Psalm 73:15-20
Wij hebben gezien in hoe sterke verzoeking de psalmist was, om de voorspoed van de goddelozen te benijden, nu wordt ons hier gezegd, hoe hij staande is gebleven en de overwinning heeft behaald.
I. Hij bleef eerbied behouden voor Gods volk, en daarmee weerhield hij zich van uit te spreken wat hij verkeerd had gedacht, vers 15. Hij heeft trapsgewijze de overwinning behaald, en dit was het eerste punt, dat hij had gewonnen. Hij was op het punt van te zeggen: Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en hij dacht reden te hebben om het te zeggen, maar hij sloot zich de mond met deze over weging: "Indien ik zou zeggen: ik zal ook alzo spreken, zie, dan zou ik afvallig worden van, en de grootste ergernis geven aan, het geslacht van Uw kinderen."
Merk hier op:
1. Hoewel hij iets verkeerds dacht, droeg hij zorg om de boze gedachte, die bij hem opgekomen was, niet uit te spreken. Het is slecht om kwaad te denken, maar het is erger om het te spreken, want dat is aan de boze gedachte een Imprimatur een openlijke goedkeuring te geven, het is er toestemming aan te geven, en haar openlijk bekend te maken tot besmetting van anderen. Maar het is een teken dat wij berouw hebben van het boze verdichtsel van het hart, als wij het onderdrukken en de dwaling voor ons houden. Indien gij dus zo dwaas zijt geweest van kwaad te denken, "wees dan zo wijs om uw hand op uw mond te leggen," en laat het niet verder gaan, Spreuken 30:32. Indien ik zou zeggen: ik zal ook alzo spreken.
Merk op: hoewel zijn verdorven hart deze gevolgtrekking afleidde uit de voorspoed van de goddelozen, heeft hij daar toch niet van gesproken met hen, die hem omringden, voordat hij het alles bij zichzelf had overlegd, om te weten of het al of niet voegzaam was om er van te spreken. Wij moeten twee maal denken voor wij eenmaal spreken, omdat sommige dingen wel gedacht, maar niet gesproken mogen worden, en ook omdat het tweede denken de vergissing van het eerste kan herstellen.
2. De reden, waarom hij niet alzo wilde spreken, was dat hij vreesde te zondigen tegen hen, die door God als Zijn kinderen worden erkend. Er zijn mensen in de wereld, die het geslacht van Gods kinderen zijn mensen, die God vrezen en liefhebben als hun Vader. Wij moeten het zorgvuldig vermijden iets te zeggen of te doen, wat deze kleinen met recht zou kunnen ergeren, Mattheus 18:6, inzonderheid hetgeen het geslacht van deze zou ergeren, hun hart zou bedroeven, hun handen zou verslappen, of hun belangen zou schaden. Er is niets, dat meer in het algemeen een zonde is tegen het geslacht van Gods kinderen, dan te zeggen dat wij ons hart tevergeefs gezuiverd hebben, of dat het nutteloos is om God te dienen, want er is niets dat meer indruist tegen hun algemeen gevoelen en hun ervaring. en ook niets dat hun meer smart aandoet, dan om op die wijze God te horen belasteren. Zij, die zich in de toestand wensen van de goddelozen, verlaten in werkelijkheid de tenten van Gods kinderen.
II. Hij voorzag het verderf van de goddelozen en hiermede wees hij de verzoeking af, zoals hij er door de vorige overweging reeds een schok aan had gegeven. Omdat hij niet durfde spreken wat hij had gedacht, uit vrees van ergernis te geven, begon hij er over na te denken of hij wel goede redenen had voor die gedachte vers 16. "Ik poogde de betekenis en bedoeling te verstaan van deze beschikking van de Voorzienigheid, maar het was mij te smartelijk, ik kon met mijn eigen verstand de moeilijkheid niet oplossen." Het is een vraagstuk, dat door het licht van de rede alleen niet tot helderheid kan worden gebracht. Indien er geen ander leven was na dit leven, dan zouden wij de voorspoed van de goddelozen niet met de rechtvaardigheid Gods overeen kunnen brengen, maar hij is ingegaan in Gods heiligdommen, vers 17, hij begaf zich tot het gebed, dacht na over de hoedanigheden Gods, en de dingen, die geopenbaard zijn voor ons en voor onze kinderen, hij raadpleegde de Schrift en de mond van de priesters, die in het heiligdom dienden, hij bad God om hem die zaak duidelijk te maken, en hem over die moeilijkheid heen te helpen, en eindelijk verstond hij het rampzalig einde van de goddelozen, en hij voorzag duidelijk dat dit van zodanige aard was, dat zij zelfs op de middaghoogte van hun voorspoed eerder te beklagen dan te benijden waren, daar zij slechts rijpten voor het verderf. Er zijn veel grote dingen, die wij nodig hebben te weten, maar die wij niet anders te weten kunnen komen dan door in Gods heiligdom in te gaan door het woord en het gebed. Daarom moet het heiligdom de toevlucht zijn van een aangevochten ziel. Wij moeten over personen en zaken oordelen naar zij gezien worden in het licht van de Goddelijke openbaring, dan zullen wij een recht oordeel oordelen, wij moeten inzonderheid oordelen naar het einde, alles is wel wat wel eindigt, maar niets is wel, dat slecht eindigt, dat eeuwig slecht zal zijn. De beproevingen van de rechtvaardige eindigen in vrede, en daarom is hij gelukkig, de genietingen van de goddeloze eindigen in verwoesting en daarom is hij rampzalig.
