Exodus 34:5-9
Niet zodra was Mozes op de top van de berg, of God ontmoette er hem, vers 5. De Heere kwam nederwaarts door een zichtbaar teken van Zijn tegenwoordigheid en tentoonspreiding van Zijn heerlijkheid. Zijn neerkomen duidt Zijn goedheid, Zijn inschikkelijkheid aan, Hij vernedert zich om kennis te nemen van hen die zich verootmoedigen om met Hem te wandelen, Psalm 113:6. Heere, wat is de mens, dat Gij hem aldus bezoekt? Hij kwam neerwaarts in de wolk, waarschijnlijk wel de wolkkolom, die tot nu toe vóór Israël was heengegaan en de dag tevoren Mozes ontmoet had aan de deur van de tent van de samenkomst. Deze wolk moest Mozes vervullen met eerbied en ontzag, opdat de gemeenzaamheid, die hem toegestaan was, geen minachting zou baren. De discipelen werden bevreesd, als die in de wolk ingingen. Dat Hij een wolk tot Zijn tent maakte gaf te kennen dat, hoewel Hij veel van zichzelf bekendmaakte, er echter nog veel meer verborgen bleef. Merk nu op:
I. Hoe God Zijn naam uitriep, vers 6, 7. Hij deed het "in transitu-als Hij hem voorbijging." Een bepaald en blijvend zien van God is weggelegd voor de toekomende staat, het beste wat wij in deze wereld hebben is slechts voorbijgaand. God deed nu wat Hij daags tevoren aan Mozes beloofd had namelijk dat Zijn heerlijkheid hem zou voorbijgaan, Hoofdstuk 33:22. Hij riep de naam van de Heere uit, de naam waarmee Hij zich bekend wilde maken. Hij had zich aan Mozes bekendgemaakt in de heerlijkheid van Zijn zelfbestaan en zelfgenoegzaamheid, toen Hij die naam uitriep: Ik ben, die Ik ben, thans maakt Hij zich bekend in de heerlijkheid van Zijn genade en goedheid en algenoegzaamheid. Nu God een tweede editie van de wet zal geven, laat Hij deze bekendmaking er als voorrede aan voorafgaan. Want het is Gods genade en goedertierenheid, die de wet geeft. De vergeving van Israëls zonde in hun aanbidding van het gouden kalf zal nu bezegeld worden en door Zijn verklaring zal God hun bekendmaken, dat Hij vergeving schonk, "ex mero motu-bloot en alleen uit Zijn eigen welbehagen," niet om wille van hun verdienste, maar uit Zijn eigen neiging om te vergeven. De uitroeping er van duidt de algemene uitgestrektheid aan van Gods genade, Hij is niet slechts goed voor Israël, maar goed voor allen, laat allen dit opmerken. Wie oren heeft om te horen, die hore en wete en gelove.
1. Dat de God, met wie wij te doen hebben, een grote God is. Hij is Jehovah, de Heere, die Zijn bestaan heeft in en uit zichzelf en de fontein is van alle zijn, "Jehova El, de Heere, de sterke God," een God van almachtige kracht, en de oorsprong van alle kracht en macht. Dit wordt uitgesproken vóór de tentoonspreiding van Zijn genade, om ons te leren zelfs van Gods genade en goedheid te spreken met grote ernst en een heilig ontzag, en om ons aan te moedigen op die goedertierenheid te steunen en te betrouwen. Het is de goedertierenheid niet van een mens, die broos en zwak, vals en wispelturig is, maar de goedertierenheid des Heeren, van de Heere God, en daarom zijn het gewisse weldadigheden, vrijmachtige goedertierenheden, goedertierenheden, die vertrouwd maar niet verzocht, dat is: misbruikt mogen worden.
2. Dat Hij een goede God is. Zijn grootheid en goedheid verklaren elkaar. Opdat de verschrikking van Zijn grootheid ons niet zal doen vrezen, wordt ons gezegd hoe goed Hij is, en opdat wij van Zijn goedheid geen misbruik zullen maken, door een al te grote vrijmoedigheid, die dan in vrijpostigheid ontaardt, wordt ons gezegd hoe groot Hij is. Vele woorden zijn hier als opeengehoopt, om ons bekend te maken met en te overtuigen van Gods goedheid en om te tonen hoezeer Zijn goedheid zowel Zijn heerlijkheid als Zijn verlustiging is, en toch zonder onnodige herhaling. A. Hij is "barmhartig." Dit duidt Zijn medelijden aan, Zijn ontferming als van een vader over zijn kinderen. Dit wordt het eerst genoemd, omdat het het eerste rad is in al de voorbeelden van Gods liefde en welbehagen in de gevallen mens, wiens rampzaligheid hem tot een voorwerp maakt van medelijden, Richteren 10:16, Jesaja 63:9. Laat ons dan geen harde gedachten hebben van God en geen harde harten voor onze broeders.
