Hooglied 8:5-7
I. De bruid wordt zeer bewonderd door degenen, die om haar heen zijn. Dit komt hier als een tussenzin, maar evangeliegenade is er even duidelijk in te zien, als waar ook in dit mystieke lied. Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en lieflijk leunt op haar liefste? Sommigen achten, dat dit de woorden zijn van de Bruidegom, zich uitende als wel voldaan met haar vertrouwen op Hem en haar overgegevenheid om zich door Hem te laten leiden. Maar het zijn veeleer de woorden van de dochters van Jeruzalem, tot wie zij sprak, vers 4. Zij zien haar en zegenen haar, de engelen in de hemel en al haar vrienden op aarde zijn de blijde aanschouwers van haar geluk. De Joodse kerk kwam op uit de woestijn, ondersteund door de goddelijke macht en gunst, Deuteronomium 32:10, 11. De christelijke kerk werd opgewekt uit een lagen en treurige toestand, door de genade van Christus, waarop gesteund was, Galaten 4:27. Particuliere gelovigen zijn dan beminnelijk, ja bewonderenswaardig, en Goddelijke genade is dan in hen te bewonderen als zij door de kracht van de goddelijke genade opgevoerd worden uit de woestijn, leunende met een heilig vertrouwen en welbehagen op Jezus Christus, hun liefste. Dit wijst op de schoonheid van een ziel, en de wonderen van Gods genade.
1. In de bekering van zondaren. Een zondige toestand is een woestijn, ver verwijderd van gemeenschap met God, dor en onvruchtbaar en waarin geen ware vertroosting is, het is een staat van omdolen en gebrek, uit deze woestijn moeten wij opkomen door waar berouw en in de kracht en genade van Christus, ondersteund door onze liefste en gedragen in Zijn armen.
2. In de vertroosting van de heiligen. Een ziel die overtuigd is van zonde, en er waarlijk verootmoedigd om is, is in een woestijn, geheel verlegen en verloren, en uit deze woestijn kunnen wij niet anders opkomen dan leunende op Christus als onze liefste, door het geloof, en niet steunende op ons verstand, noch betrouwende op enigerlei kracht of gerechtigheid van onszelf als genoegzaam voor ons, maar uitgaande en henengaande in de mogendheden van de Heer der Heeren, en Zijn gerechtigheid vermeldende, de Zijne alleen, die de Heere onze gerechtigheid is.
3. In de veiligheid van hen, die Christus toebehoren. Wij moeten opkomen uit de woestijn van deze wereld, hebbende onze wandel in de hemel en bij de dood moeten wij derwaarts henengaan, leunende op Christus, wij moeten leven en sterven door geloof in Hem, het leven is mij Christus, en Hij is het die gewin is in het sterven.
II. Zij richt zich tot haar liefste.
l. Zij herinnert Hem aan de vroegere ervaringen, die zij en anderen gehad hebben van vertroosting en voorspoed als zij zich tot Hem hebben gewend.
a. Wat haarzelf betreft: "Onder de appelboom heb ik u opgewekt, ik heb menigmaal met u geworsteld in het gebed en heb overmocht, als ik in de oefeningen van de godsvrucht alleen was, mij had teruggetrokken in een boomgaard onder de appelboom" (waar Christus zelf bij vergeleken was, Hoofdstuk 2:3,) zoals Nathanaël onder de vijgeboom, Johannes 1:49 overpeinsde en bad, toen heb ik u opgewekt om mij te helpen en te vertroosten, zoals de discipelen Hem opgewekt hebben in de storm, zeggende: Meester, bekommert het u niet dat wij vergaan? Markus 4:38, en de kerk, Psalm 44:24 :Waak op, waarom zoudt Gij slapen? De ervaring, die wij gehad hebben van Christus' bereidwilligheid om toe te geven aan de aandrang van ons geloof en gebed, moet ons aanmoedig en om te volharden in het gebed, om nog vuriger te worstelen en niet te verslappen, ik heb de Heer gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, Psalm 34, 5.
