Spreuken 30:29-33
Hier is:
1. Een opsomming van vier dingen, die majestueus en statig zijn in hun gang, en een groot aanzien hebben.
A. Een leeuw, de koning van de dieren, omdat hij het sterkst is onder de dieren. Onder de dieren is het kracht, die de voorrang geeft, maar het is te betreuren dat het ook zo is onder de mensen, wier wijsheid hun eer is niet hun sterkte en kracht. De leeuw zal niet onteren, zijn tred niet veranderen uit vrees voor enigerlei vervolger, daar hij wel weet dat hij allen te sterk is. Hierin zijn de rechtvaardigen stoutmoedig als leeuwen, dat zij niet omkeren van hun plicht uit vrees voor moeilijkheden, die zij er bij ontmoeten.
B. De windhond, die gegord is in de lenden en geschikt is voor de snelle loop, Of een paard dat niet onvermeld moet blijven onder de schepselen, die een goede gang maken, want die heeft het, inzonderheid als het fraai opgetuigd is.
C. Een bok, die een fraaie gang heeft als hij vooraan gaat en de kudde leidt. Het is de schoonheid van levenshouding van een Christen als hij voorgaat in goede werken, en anderen op de goede weg leidt.
D. Een koning, die men, als hij verschijnt in zijn majesteit aanziet met eerbied en ontzag en dan komen allen overeen dat hij niet tegen te staan is, niemand kan zich met hem vergelijken, niemand kan met hem twisten, wie het doet het is op zijn gevaar. En indien een aards vorst niet te weerstaan is, wee dan hem, die twist met zijn Maker. De bedoeling is dat wij in alle deugdzame handelingen van de leeuw moeten leren kloekmoedigheid te betrachten, en niet om te keren voor een moeilijkheid, die wij op de weg van onze plicht ontmoeten, van de windhond kunnen wij vlugheid en spoed leren, van de bok de zorg voor ons gezin en voor hen, die onder onze hoede geplaatst zijn, en van een koning, om onze kinderen in onderdanigheid te houden met alle stemmigheid, en van hen allen om een goede gang te maken, de treden van onze wandel vast te maken, zodat wij niet alleen veilig maar sierlijk zijn in ons gaan
2. Een vermaning om ten allen tijde in ons humeur te blijven, en als wij geprikkeld en getergd worden op onze hoede te zijn om niet te ver te gaan in onze toorn, inzonderheid als wij met een koning te doen hebben, die niet tegen te staan is, als het een heerser is, of iemand die ver boven ons staat, die beledigd is, de regel blijft altijd dezelfde.
A. Wij moeten ons beteugelen en onze hartstocht bedwingen, en ons schamen als wij terecht van een fout beschuldigd worden, en niet volhouden dat wij onschuldig zijn. Zo wij dwaas gehandeld hebben met ons te verheffen, hetzij in trotse eigenwaan of in gemelijke weerstand tegen hen, die boven ons geplaatst zijn, als wij de wet van onze plaats en onze stand hebben overtreden, dan hebben wij daarin dwaas gehandeld. Zij, die zich groot maken boven anderen of tegen anderen, die hoogmoedig en beledigend zijn, brengen slechts schande over zichzelf en verraden hun eigen zwakheid, ja indien wij slechts kwaad gedacht hebben, als wij ons bewust zijn een boos voornemen in ons hart gekoesterd te hebben, of dat het ons ingeblazen werd, dan moeten wij onze hand op onze mond leggen.
a. wij moeten ons verootmoedigen voor het verkeerde, dat wij gedaan hebben in het stof liggen voor Gods aangezicht, in droefheid er over, zoals Job gedaan heeft, toen hij berouw had over hetgeen hij dwaas gezegd heeft, Job 39:37, ik leg mijn hand op mijn mond, en zoals de melaatsen, die hun bovenste lip bedekten. Als wij dwaas gehandeld hebben, dan moeten wij daar voor de mensen niet bij blijven, maar door stilzwijgen onze schuld bekennen, dat het beste middel zal wezen om hen, die wij beledigd hebben, te bevredigen.
b. Wij moeten de boze gedachte, die wij opgevat hebben, onderdrukken, zodat zij zich niet uit in boze woorden. Geef aan de boze gedachte geen imprimatur, een verlof om te verschijnen, vergun haar niet om openbaar gemaakt te worden, maar leg uw hand op uw mond, gebruik een heilig geweld op uzelf, als het moet, en leg uzelf het zwijgen op, zoals Christus de boze geesten niet toestond te spreken. Het is slecht om kwaad te denken, veel erger is het om het te spreken, want hierin ligt een toestemming met de boze gedachte opgesloten, en de wil om er anderen mee te besmetten.
B. Wij moeten de hartstochten van anderen niet prikkelen. Sommigen zijn zo tergend in hun woorden en in hun doen, dat zij toorn voortbrengen, zij maken hen, die hen omringen, toornig of zij willen of niet, maken hen driftig, die niet alleen niet tot drift of toorn geneigd zijn, maar er tegen zijn. Dit dwingen tot toorn brengt twist teweeg, en waar deze is, daar is verwarring en alle boze handel. Gelijk het heftige schudden van de room al het goed uit de melk tevoorschijn brengt, en een harde klap op de neus er bloed uit zal doen komen, zo zal het dwingen van de toorn om uit te barsten, lichaam en geest van de mens verteren, en hem beroven van al het goed, dat in hem is. Of wel, zoals met liet karnen van melk, en het bloeden van de neus, datgene zal geschieden door geweld, wat anders niet zou geschieden, zo is het met de geest, die langzamerhand door drift en hartstocht in vlam geraakt, het éne boze woord brengt het andere voort, en dat wederom een derde, het een hartstochtelijke debat levert de stof voor een tweede, en zo gaat het voort, totdat het eindigt in onverzoenlijke veten. Zo laat dan niets gezegd of gedaan worden door geweld, maar laat alles met zachtheid en kalmte geschieden.