2 Samuël 8:15-18
David was niet zo vervuld van zijn buitenlandse oorlogen, dat hij er het binnenlandse bestuur om veronachtzaamde.
1. Zijn zorg strekte zich uit over alle deren van zijn gebied. Hij regeerde over geheel Israël, vers 15, hij had niet alleen het recht om over al de stammen te regeren, maar hij deed het. Zij waren allen veilig onder zijn bescherming, en deelden in de vruchten van zijn goede regering.
2. Hij deed recht zonder bevooroordeeld te zijn en met een vaste hand, hij deed zijn gehele volk recht en gerechtigheid, deed niemand onrecht, noch weigerde iemand recht te doen. Dit duidt aan:
a. Zijn naarstigheid en de ijver waarmee hij zich op de zaken toelegde. Het duidt ook aan dat het volk gemakkelijk toegang tot hem had, en dat hij bereid was om gehoor te verlenen aan wie hem iets wilde verzoeken, of een beroep op hem wilde doen. Geheel zijn volk, ook de geringsten onder hen, en die van de geringste stammen waren, waren hem welkom als hij in zijn raadkamer was.
b. Zijn onpartijdigheid en de billijkheid van zijn handelingen in de rechtsbedeling. Nooit heeft hij uit gunst of genegenheid het recht verkeerd. In zijn rechtspraak had hij geen aanzien des persoons. Hierin was hij een type van Christus, die getrouw en waarachtig was, en die aldus "oordeelt en krijg voert in gerechtigheid," Openbaring 19:11. Zie Psalm 72:1, 2.
3. Hij bewaarde goede orde en had goede beambten aan zijn hof. Daar David de eerste koning was, die een gevestigde regering had (want Sauls regering was kort en onvast) kon hij het bestuur regelen. Wij lezen van geen hoge ambtenaar in Sauls tijd dan van Abner, die krijgsoverste was, maar David heeft meer ambtenaren aangesteld. Hier zijn:
a. Twee militaire beambten, Joab, die overste was van de krijgsmacht te velde, en Benaja, die overste was van de Krethi en de Plethi, die òf een stadsweerbaarheidskorps waren, boogschutters en slingeraars, volgens de Chaldeër, of liever de lijfwacht of staande krijgsmacht die de koning vergezelden, de praetorianen. Zij hadden de binnenlandse dienst, moesten bijstand verlenen voor de bedeling des rechts, de openbare vrede bewaren, wij vinden hen gebruikt bij de uitroeping van Salomo tot koning, 1 Koningen 1:38 .
b. Twee kerkelijke grootwaardigheidsbekleders: Zadok en Achimelech waren priesters, dat is: Zij werden het meest gebruikt in het werk van de priesters, onder Abjathar, de hogepriester.
c. Twee burgerlijke beambten, de een was kanselier, of-naar de Engelse overzetting-archivaris, die de koning alle zaken van gewicht onder de aandacht moest brengen, hij was eerste staatsminister, die echter niet, zoals men zegt van onze kanselier de bewaring had van `s konings geweten, maar slechts van zijn geheugen, laat de koning aan de zaak herinnerd worden, en hij zal er zich toe begeven. Een ander was schrijver of staatssecretaris, die de openbare orders opstelde, en aantekening hield van besluiten en rechterlijke vonnissen.
Eindelijk. Davids zonen waren, als zij opgroeiden en geschikt werden voor zaken, tot hoofdbestuurders aangesteld, zij waren prinsen of hoofdofficieren, hun werden posten van vertrouwen aangewezen in het huis des konings of in het leger, of in de gerechtshoven, naar hun aanleg en bekwaamheid was. Zij waren "de eersten aan de hand des konings," zoals dit nader verklaard wordt in I Kronieken 18:17, zij dienden in zijn nabijheid, zodat zij onder zijn oog waren. Onze Here Jezus heeft beambten aangesteld in Zijn koninkrijk, tot Zijn eer en tot welzijn van de gemeente, toen Hij opgevaren is in de hoogte heeft Hij deze gaven gegeven Efeziers 4:8, 11, elk zijn werk, Markus 13:34. David heeft zijn zonen tot hoofdofficieren aangesteld, maar de gelovigen, het geestelijk zaad van Christus, hebben hoger bevordering, want zij zijn Gode gemaakt tot koningen en priesters, Openbaring 1:6.