B. Hij is "genadig." Dit duidt beide vrijwilligheid en vriendelijkheid aan, het geeft te kennen dat Hij niet slechts medelijden heeft met Zijn schepselen, maar een welgevallen in hen en in goeddoen aan hen, en wel uit eigen beweging, en niet om iets dat in hen is. Zijn barmhartigheid is genade, vrije genade, dit leert ons niet slechts meedogend te zijn maar ook vriendelijk en beleefd, 1 Petrus 3:8.
C. Hij is "lankmoedig." Dit is een deel van Gods goedheid, dat door de slechtheid van de zondaars nodig wordt. Israël had dit nodig gemaakt, zij hebben Zijn geduld op de proef gesteld en ervaren. Hij is lankmoedig, dat is: traag tot toorn, en wacht met de uitoefening van Zijn gerechtigheid, Hij wacht om genadig te zijn, en verlengt de tijd voor de aanbieding van Zijn genade.
D. Hij is "groot van weldadigheid en waarheid." Dit duidt overvloedige goedheid aan, die onze verdienste, ons denken en ons spreken te boven gaat. De bronnen van de genade zijn altijd vol, de stromen van de genade zijn steeds vloeiende, er is in God genade genoeg, genade voor allen, genade voor ieder, genoeg voor altijd. Het duidt beloofde goedheid aan, goedheid en waarheid tezamen gevoegd, goedheid verbonden door belofte, en Zijn getrouwheid, verpand als waarborg er van. Hij doet niet slechts goed, maar door Zijn belofte wekt Hij onze verwachting er van op, zelfs verplicht Hij zich om genade te betonen.
E. Hij "bewaart de weldadigheid aan vele duizenden." Dit geeft te kennen:
a. Genade, die zich uitstrekt over duizenden van mensen, als Hij aan sommigen geeft, houdt Hij nog over voor anderen, en is nooit uitgeput. Hij heeft genade genoeg voor al de duizenden van Israël als zij vermenigvuldigd zijn, als het zand van de zee zullen wezen in menigte.
b. Genade als bij onvervreemdbaar erfrecht vastgesteld op duizenden van geslachten, waarop de einden van de eeuwen gekomen zijn, ja de lijn daarvan loopt parallel met de eeuwigheid zelf.
F. Hij vergeeft "ongerechtigheid, overtreding en zonde." De vergevende genade wordt in bijzonderheden genoemd, omdat daarin de Goddelijke genade het meest verheerlijkt wordt en omdat deze het is, die de deur opent voor alle andere gaven van de Goddelijke genade, en omdat Hij daar nu onlangs zo'n groot bewijs van had gegeven. Hij vergeeft misdaden van allerlei soort: ongerechtigheid, overtreding en zonde, Hij vermenigvuldigt Zijn vergeving en bij Hem is veel verlossing.
3. Dat Hij een heilig en rechtvaardig God is. Want:
a. Hij houdt de schuldige geenszins voor onschuldig. Sommigen lezen dit zo dat er een verzachting in de toorn door wordt te kennen gegeven, zelfs als Hij straft: "Als Hij ontledigt, zal Hij niet geheel woest maken," dat is: "Hij gaat niet over tot het uiterste, zodat er geen herstel meer is." Zoals wij het lezen, moeten wij het zo verklaren, dat Hij voor de schuldigen geenszins de ogen sluit, alsof Hij geen kennis nam van hun zonde. Of wel: Hij zal de onboetvaardige schuldigen, die nog voortgaan in hun zonde, niet onschuldig houden, Hij zal de schuldigen niet onschuldig houden zonder dat aan Zijn gerechtigheid wordt voldaan en zonder de noodzakelijke verdediging van de eer van Zijn regering.
b. Hij bezoekt de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen. Hij kan het rechtvaardig doen, want alle zielen zijn van Hem, en er is in de zonde een boosheid die het bloed bederft. Soms zal Hij het doen, inzonderheid tot straf van afgodendienaars. Aldus toont Hij Zijn haat tegen de zonde en Zijn misnoegen er over, toch zal Hij niet eeuwig de toorn behouden, maar bezoekt de ongerechtigheid slechts tot aan het derde en vierde geslacht, terwijl Hij weldadigheid bewaart voor duizenden. En dit is Gods naam tot in eeuwigheid, en dit is Zijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.
