Exodus 33:1-6
I. Hier is de boodschap, die God door Mozes zond aan de kinderen Israëls, waarin het voortduren van Zijn ongenoegen tegen hen te kennen wordt gegeven, en hoe slecht zij bij God stonden aangeschreven. Dit moet hij hun tot hun verdere verootmoediging doen weten.
1. Hij geeft hun een vernederende naam, door hun hun waar karakter voor te houden, een hardnekkig volk, vers 3, 5. "Ga heen," zegt God tot Mozes, "ga heen, en zeg hun dat zij dit zijn." Hij, die hen beter kent dan zij zichzelf kennen, zegt dit van hen. God zou hen onder het juk van Zijn wet gebracht hebben, en onder de band van Zijn verbond, maar hun nek was te stijf om hem te buigen. God zou hen genezen hebben van hun verdorven verdraaide neigingen, en hen recht hebben gesteld, maar zij waren eigenzinnig en hardnekkig, en haatten de tucht, en wilden niet dat God over hen zou heersen. God oordeelt de mensen naar hun geestesgezindheid. Wij weten wet de mens doet, God weet wat hij is, wij weten wat uit de mens voortkomt, God weet wat in de mens is, en niets mishaagt Hem meer dan hardnekkigheid, gelijk bij kinderen niets meer voor ouders en onderwijzers onaangenaam is dan halsstarrigheid.
2. Hij zegt hun wat zij verdienen, namelijk dat Hij in een ogenblik in het midden van hen zal komen om hen te verteren, vers 5. Indien Hij met hen gedaan had naar hun zonde, Hij zou hen door een haastig verderf verdaan hebben. Zij, die vergeving van God hebben ontvangen moeten weten, wat hun zonde verdiend heeft, en hoe rampzalig zij geweest zouden zijn, indien zij niet begenadigd waren geworden, opdat Gods genade zoveel meer verheerlijkt zal worden.
3. Hij zegt hun heen te gaan naar het land Kanaän, vers 1. De berg Sinaï, waar zij zich nu bevonden, was de plaats, bestemd voor de oprichting van Gods tabernakel en de plechtige eredienst onder hen, dat was nog niet geschied, zodat God, door hun te bevelen op te trekken, te kennen geeft dat het niet geschieden zal. Laat hen heengaan, zoals zij nu zijn, en aldus uitgedrukt, was het een te kennen geven van Gods ongenoegen.
4. Hij draagt hen over aan Mozes, als het volk, dat hij uit Egypteland had uitgevoerd, en laat het aan hem over om hen naar Kanaän te brengen.
5. Hoewel Hij belooft Zijn verbond met Abraham gestand te doen, door hun Kanaän te geven, ontzegt Hij hun toch de buitengewone tekenen van Zijn tegenwoordigheid, als die, waarmee zij tot nu toe bevoorrecht waren, en laat hen onder de gewone leiding van Mozes, hun vorst, en het gewone geleide van een beschermengel. Ik zal een engel voor uw aangezicht zenden als uw beschermer, want anders zouden de boze engelen u verderven, vers 2, 3, niet alsof een engel geduldiger en meedogender zou zijn dan God, maar hun beledigen van een engel zou niet zo tergend en gruwzaam zijn als hun beledigen van de Shechinah of Goddelijke Majesteit zelf. Hoe groter voorrechten wij hebben, hoe groter ons gevaar is, zo wij ze niet gebruiken en er naar leven.
6. Hij spreekt als iemand, die niet weet wat hun te doen, welke weg met hen in te slaan. De gerechtigheid zei: Roei hen uit, verteer hen, de genade zei: "Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm?" Hosea 11:8. Welnu, zegt God, leg uw sieraad van u af, en Ik zal weten wat Ik u doen zal, dat is: "Neem de houding aan van een boetvaardige, opdat de twist tot uw voordeel worde beslecht, en de barmhartigheid moge roemen tegen het oordeel" vers 5. Roepstemmen tot bekering zijn duidelijke aanwijzingen, dat genade bedoeld wordt. Indien het de Heere behaagde ons te doden dan weet de gerechtigheid wel wat te doen met een hardnekkig volk, maar God heeft geen lust aan de dood van de zondaren, laat hen zich bekeren, en dan zal de goedertierenheid weten wat te doen.
II. De droefheid van het volk bij het ontvangen van deze boodschap, het was een kwade tijding voor hen, te horen dat Gods bijzondere tegenwoordigheid niet met hen zou zijn, en daarom:
1. Droegen zij leed, vers 4, treurden zij om hun zonde, die God er toe gebracht had zich van hen terug te trekken, en daarover treurden zij als over de zwaarste straf op hun zonde. Toen drie duizend van hen tegelijk door het zwaard van de Levieten werden neergeveld, vinden wij niet dat zij hierover treurden (daar zij hoopten dat dit zou bijdragen om hun schuld te verzoenen) maar toen God hun Zijn gunstrijke tegenwoordigheid ontzegde, treurden zij in bitterheid des harten. Van al de bittere vruchten en gevolgen van de zonde is hetgeen ware boetvaardigen het meest betreuren en het meest vrezen, Gods wijken van hen. God had beloofd dat Hij, niettegenstaande hun zonde hun het land zou geven, vloeiende van melk en honing. Maar zij konden hier slechts weinig blijdschap in smaken, zo Hij niet met hen was. Zonder Zijn tegenwoordigheid zal Kanaän zelf geen lieflijk, aangenaam land wezen, daarom moeten zij, indien deze hun ontbreekt, leed dragen.
2. Hebben zij, die nog ontkleed waren, ten teken van schaamte en verootmoediging hun versierselen niet aangedaan, vers 4, en zij, die gekleed waren, beroofden zichzelf van hun versierselen ver van de berg Horeb, vers 6, van verre staande, zoals de tollenaar, Lukas 18:13. God gebood hun, hun sieraad af te leggen, vers 5, en zij deden het, zowel om in het algemeen hun diep leedwezen te tonen, als om in het bijzonder een heilige wraak te oefenen op zichzelf daar zij hun oorsierselen hadden gegeven om er het gouden kalf van te maken. Zij, die hun sieraden wilden afstaan ter bekostiging van hun zonde, konden wel niet minder doen dan hun sieraden afleggen ten teken van hun berouw er van en schaamte er over. Als de Heere der heirscharen roept tot geween en tot rouwklage, dan moeten wij aan die roepstem gehoor geven, en niet alleen ons onthouden van begeerlijke spijs, Daniël 10:3 maar ook onze sieraden afleggen, zelfs die, welke op andere tijden betamelijk zijn, zijn toch niet passend om gedragen te worden op dagen van verootmoediging of in tijden van openbare rampen, Jesaja 3:18.