Psalm 52:8-11
David was te die tijde in grote benauwdheid het kwaad, dat Doëg hem gedaan had, was slechts het begin van zijn smarten, en toch zien wij hem hier juichen, triomferen, en dat is meer dan roemen in de verdrukking. De apostel Paulus is in het midden van zijn benauwdheden in het midden van zijn triomfen, 2 Corinthiers 2:14. David triomfeert hier:
I. In de val van Doëg. Maar opdat dit niet het aanzien zou hebben van een persoonlijke wraakoefening, spreekt hij er hier niet van als van zijn eigen daad, maar legt hij die woorden anderen godvruchtigen in de mond. Zij zullen Gods oordelen over Doëg opmerken en ervan spreken:
1. Tot eer van God: zij zullen het zien en vrezen, vers 5, zij zullen de gerechtigheid Gods eren, en ontzag voor Hem hebben als een God van almachtige kracht, voor wie de hoogmoedigste zondaar niet bestaan kan, en voor wie dus een ieder an onze zich behoort te verootmoedigen. Gods oordelen over de goddelozen moeten de rechtvaardigen vervullen van ontzag voor Hem, hen bevreesd maken om God te beledigen en Zijn misnoegen op te wekker, Psalm 119:120, Openbaring 15:3, 4.
2. Tot beschaming van Doëg. Zij zullen over hem lachen, niet met een grappig lachen, maar met een verstandig, ernstig lachen, gelijk "Hij die in de hemel woont, zal lachen," Psalm 2:4. Hij zal bespottelijk schijnen, en waard dat er om hem gelachen wordt. Er wordt ons gezegd hoe zij zullen triomferen in Gods rechtvaardige oordelen over hem, vers 9. Ziedaar de man, die God niet stelde tot zijn veste stelde. Het kan niet anders, of de val van rijke, machtige personen moet algemeen opgemerkt worden, en iedereen zal geneigd zijn er zijn aanmerkingen op te maken, en dit nu is de aanmerking, die de rechtvaardigen op Doëgs val maken zullen: dat men niets beters kon verwachten, daar hij de verkeerde methode volgde om zich in zijn rijkdom en macht te bevestigen. Indien een pas opgericht gebouw instort, dan zal iedereen terstond vragen: waar was de fout bij het bouwen? Hetgeen nu het verderf was van Doëgs voorspoed, was:
a. Dat hij hem niet op een rots heeft gebouwd: hij stelde God niet tot zijn sterkte, hij heeft niet bedacht dat de bestendiging van zijn voorspoed afhing van de gunst van God, en daarom heeft hij er niet voor gezorgd om zich die gunst te verzekeren of zich te bewaren in Gods liefde daar hij zijn plicht niet jegens Hem deed, of Hem ook maar in het minst gezocht heeft. Diegenen vergissen zich schromelijk, die denken zich in hun macht en rijkdom staande te kunnen houden zonder God of Godsdienst.
b. Dat hij hem op zand gebouwd heeft. Hij dacht dat zijn rijkdom zich vanzelf staande zou kunnen houden: hij vertrouwde op de veelheid van zijn rijkdom, die, naar hij waande, opgelegd was voor vele jaren, ja hij dacht dat zijn goddeloosheid zou medewerken om hem staande te houden. Hij was besloten voor niets terug te deinzen om zijn eer en macht te beveiligen en te bevorderen, door recht of door onrecht wilde hij verkrijgen wat hij kon en behouden wat hij had, en het verderf wezen van ieder, die hem in de weg stond, en dit, dacht hij, zou hem versterken, zij, die van niets een gewetenszaak maken kunnen alles hebben. Maar zie nu wat ervan komt, zie met wat ongebluste kalk hij zijn huis gebouwd heeft, nu het is gevallen en hij zelf onder de puinhopen begraven is. II. In zijn eigen vastheid, vers 10, 11. "Deze geweldige is ontworteld, maar ik zal zijn als een groene olijfboom, geplant en geworteld, vaststaande en bloeiende, hij is uit Gods woning verdreven, maar ik ben er in bevestigd, niet, zoals Doëg, opgehouden, door iets anders dan het overvloedige genot, dat ik er vind." Zij, die door geloof en liefde in Gods huis wonen, zullen er als groene olijfbomen wezen. Van de goddelozen wordt gezegd, dat zij bloeien als een laurierboom, Psalm 37:35, die geen nuttige vruchten draagt, hoewel hij overvloed van grote bladeren heeft, maar de rechtvaardigen bloeien als een groene olijfboom, die vet is, zowel als bloeiend, Psalm 92:15, en "met zijn vettigheid God en de mensen eert," Richteren 9:9, zijn wortel en vettigheid aan de goeden olijfboom ontleent Romeinen 11:17.