A. De voorspoed van de goddeloze is kort en onzeker, de hoogten, waarop hij door Gods voorzienigheid gesteld is, zijn glibberig, vers 18, het zijn gladde plaatsen, waar zij niet lang vast op staan kunnen, maar als zij het beproeven om nog hoger te klimmen dan zal die poging hen doen uitglijden en vallen. Hun voorspoed heeft geen goede, vaste grond, hij is niet gebouwd op Gods gunst of belofte, en zij hebben de voldoening niet van te gevoelen, dat hij op een vaste grondslag rust.
B. Hun verwoesting is gewis, plotseling en zeer groot. Dit kan niet bedoeld zijn van enigerlei tijdelijke verwoesting, want zij waren verondersteld al hun dagen in het goede te verslijten, en zelfs tot hun dood waren er geen banden. In een ogenblik dalen zij in het graf, zodat zelfs dit nauwelijks hun verwoesting genoemd kan worden, het moet dus bedoeld zijn van eeuwige verwoesting aan de andere kant van de dood: de hel en het verderf. Zij bloeien voor een tijd, maar zijn voor eeuwig verloren.
a. Hun verderf is gewis en onvermijdelijk, hij spreekt ervan als van een afgedane zaak, worden nedergeworpen, want hun verwoesting is even gewis, alsof zij reeds over hen gekomen was. Hij spreekt ervan als van Gods doen, en daarom kan het niet weerstaan worden, "Gij doet hen vallen, het is een verwoesting van de Almachtige," Joël 1:15- "van de heerlijkheid van Zijn sterkte, 2 Thessalonicenzen i: 9. Wie kan hen staande houden, die God wil nederwerpen, op wie God lasten wil leggen?
b. Het is snel en plotseling. Hun verdoemenis sluimert niet, want hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting! vers 19. Zij wordt gemakkelijk teweeggebracht en zal een verrassing zijn voor hen en voor hun omgeving.
c. Zij is streng en zeer schrikkelijk. Zij is algeheel, het is een volkomen verwoesting, zo worden teniet van verschrikking. Het is de rampzaligheid van de verdoemden, dat de verschrikkingen van de Almachtige, die zij tot hun vijand hebben gemaakt, over hun schuldig geweten komen, dat hen er noch tegen kan beschutten, noch hen er onder kan versterken, en daarom moet niet hun wezen, hun bestaan, maar hun gelukzaligheid teniet worden, niet de minste vertroosting, geen straal van hoop blijft hun over, hoe hoger zij opgeheven waren in hun voorspoed, hoe ontzettender hun val zal zijn, als zij neergeworpen worden in verwoestingen, en plotseling, als in een ogenblik tot verwoesting worden.
C. Hun voorspoed is dus volstrekt niet benijdenswaardig, maar veeleer te verachten-'quod eraf demonstrandum-dat het punt was, dat aangetoond moest worden," vers 20. Als een droom na het ontwaken, als Gij opwaakt, o Heere, of als zij opmaken, -zo lezen het sommigen-zult Gij hun beeld verachten, hun beeld, hun schaduw, en haar doen verdwijnen. Ten dage van het grote oordeel - dat is de lezing van de Chaldeeuwsen paraphrast, -als zij ontwaken uit hun graven, zult Gij in toorn hun beeld verachten, want zij zullen ontwaken tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing.
Zie hier:
a. Wat hun voorspoed is, hij is slechts een beeld, een ijdele vertoning, een gedaante van de wereld, die voorbijgaat. Hij is niet wezenlijk, meer denkbeeldig, en het is slechts een verdorven verbeelding, die hem tot een geluk maakt, hij is geen substantie, geen wezen, maar een schaduw, hij is niet wat hij schijnt te zijn, ook zal hij onze verwachting, die wij van hem hebben, niet verwezenlijken. Hij is als een droom, die ons een weinig kan behagen en strelen, maar tegelijkertijd onze rust verstoort. Maar hoe lieflijk en aangenaam hij ook schijnt te zijn, het is alles slechts bedrog, zoals wij bevinden als wij ontwaken. Een "hongerige droomt dat hij eet, maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel ledig," Jesaja 29:8. Een mens is er niet rijker of achtbaarder om, wijl hij droomt dat hij het is. Wie zal dus iemand het genot of genoegen van een droom benijden?
b. Hoe hij eindigen zal. God zal ontwaken ten oordeel, om Zijn eigen en Zijns volks benadeelde zaak te bepleiten, zij zullen uit de slaap van hun vleselijke gerustheid opgewekt worden, en dan zal God hun beeld verachten, Hij zal voor de gehele wereld doen blijken hoe verachtelijk het is, zodat de rechtvaardigen over hen zullen lachen, Psalm 52:7, 8. Hoe heeft God het beeld veracht van die rijke, toen Hij beide: "Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen!" Lukas 12:19, 20. Wij behoren van Gods mening te zijn, want Zijn oordeel is naar waarheid, en niet datgene te bewonderen en te benijden, hetwelk Hij veracht en zal verachten, want vroeg of laat zal Hij de wereld van een mening doen zijn.