Job 9:22-24
Hier roert Job kortelijk het voornaamste punt van geschil aan tussen hem en zijn vrienden. Zij hielden vol dat degenen, die rechtvaardig en vroom zijn, altijd voorspoed hebben in deze wereld, en dat alleen de goddelozen in ellende en leed zuchten, daar tegenover verklaarde hij dat gewoonlijk de goddelozen voorspoedig zijn en de rechtvaardigen grotelijks worden beproefd, dat is de ene, de voorname zaak, waarin hij en zijn vrienden verschilden. Zij hadden hun beweren niet bewezen, daarom blijft hij bij zijn mening: "ik zei en herhaal het: alle ding wedervaart hun gelijk alle anderen."
Nu moet erkend worden:
1. Dat er zeer veel waars is in hetgeen Job hier bedoelt: als tijdelijke oordelen zijn uitgegaan, worden er zowel goeden als slechten door getroffen, en de verderfengel onderscheidt slechts zelden-hoewel hij het eenmaal gedaan heeft-tussen de huizen van Israëlieten en de huizen van Egyptenaren.
Het is waar: in het oordeel over Sodom, dat "de straf des eeuwigen vuurs" wordt genoemd, Judas: 7, was het verre van God, "dat de rechtvaardige zij als de goddeloze," Genesis 18:25, maar van gewone tijdelijke oordelen hebben de rechtvaardigen hun deel, en soms het grootste deel. Het zwaard verteert de ene zowel als de andere, Josia zowel als Achab. Zo verderft God de oprechte en de goddeloze, goeden en slechten werden tezamen naar Babel gezonden, Jeremia 24:5, 9. Als de gesel haastelijk doodt, allen er door weggemaaid worden, dan zal het Gode zeer welgevallig zijn te zien, hoe dezelfde gesel, die het verderf is van de goddelozen, de beproeving is van de onschuldigen, de toetssteen is van hun geloof, dat bevonden wordt "te zijn tot lof en eer en heerlijkheid," 1 Petrus 1:7, Psalm 66:10.
Laat dit Gods kinderen verzoenen met hun rampen, zij zijn slechts beproevingen, bedoeld tot hun eer en hun welzijn, en als God er een welgevallen in heeft, moeten zij er niet misnoegd om zijn, als Hij de verzoeking van de onschuldigen bespot, wetende hoe heerlijk de uitkomst zal zijn, lacht tegen verderf en hongersnood, zo laat hen dan ook er tegen lachen, Hoofdst. 5:22, en er over triomferen zeggende: "Dood, waar is uw prikkel!"
Van de andere kant: zo weinig zijn de goddelozen tot het doelwit van Gods oordelen gesteld, dat hun de aarde in de hand wordt gegeven, vers 24. Zij hebben grote bezittingen en grote macht, hebben wat zij willen en doen wat zij willen. In de hand van de boze staat er in het oorspronkelijke, dus in het enkelvoud. De duivel, de boze, wordt de god van deze wereld genoemd, en hij snoeft er op, dat zij "hem is overgegeven," Lukas 4:6. Of, in de hand van een goddeloos man (naar de gissing van bisschop Patrick), de een of andere welbekende tiran die toen in dat deel van de wereld heeft geleefd, wiens grote slechtheid en grote voorspoed aan Job en zijn vrienden wel bekend waren.
Aan de goddelozen is de aarde gegeven, maar aan de rechtvaardigen is de hemel geschonken, en wat is nu beter-de hemel zonder de aarde, of de aarde zonder de hemel? In de leidingen van Zijn voorzienigheid verhoogt God de goddelozen, terwijl Hij het aangezicht overdekt van hen, die geschikt zijn om rechters te wezen, die wijs en vroom zijn, bevoegd en bekwaam om te regeren, en begraaft hen in onbekendheid, laat hen misschien neergeworpen en veroordeeld worden. Hij laat toe dat hun aangezicht als dat van misdadigers bedekt wordt door hen, in wier hand de aarde gegeven is. Dagelijks zien wij dit geschieden indien het nu God niet is, die het doet, waar en wie is het dan, die het doet? Aan wie anders kan het toegeschreven worden dan aan Hem, die heerst in de koninkrijken van de mensen, en ze geeft aan wie Hij wil? Daniël 4:32.
2. Toch moet het erkend worden, dat er te veel hartstocht is in hetgeen Job hier zegt. De wijze van uitdrukking is gemelijk, toen hij bedoelde dat God beproeft, had hij niet moeten zeggen: de oprechte en de goddeloze verdelgt Hij. Toen hij bedoelde dat God een welgevallen heeft aan de beproeving van de onschuldigen, had hij niet moeten zeggen dat Hij de verzoekingen van de onschuldigen bespot, want Hij beproeft niet gaarne, niet van harte. Als de geest verhit is, hetzij door twist of door ontevredenheid, dan is het ons zeer nodig een wacht te zetten voor onze lippen, opdat wij in het spreken over Goddelijke dingen de betamelijkheid in acht nemen.