b. Ook anderen hadden dezelfde ervaring van vertroosting in Christus, gelijk volgt in vers 6 van dezelfde Psalm: zij hebben op Hem gezien, zowel als ik, en werden verlicht. Daar heeft uw moeder u voortgebracht, de algemene kerk, of de gelovige zielen, in welke Christus een gestalte heeft gekregen, Galaten 4:19. Zij waren in arbeid voor de vertroosting van deel in U te hebben, en waren in barensnood met grote smart dat is hier de betekenis van het woord, maar zij hebben u voortgebracht, de weeën hebben niet altijd geduurd, zij, die in arbeid waren in overtuiging van zonde, hebben eindelijk vertroostingen voortgebracht, en de smart was vergeten in de blijdschap van de geboorte van de Verlosser. Door deze zelfde gelijkenis verklaart onze Heiland de blijdschap die Zijn discipelen zullen smaken in Zijn wederkomst tot hen na een treurige scheiding voor een tijd, Johannes 16:21. Na de bittere smart en berouw heeft menigeen een zalige vertroosting gesmaakt, waarom dan ook niet ik?
2. Zij bidt Hem dat haar vereniging met Hem bevestigd mocht worden, en haar gemeenschap met Hem mocht voortduren en inniger mocht worden, vers 6. Leg mij als een zegel aan uw hart, en als een zegel op uw arm.
a. Laat mij een plaats hebben in Uw hart, een deel in Uw liefde, dat is het wat al degenen boven alles begeren, die weten hoezeer hun geluk, hun zaligheid afhangt van de liefde van Christus.
b. "Laat mij nooit de plaats verliezen die ik heb in Uw hart, laat Uw liefde tot mij vast verzekerd zijn zoals een acte, die verzegeld is om haar niet te herroepen, het kabinet, dat verzegeld is om niet te worden beroofd. Laat nooit iets vermogen, hetzij om mij te scheiden van Uw liefde, of om door de mededeling ervan te schortend, mij te beroven van de troostrijke bewustheid ervan."
c. "Laat mij U altijd lief en dierbaar zijn, U nabij zijn zoals de zegelring aan Uw rechterhand, om er niet van gescheiden te worden, Jeremia 22:24. "
d. Wees Gij mijn hogepriester, mijn naam zij geschreven op Uw borstlap, nabij Uw hart, zoals de namen van al de stammen gegraveerd waren, als graveersel van een zegelring in de twaalf edelstenen van de borstlap van Aäron, alsmede in twee edelstenen op de twee schouders of armen van de efod, Exodus 28:11, 12, 21.
e. "Laat Ue macht voor mij aangewend worden, als een blijk van Uw liefde voor mij, laat mij niet alleen een zegel wezen op Uw hart, maar een zegel op Uw arm, laat mij gedragen, opgehouden worden in Uwe armen, en dit weten tot mijn vertroosting." Sommigen achten dat dit de woorden van Christus zijn tot Zijn bruid, haar zeggende om Hem steeds indachtig te zijn, Hem en Zijn liefde voor haar. Hoe dit nu zij, als wij begeren en verwachten dat Christus ons als een zegel op Zijn hart zal beffen, dan voorzeker kunnen wij niet minder doen dan Hem als een zegel te zetten op het onze.
3. Om aan deze bede kracht bij te zetten pleit zij op de kracht van de liefde van haar liefde tot Hem, die haar drong om aldus aan te dringen op de tekenen van Zijn liefde voor haar.
A. Liefde is een heftige, zeer sterke hartstocht. a. Zij is sterk als de dood, de smarten van een teleurgestelde minnaar zijn als de smarten van de dood, ja bij het najagen van het beminde voorwerp worden de smarten van de dood gering geacht, niet geteld. Christus liefde voor ons was sterk als de dood, want zij heeft door de dood zelf heengebroken, Hij heeft ons liefgehad en zich voor ons overgegeven. De liefde van ware gelovigen voor Christus is sterk als de dood, want zij is de dood voor alle andere dingen, zij scheidt zelfs ziel en lichaam van de gelovige, daar de ziel op de vleugels van godvruchtige liefde opwaarts stijgt naar de hemel, en dan zelfs vergeet dat zij nog met vlees is bekleed en bezwaard. In een zielsverrukking van deze liefde wist Paulus niet of hij in het lichaam of buiten het lichaam was. Door haar is de gelovige van de wereld gekruisigd.