Wat nu moeten wij doen om als groene olijfbomen te kunnen wezen?
1. Wij moeten een leven leiden van geloof en heilig vertrouwen op God en Zijn genade. "Ik zie wat er komt van van de mensen vertrouwen op de veelheid van hun rijkdom, en daarom vertrouw ik op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos, niet op de wereld, maar op God, niet op mijn eigen verdiensten, maar op Gods goedertierenheid, waarmee Hij zijn gaven mildelijk uitdeelt, zelfs aan de onwaardigen, en die genoegzaam zijn om ons deel en ons geluk te wezen." Deze goedertierenheid is tot eeuwigheid, zij is bestendig en onveranderlijk, en haar gaven zullen tot in eeuwigheid voortduren, daarom moeten wij er tot in eeuwigheid op vertrouwen, en nooit van dat fundement afgaan.
2. Wij moeten een leven leiden van dankbaarheid en heilige vreugde in God, vers 11. "Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt, het bloed van Uw priesters hebt gewroken op hun bloeddorstigen vijand, hem bloed te drinken hebt gegeven en aan mij Uwe belofte vervuld hebt." Hij was er even zeker van, dat dit te bestemder tijd geschieden zou, alsof het reeds geschied was. Het draagt zeer veel bij tot de schoonheid van onze belijdenis en tot onze vruchtbaarheid in iedere genadegave, om veel bezig te zijn in de lof van God, en het is zeker, dat het ons nooit aan stof ontbreekt om God te loven.
3. Wij moeten een leven leiden van verwachting en ootmoedig vertrouwen op God: ik zal Uw naam verwachten, ik zal op U wachten in al de wegen en middelen, waarin Gij U bekend hebt gemaakt, hopende op de ontdekking van Uwe gunst jegens mij, en gewillig om er tot de bestemden tijd op te blijven wachten want hij is goed voor Uw gunstgenoten," of in de mening en het oordeel van Uw gunstgenoten waarmee David van harte instemt. Communis sensus fidelium Al de heiligen zijn van dat gevoelen.
a. Dat Gods naam goed is in zichzelf, dat Gods openbaringen van zichzelf genadig en zeer vriendelijk zijn, er is geen andere naam gegeven dan deze, om onze toevlucht en hoog vertrek te zijn.
b. Dat het zeer goed voor ons is om op die naam te wachten, hem te verwachten, dat er niets beters is om onze geest, ons gemoed, tot rust en kalmte te brengen als het ontrust of ontroerd is, en ons te houden op de weg van onze plicht als wij in verzoeking zijn om tot onze hulp of verlichting van verkeerde middelen gebruik te maken, dan te hopen en rustig "te wachten op het heil des Heeren," Klaagliederen 3:26. Al de heiligen hebben het voordeel ervan ervaren, die nooit tevergeefs op Hem gewacht hebben, nooit Zijn leiding hebben gevolgd of liet is goed uitgekomen, en nooit beschaamd zijn geworden in hun gelovige verwachting van Hem. Laat ons dan in hetgeen goed is voor alle heiligen blijven, en er overvloedig in zijn, en inzonderheid hierin: "Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht geduriglijk op uw God," Hosea 12:7.