II. Hoe Mozes deze bekendmaking, die God van zichzelf heeft gedaan heeft ontvangen. Het schijnt dat Mozes dit als een genoegzame verhoring heeft beschouwd van zijn bede, dat God hem Zijn heerlijkheid zou tonen, want wij lezen niet, dat hij in de kloof van de steenrots is gegaan, om vandaar het gezicht te hebben op Gods achterste delen. Misschien was dit hem genoeg en begeerde hij niets meer, gelijk wij ook niet lezen dat Thomas zijn hand in Christus zijde heeft gestoken, hoewel Christus hem uitnodigde om dit te doen. Nu God aldus Zijn naam heeft uitgeroepen, zegt Mozes: "Het is genoeg, ik verwacht niets meer totdat ik in de hemel kom," tenminste heeft hij het niet behoorlijk geacht te verhalen wat hij gezien heeft. Nu wordt ons hier gezegd:
1. Welke indruk het op hem gemaakt heeft vers 8. Mozes nu haastte en neigde het hoofd ter aarde en hij boog zich. Hiermede gaf hij te kennen:
a. Zijn nederige eerbied en aanbidding van Gods heerlijkheid, Hem de ere gevende van die naam, welke Hij aldus heeft uitgeroepen. Zelfs de goedheid van God moet door ons met diepe eerbied en heilig ontzag worden beschouwd.
b. Zijn blijdschap in de ontdekking, die God van zichzelf heeft gedaan, en zijn dankbaarheid er voor. Wij hebben reden om dankbaar Gods goedheid jegens ons te erkennen, niet slechts in de voorbeelden, die Hij er ons van gegeven heeft, maar ook in de bekendmaking, die Hij er van gedaan heeft door Zijn woord, niet slechts dat Hij ons genadig is en zijn zal, maar dat het Hem behaagt het ons te doen weten.
c. Zijn heilige onderworpenheid aan de wil van God, ons bekend gemaakt in deze verklaring, instemmende met Zijn gerechtigheid, zowel als met Zijn genade, zichzelf en Zijn volk Israël stellend onder het bestuur en de leiding van zo'n God zoals Jehovah zich nu bekend heeft gemaakt. Laat deze God onze God zijn, eeuwiglijk en altoos.
2. Welk gebruik hij er van heeft gemaakt. Onmiddellijk heeft hij er een gebed op gegrond vers 9, en een zeer ernstig, liefdevol gebed is het:
a. Om de tegenwoordigheid van God met Zijn volk Israël in de woestijn: Heere, indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want Uw tegenwoordigheid is alles in alles voor onze veiligheid en onze voorspoed. b. Om vergeving van zonde, vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, want anders kunnen wij niet verwachten, dat Gij met ons zult gaan. En:
c. Om de voorrechten van een bijzonder volk. "Neem ons aan tot een erfdeel, waarop Gij bijzonder het oog zult hebben, waarover Gij zorg zult hebben, en waarin Gij U zult verlustigen." Deze dingen had God reeds aan Mozes beloofd, er hem de verzekering van gegeven, en toch bidt hij erom, niet als twijfelend aan de oprechtheid van Gods schenkingen maar als iemand, die ze gaarne bevestigd wil zien. Gods beloften zijn bedoeld en bestemd, niet om ons gebed te doen ophouden, maar om er ons in te besturen en toe aan te moedigen. Zij, die goede hoop hebben door genade, dat hun zonden vergeven zijn moeten toch blijven bidden om vergeving, om de vernieuwing van hun vergeving, en om er al meer en meer de verzekerdheid van te hebben in hun ziel. Hoe meer wij zien van Gods goedheid, hoe meer wij ons moeten schamen om onze zonden en hoe meer begerig wij moeten zijn om deel te hebben aan die goedheid. God had aan het einde van de bekendmaking gezegd, dat Hij de ongerechtigheid aan de kinderen zou bezoeken, en dit nu bidt Mozes af: Heere, vergeef hun niet slechts, maar ook hun kinderen, en laat onze verbondsbetrekking met U als een erfdeel overgaan op ons nageslacht. Zo heeft Mozes als een man, aan wie het algemeen welzijn werkelijk ter harte gaat, gebeden zelfs voor de kinderen, die nog geboren moesten worden. Maar het is wel een vreemde pleitgrond, die hij aanvoert: want dit is een hardnekkig volk. God had dit als een reden gegeven, waarom Hij niet met hen wilde gaan, Hoofdstuk 33:3. "Ja", zegt Mozes, "daarom juist is het nodig, dat Gij met ons gaat, want hoe slechter zij zijn hoe nodiger Uw tegenwoordigheid onder hen is, hoe meer behoefte zij hebben aan Uw tegenwoordigheid en genade om hen beter te maken." Mozes ziet hen zo hardnekkig, dat hij voor zich evenmin geduld als macht heeft om met hen te handelen. "Daarom, Heere, kom Gij onder ons, en blijf met ons, want anders zullen zij nooit ontzag blijven behouden. Gij zult hen sparen en verdragen want Gij zijt God, en geen mens, Hosea 11:9.