b. De ijver is hard als het graf, dat alles verslindt en verteert. Zij, die Christus waarlijk liefhebben, ijveren over alles wat hen van Hem zou aftrekken, inzonderheid ijveren zij over zichzelf, dat zij iets zouden doen, dat Hem er toe zou brengen om zich van hen terug te trekken, veeleer dan dat zou geschieden zouden zij zich het rechteroog uitrekken, of de rechterhand afhouwen, en zou er iets harder kunnen zijn dan dat? Zwakke en sidderende heiligen, die ijveren over Christus daar zij twijfelen aan Zijn liefde voor hen, bevinden dat die ijver hen verteert als het graf, niets knaagt zo aan hun gemoed, maar dit is een bewijs van de kracht van hun liefde voor Hem.
c. Haar kolen, haar lampen en vlammen en stralen zijn zeer sterk, het zijn vlammen des Heeren, zij branden met een ongelooflijke heftigheid en onweerstaanbare kracht, als de vurige kolen, die de heftigste vlammen doen ontstaan, een krachtige, doordringende vlam, zoals de bliksem, Psalm 29:7. Heilige liefde is een vuur, dat een heftige hitte voortbrengt in de ziel en het schuim en kaf verteert, die er in zijn haar als was versmelt in een nieuwe vorm, en haar als de vonken opwaarts voert tot God en de hemel.
B. Liefde is een kloekmoedige, zegevierende hartstocht. Heilige liefde is dit, de heersende liefde tot God in de ziel is standvastig, en zal niet van Hem afgetrokken worden, noch door eerlijke, noch door oneerlijke middelen, noch door leven noch door dood, Romeinen 8:38.
a.De dood en ai zijn verschrikkingen zullen een gelovige er niet van weerhouden om Christus lief te hebben. Veel water kan wel het vuur blussen, maar zou deze liefde niet kunnen uitblussen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken, vers 7, het bruisen van deze wateren zal haar niet verschrikken, laat hen hun ergst doen, toch zal Christus de liefste zijn. Het overstromen van deze wateren zal haar niet verkillen, maar de mens instaatstellen om zich te verblijden in verdrukking. Al zou Hij mij doden, zal ik Hem toch liefhebben en op Hem betrouwen. Geen water kon Christus' liefde voor ons uitblussen, en geen rivieren haar verdrinken. De liefde zat als koning op de stromen, zo laat dan niets onze liefde tot Hem verminderen.
b. Het leven en al zijn genietingen zullen een gelovige er niet toe verlokken om Christus niet lief te hebben. Al gave hem iemand al het goed van zijn huis, om hem er vanaf te houden om Christus lief te hebben en om aan de wereld in het vlees zijn liefde te geven, hij zou het voorstel met de uiterste verachting afwijzen, zoals Christus toen Hem de koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid werden aangeboden, om Hem van Zijn onderneming te doen afzien, zei: Ga achter mij Satan, het zou ten enenmale veracht worden, bied deze dingen aan hen, die niets beters kennen. De liefde zal ons instaatstellen verzoeking terug te wijzen en er over te zegevieren, verzoekingen van de goedkeurende glimlachjes van de wereld, zowel als van haar afkeurende, dreigende blikken. Sommigen geven er deze zin aan: al gaf iemand al het goed van zijn huis aan Christus als een gelijkwaardige vergoeding voor deze liefde, ten einde er van vrijgesteld te worden, het zou ten enenmale veracht worden, Hij zoekt niet het onze maar ons, het hart niet de rijkdom. Al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud van de armen uitdeelde en de liefde niet had, zo ware het niets, 1 Corinthiers 13:1, 3. Zo zijn de gelovigen gezind voor Christus, de gaven van Zijn voorzienigheid kunnen hen niet bevredigen zonder de verzekering van Zijn liefde.