Bijbelstudie
Boeken
Genesis 1
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
1
IN den
1
a
beginne
2
schiep God den
3
hemel en de aarde.
2
De
4
aarde nu was
5
woest en ledig, en duisternis was
6
op den afgrond; en de
7
Geest Gods
8
zweefde
9
op de wateren.
3
En God
10
zeide: Daar zij
11
licht. En daar werd licht.
4
En God
12
zag het licht, dat het
13
goed was; en God
14
maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
5
En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het
15
avond geweest en het was morgen geweest, de
16
eerste dag.
6
b
En God zeide: Daar zij een
17
uitspansel in het midden der wateren; en
18
dat make scheiding tussen
19
wateren en wateren.
7
En God maakte het uitspansel en maakte scheiding tussen de wateren
20
die
c
onder het uitspansel zijn, en tussen de
21
wateren die
d
boven het uitspansel zijn. En het was alzo.
8
En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de tweede dag.
9
En God zeide:
e
Dat de wateren van onder den hemel in één plaats vergaderd worden
22
en dat het droge gezien worde. En het was alzo.
10
En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij
23
zeeën. En God zag dat het goed was.
11
En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes,
24
kruid zaadzaaiende,
25
vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde. En het was alzo.
12
En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag dat het goed was.
13
Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de derde dag.
14
En God zeide:
f
Dat er
26
lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en
27
dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.
15
g
En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde. En het was alzo.
16
God dan maakte
28
die twee grote lichten; het grote licht tot heerschappij des daags, en het
29
kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.
17
En God
30
stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde,
18
En om te heersen in den dag en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag dat het goed was.
19
Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag.
20
En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen
31
een gewemel van levende
32
zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde,
33
in het uitspansel des hemels.
21
En God
34
schiep de grote walvissen, en alle levende
35
wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle
36
gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag dat het goed was.
22
En God
37
zegende ze, zeggende:
h
Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde.
23
Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vijfde dag.
24
En God zeide: De aarde brenge levende
38
zielen voort naar haar aard,
39
vee en
40
kruipend en wild gedierte der aarde naar zijn aard. En het was alzo.
25
En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag dat het goed was.
26
En God zeide:
41
Laat Ons
42
mensen maken,
43
naar Ons
44
beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over
45
de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over
46
het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
27
En God schiep den mens
i
naar Zijn beeld; naar het beeld
47
Gods schiep Hij hem;
k
man en vrouw schiep Hij hen.
28
En God
48
zegende hen, en God zeide tot hen:
l
Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte dat op de aarde
49
kruipt.
29
En God zeide: Zie,
m
Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven dat
50
op de ganse aarde is, en alle geboomte in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze.
30
n
Maar aan al het gedierte der aarde en aan al het gevogelte des hemels en aan al het kruipend gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is,
heb Ik
51
al het groene kruid tot spijze
52
gegeven
. En het was alzo.
31
En God zag al wat Hij gemaakt had, en
53
zie,
o
het was
53
zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag.