20. Die deze dingen, die in dit boek geschreven zijn (
Vers 16), getuigt, namelijk Jezus Christus, zegt tot besluit nog eens de inhoud in een hoofdsom en een kort woord, even als reeds aan het begin werd gezegd (
Hoofdstuk 1:7), samenvattende: "Ja, Ik kom spoedig. " Is nu daarin de hele hoop van de Christens gelegen, zo laat ons roepen en bidden: Amen. Wij nemen die goddelijke toezegginggelovig aan: Ja, kom, Heere Jezus! ons hart verlangt naar uw toekomst.
Het is het laatste woord uit de mond van Jezus, dat tot onze lering is geschreven, het nieuwste, dat men van Hem weet is het woord: "Ik kom spoedig. " Met de grote zaak van de Heere Jezus, met alles wat men volgens Zijn Evangelie nog van Hem te wachten heeft, vooral dus ook met de Openbaring an Zijn rijk, geen onverwacht uitstel, maar het is alles op goede weg, het zal alles worden voleindigd.
De beide vorige verzen waren nog als in de tegenwoordigheid van Jezus geschreven. Dit vers echter luidt evenals wanneer een scheidende vriend zijn haastig terugkomen belooft en de achterblijvende hem nog in de verte met veel liefde aanroept, dat hij het ook zeker waar maken zal. De apostel is de eerste, die zelf op de oproeping in Vers 17 antwoordt met: "die het hoort, zegge kom! "
"Die deze dingen getuigt, zegt: Zie, Ik kom spoedig! " Zo klonk het laatste woord van de Heere tot Johannes. Maar voelt u het niet, hoe zo'n uitspraak waardig is, niet slechts het besluit van één Bijbelboek, maar het besluit van geheel de Bijbel te wezen? Het denkbeeld toch van de toekomst van de Heere is meer dan een ondergeschikte of nevenvoorstelling in de geest van de heilige mannen. Het is als het ware de gouden draad, die al de oorkonden van de goddelijke openbaring, nu zichtbaar dan onzichtbaar doorloopt, ze aan elkaar verbindt en vastgeknoopt aan de poorten van het verloren Paradijs, zich verliest tussen de rotsen van Patmos. Nauwelijks heeft God beloofd, dat Hij vijandschap en verlossing zal schenken, of, hetzij bewust of onbewust, alle eeuwen van de oudheid worden eeuwen van voorbereiding en hijgend verlangen. "Zie, Hij komt", zo luidt het onschatbaar geheim, dat onder de aartsvaderlijke tenten de ene patriarch aan de andere toefluistert, terwijl het later door Israël's profeten met toenemende duidelijkheid en klem als van de daken gepredikt wordt. Als wachters, die de morgen verbeiden, zo staan die eerbiedwaardige mannen op de hoogte en turen of zij de purperen lichtstreep niet zien, die de Zon der gerechtigheid spelt. Eindelijk, daar staat de morgenster hoog aan de hemel; de boetgezant wordt de heraut van de koning; de Kerstnacht komt de hoop van veertig eeuwen bekronen; nog een tijdje en Galilea's heuveltoppen zijn door het licht van de wereld bestraald! Maar is Zijn naam niet "wonderlijk? " Nauwelijks wordt het openbaar, dat de grote Koning verscheen, of Hij maakt Zich weer tot scheiden gereed. Reeds na drie jaren is het "Ik ga heen en kom weer tot u. " Wel keert Hij uit de dood tot het leven, maar het nieuwe welkom wordt aanhef van het beslissend vaarwel. Hij schudt het laatste stof van de aarde van Zijn voetzolen af en "deze Jezus zal terugkomen", is de eerste tijding die de Engelen van de hemelvaart brengen. Dat woord wordt grondtoon van de Apostolische prediking en grondslag van de Apostolische hoop. "Het einde aller dingen is nabij", zo dringt Petrus de opwekking aan om in het gebed te waken. "Het is het laatste uur" zo troost Johannes de Christenen bij de komst van de Antichristen op aarde. "Maran-atha, de Heere komt", zo dondert het van de lippen van Paulus tegen de vloekwaardigen, die de Christus niet liefhebben. Ja, de Heere zelf, waar Hij aan Klein-Azië's gemeenten liet schrijven, daar zegt Hij met andere woorden aan allen, wat Hij aan éne herinnert: "Zie, Ik kom spoedig, houd wat u heeft. " Al wat hij aan Johannes toont in dit boek, is slechts de duizendkleurige onthulling van die éne grote verborgenheid; elk bazuingeschal, dat de Ziener verneemt, roept een toekomstig bazuingeschal wakker; elke ontdekking van iets groots bereidt nieuwe ontdekkingen voor van altijd grotere dingen. Wij heten in het tijdperk van de vervulling te leven, maar in zeker opzicht leven ook wij in het tijdperk van voorspelling en verwachting. Zoals Israël onder het Oude Verbond de eerste komst van de Christus verbeidde, zo beidt het geestelijk niet slechts achter, maar ook vóór ons bestaat Israël van het Nieuwe de tweede en laatste. Is het niet natuurlijk, dat een volheid van de tijd en Johannes' bede de liefste bede van de Christen is? Zij wordt althans op zijn lippen gelegd door Zijn hart, dat naar deze toekomst verlangt. De wereld wij herhalen het kan zo niet bidden. Maar bent u in waarheid een discipel van de Heere geworden, er is dan iets in u van de Geest, die de boezemvriend ven Jezus doordrong? Voor uzelf kent en wacht u dan geen licht en geen troost, geen kracht en geen hoop, dan alleen als Hij, die alles voor u wil wezen, ook alles in u geworden is en met Zijn Geest uw hart en leven doordringt. Maar welke rede is dan gepaster dan deze: Och Heere, werp U zelf iedere scheidsmuur neer, die nog tussen U en mij zich verheft; kom Heere en neem U zelf bezit van die ziel, die buiten U geen rust meer kent; kom haastig, Heere, slechts in uw volle gemeenschap is volle verzadiging van vreugde! Bent u een discipel van Christus, er woont dan liefde daarbinnen, die u al de broeders omvatten, al de verlorenen in stilte bejammeren, heel de mensheid biddend op het hart doet dragen. Maar als u nu zo vele smachtenden ziet, die vruchteloos lafenis "in een land, dor en mat, zonder water" begeren; zo vele dwalenden, die als zwervende schapen waggelen aan de rand van de afgrond; zoveel zieken naar de ziel, die ten grave gesleept worden door de dodelijke pestilentie van de zonde en als u tegenover dat alles de machteloosheid van uw liefde betreurt en de almacht van Jezus' liefde gelooft, weer, wat is natuurlijker dan te roepen, door de Geest van de gebeden gedragen: Kom, Levensbron van omhoog en drenk al die dorstige dalen; kom, trouwe Herder en draag het afgezworvene op uw schouders naar de veilige schaapskooi; kom spoedig, Arts van de ziel, de zieke mensheid bezwijkt, als U niet het vergif in haar aderen stuit! Nog eens, bent u een discipel van Christus, Zijn eer is u dierbaar, Zijn zaak is uw zaak, Zijn miskenning is u tot smarte geworden. Het grieft u, dat Hij hier verloochend, daar onder een deksel verkondigd, ginds door moedwillige zonde als bij vernieuwing gekruisigd wordt. Het is u niet genoeg, dat Hij nu reeds heerst in het midden van Zijn vijanden, u verlangt ernaar dat de vriend van uw ziel onder verloste vrienden regeert. Maar wat ik bid u, wat is dan meer natuurlijk: dan de bede Sta op, Heere, laten uw hateren vluchten en het welbehagen van de Vader door uw hand gelukkiglijk voortgaan? In van de waarheid, al legde ons de tekst haar niet op de biddende lippen, ons eigen hart zou haar voorschrijven, als wij echt één zijn met Christus. Zo kan de vriend, die zijn broeder van overzeese kusten verbeidt, wandelen en staan op het strand en starogen, of hij nóg aan de grauwe horizon het witte zeil niet ontdekt. En als hij zich moe getuurd heeft op het eindeloos en eentonig verschiet, onwillekeurig breidt hij de armen naar de horizon uit, als wilde hij de afstand verkorten! Liefelijk was het verschiet, dat voor ons oog zich ontsloot bij het staren op de toekomst van de Heere, maar hartverheffend is ook het stille geloof: de Heere zal niet wachten tot de jongste morgen van de wereld, om de Zijnen tot Zich te nemen; Hij komt voor en tot een ieder van hun in het uur van de dood! Reeds is Hij daartoe onzichtbaar op weg. Christenen, wilt u Hem ontvluchten, of afwachten, of met blijde hoop tegemoet gaan? O, zo Hij in u leeft, u kunt niet wensen altijd van Hem uit te wonen in dit dal van de beproeving en vaak grijpt iets u aan van het onweerstaanbaar gevoel, dat de zwerver doortintelt, als hij bij het vallen van de nacht de lichten ziet flikkeren van gindse veilige stad. "Alle goud" het is terecht geschreven door een van de grootste godgeleerden van onze eeuw (Neander): "Alle goud is niet te vergelijken met één zucht van heilig verlangen naar boven. Zonder dat verlangen te zijn, dat is sterven. Verlang en u bent weten te leven. " Christenen, is uw schat in de hemel, daarheen dan ook het hart gericht! Zalig zijn zij, die het heimwee hebben: zij zullen thuis komen. Drukken u de lasten van de tegenspoed, dan gesmeekt: kom Heere, of de vleugelen van die stormwind; woont U in mij, ik heb vrede in het midden van de strijd! Ontrusten u de schokken van de tijd, dan gebeden: kom Heere, tot de Kerk en de wereld; waar U huist, zal de rust huisgenoot zijn! Omgeeft u de schaduw van de dood, nog eenmaal met stamelende lippen: kom spoedig, Heere, ik heb U lang gewacht, niet te lang voor het geloof, maar bijna te lang voor de liefde! En gelukkiger dan Johannes, vindt u na het laatste slaken van die bede uzelf, niet meer in een Patmos van de vreemdelingschap, maar in het hemels Jeruzalem weer.
Niet gering is het aantal reizigers, die Patmos omwille van Johannes hebben bezocht; maar wie zal ze tellen, de schare van hen, die daar in de geest aan de zijde van Johannes hebben gestaan en de stem als de stem van grote wateren vernomen, die eenmaal over de grote wateren van Patmos klonk. En kan het anders? Patmos toch is de laatste wachttoren in het heilige land van de profetie. Vandaar klinkt de laatste stem, die antwoord geeft op de vraag: "Wachter! wat is er van de nacht? " Dat antwoord luidt bij alle andere wachters: "De morgenstond is gekomen; en het is nog nacht. " Wil jullie vragen, vraagt; keer terug, kom. Maar bij de wachter op Patmos luidt het: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij, de Heere komt! Ja, de Heere komt. Wanneer komt Hij? Niemand, die het weet. Van dat uur weet niemand, zelfs niet de engelen in de hemel. En toch heeft de Heere ons niet geheel en al zonder wetenschap dienaangaande willen laten. Immers Hij heeft zelf ons de voortekenen aangeduid, die Zijn komst moeten voorafgaan en verkondigen. Hij zelf vergeleek die tekenen bij de tekenen van de hemel, die ons doen zeggen: morgen schoon weer, want de hemel is rood! morgen onweer, want de hemel is droevig rood! Voor zoveel dus die voortekenen zich beginnen te vertonen, maken wij daaruit op, dat de komst van de Heere nadert. Als de Schrift zegt: de volheid van de heidenen moet zijn ingegaan, eer de Heere komen kan; en wij horen dat het Evangelie aan bijna alle volkeren onder de hemel verkondigd wordt en het ons daarbij is, als aanschouwden wij reeds van verre de vleugels van de engel, vliegend in het midden van de hemel en hebbende het eeuwig Evangelie om te verkondigen hen, die op de aarde wonen en alle natie en geslacht en taal en volk, dan zeggen wij: de Heere komt! Als de Schrift zegt: Geheel Israël moet zalig worden, eer de Heere komen zal en wij horen dat de bekeringen onder de Joden zo beginnen toe te nemen, dat er sinds de vijfentwintig laatste jaren meer Joden bekeerd zijn, dan in de zeventien eeuwen, die sinds Paulus verlopen zijn, dan zeggen wij: de Heere komt. Als de Schrift zegt, dat in de laatste tijden Christendom en anti-Christendom zich scherper dan ooit zullen afscheiden en geloof en ongeloof zich duidelijker en krachtiger dan ooit zullen openbaren; en wij zien, hoe aan de ene zijde het ongeloof immer onbeschaamder het hoofd opsteekt en zijn valse Christussen verheft, roepend: Zie, de Christus is hier! en zie, de Christus is daar! en tevens, hoe aan de andere kant de schare van ongelovigen meer en meer de handen ineenslaat en zoals onlangs in Engelands hoofdstad van de beide oevers van de Atlantische Oceaans bijeenkomt om elkaar de broederhand te reiken en tevens te bewijzen, wat een grootse zowel als levende eenheid de Kerk, die op de rots van de hervorming gegrond is, van de wereld vertoont, dan zeggen wij: de Heere komt! Ja, de Heere komt! Hij komt met kracht! Sinds achttien eeuwen is Hij altijd komende; maar in het één tijdperk zijn de tekenen van die komst duidelijker en zichtbaarder dan in het andere. In het éne tijdperk horen wij als het ware Zijn voetstappen ruisen, die zich in het andere verbergen. Welnu, in het tijdperk, waarin wij nu leven, zien en horen wij Hem, omdat Hij komt. Deze eeuw, de eeuw van de Bijbel- en zendelingsgenootschappen, de eeuw van de stoomvaart en volkeren-vereniging, de eeuw van de worsteling en gisting bij uitnemendheid van nieuwe, zedelijke, geestelijke elementen, die als de weeën van de geboorte voor een nieuwe orde van dingen zijn, draagt meer dan enig andere na de apostolische eeuw het opschrift aan het hoofd: de Heere komt! De wolken, waarop Hij komt, zich wij als het ware nader drijven en horen in de verte ook in het kraken van het onweer, die rondom Europa ratelen, de donders, waarmee Hij komt. En de kreet, waarmee de aarde beneden die stem van boven beantwoordt, is de algemene roepstem: Kom, Heere Jezus!
Der heid'nen volheid is gekomen; Reeds zuchten `s werelds verste zomen Om vrede zucht het moê Heelal. Kom, Heere Jezus, met de wolken! Beklim die zetel aller volken, die eeuw noch afgrond schokken zal!
Vers 21. Zoals het hele boek in de vorm van een brief begonnen is (Hoofdstuk 1:4-6), zo besluit het ook met de zegenbede van de apostolische brieven (Romeinen 16:24).