2 Thessalonicenzen 1:1-4
Wij hebben hier:
I. De inleiding, vers 1, 2, in dezelfde woorden als in den vorigen brief, waaruit wij zien dat de apostel het niet verdrietig vond dezelfde dingen nogmaals te schrijven, Filippenzen 3:1. In zijn brieven gaf hij dezelfde dingen als in zijne prediking, en zo schreef hij gaarne aan de andere gemeente hetzelfde wat hij aan de ene geschreven had. Het gebruiken van dezelfde woorden in dezen brief als in den vorigen, toont ons dat dienaren niet zozeer moeten letten op verscheidenheid en schoonheid van stijl als wel op de waarheid en nuttigheid van de leer, die zij verkondigen. En vooral moet er tegen gewaakt worden dat zij, door voorliefde voor nieuwheid van zegswijze en zinsbouw, nieuwe gedachten of leerstellingen zouden binnenvoeren, die strijdig zijn met den natuurlijken of den geopenbaarden godsdienst, waarop deze gemeente der Thessalonicenzen was gebouwd, evenals alle ware gemeenten, namelijk in God onzen Vader en in den Heere Jezus Christus.
Il. De apostel betuigt de grote achting, welke hij voor hen gevoelt. Hij had niet enkel grote genegenheid voor hen (zoals hij in zijn vorigen brief had gezegd, en nu in zijn ernstigen wens om genade en vrede voor hen opnieuw doet blijken) maar hij gevoelt grote achting voor hen, waaromtrent wij het volgende opmerken:
1. Hoe hij die achting voor hen te kennen geeft:
A. Hij verheerlijkte God met het oog op hen.
Wij moeten God te allen tijd over u danken, broeders, gelijk billijk is. Hij gaf er den voorkeur aan om over hetgeen in hen prijzenswaard was te spreken in den vorm van dankzegging aan God, dan door prijzen van hen. En hetgeen hij noemt als reden van blijdschap, was hem een oorzaak van dankzegging. En zo behoort het ook te zijn, want wij zijn Gode dankbaarheid schuldig voor alles goeds, dat in ons of in anderen gevonden wordt, en het is niet alleen een daad van vriendelijkheid jegens onze mede-Christenen, maar ook onze plicht, God daarvoor te danken.
B. Wij zelven roemen van u in de gemeenten Gods, vers 4. De apostel vleide zijn vrienden nooit, maar hij vond het aangenaam hen te prijzen, wèl van hen te spreken, ter ere Gods en ter aanmoediging van anderen. Paulus roemde niet in zijn eigen gaven, noch in zijn arbeid onder hen, maar hij roemde in de genade Gods, die hun geschonken was, en daarom was zijn roem goed, want alle prijs dien hij hun gaf en al de blijdschap, die hij zelf had, verenigde zich tot prijs en verheerlijking Gods.
2. Waarvoor hij hen achtte en God dankte: namelijk de toeneming van hun geloof, en liefde, en lijdzaamheid. In zijn vorigen brief, 1:3, had hij gedankt voor hun geloof, liefde en lijdzaamheid, hier dankt hij voor het toenemen van deze drie genaden, zij waren niet alleen oprechte Christenen, maar zij waren ook groeiende Christenen. Waar de waarheid der genade is, daar zal ze ook groeien. Het pad der rechtvaardigen is een schijnend licht, voortgaande en schijnende tot den vollen dag. En waar toeneming van genade is, moet God er alle eer voor ontvangen. Wij zijn Hem evenveel verschuldigd voor den wasdom der genade en den voortgang van het goede werk, als wij waren voor den aanvang der genade en haar eerste begin. De verzoeking kan over ons komen om te denken, dat wij ons zelven niet goed maken konden toen wij slecht waren, maar dat wij nu gemakkelijk ons zelven verbeteren kunnen, doch wij zijn voor het toenemen der genade even afhankelijk van God als voor haar aanvang. De reden voor Paulus' dankzegging ten opzichte van de Thessalonicenzen was:
A. Dat hun geloof zeer wies, vers 3. Zij werden meer en meer bevestigd in de waarheid van de openbaring des Evangelies en in de beloften des Evangelies, en hadden levendige verwachting van de toekomende wereld. De groei van hun geloof bleek uit de werken des geloofs, en waar het geloof groeit, nemen alle andere genaden naar verhouding toe.
B. Hun liefde werd overvloedig, hun liefde voor God en de mensen. Wanneer het geloof groeit, zal de liefde overvloedig worden, want het geloof werkt door de liefde, en niet alleen de liefde van sommigen onder hen, maar van u allen werd overvloedig. Er waren onder hen niet zoveel partijen als in andere gemeenten.
C. Hun lijdzaamheid zowel als hun geloof wies, in al hun vervolgingen en verdrukkingen. En de lijdzaamheid heeft een volmaakt werk, wanneer zij zich uitstrekt tot alle beproevingen. De Thessalonicenzen moesten veel vervolgingen verdragen voor de zaak der rechtvaardigheid, zowel als andere moeilijkheden, die hen in dit kommervol leven overvielen, maar zij verdroegen ze, door het geloof ziende den Onzienlijken, en verwachtende de vergelding des loons. Zij verdroegen ze met lijdzaamheid, niet met ongevoeligheid, maar met de lijdzaamheid, die haar oorsprong heeft in de Christelijke beginselen, welke hen kalm en onderworpen deden zijn, en inwendig aangordden met kracht en draagkracht.