanbaarheid. Waarom zijn zij, die Abrahams zaad waren, zo ontzettend gekant tegen het beloofde Zaad Abrahams, in wie zij en alle geslachten der aarde gezegend zouden worden? Onze Heiland zegt hun hier: Het is omdat Mijn woord in u gene plaats heeft, ou choorei en humin. Non capit in vobis, zoals de Vulgata het heeft. "Mijn woord maakt op u geen indruk, gij hebt er gene neiging, geen smaak voor, andere dingen gevallen u meer". Of: "het heeft geen vat op u." Sommigen lezen hier: "Mijn woord dringt niet tot u door". Het kwam neer als de regen, maar het kwam op hen als de regen op ene rots, waar langs hij afloopt, het zonk niet in hun hart, zoals de regen op den beploegden grond. De Syrische overzetting geeft deze lezing: "Omdat gij niet berust in Mijn woord, zijt gij niet overtuigd van de waarheid er van, het kostelijke er van treft u niet, doet u geen genoegen. Onze overzetting is veelzeggend: het heeft in u gene plaats. Zij zochten Hem te doden, en Hem aldus voor goed tot zwijgen te brengen, niet omdat Hij hun enig kwaad gedaan heeft, maar omdat zij de overtuigende, gebiedende kracht van Zijn woord niet konden dragen. De woorden van Christus behoren ene plaats in ons te hebben, de innerlijkste en voornaamste plaats in ons hart, -ene woonplaats, het moet tehuis in ons wezen, niet als een vreemde of bijwoner, ene werkplaats, het moet in ons kunnen werken, de zonde naar buiten werken, en de genade naar binnen, het moet een besturende plaats in ons hebben, zijn plaats moet wezen op den troon, het moet rijkelijk in ons wonen. Er zijn velen, die den godsdienst belijden, maar in wie het woord van Christus gene plaats heeft, zij gunnen het gene plaats, want zij beminnen het niet. Satan doet al het mogelijke om het van zijne plaats te dringen, en andere dingen nemen dan de plaats in, die het in ons moest hebben. Waar het woord van God gene plaats heeft, kan men niets goeds verwachten, want daar is plaats voor alle boosheid. Indien de onreine geest het hart ledig vindt van Christus' woord, dan gaat hij in en woont aldaar.