Psalm 66:13-20
De psalmist had eerst alle volken, en inzonderheid al het volk Gods, opgewekt om de Heere te loven, en nu wekt hij er zichzelf toe op en verbindt hij zich om dit te doen:
I. In zijn Godsdienstige verrichtingen, vers 13-15. Hij had anderen opgeroepen om Gods lof te zingen en Gode te juichen, maar wat hemzelf betreft, zijn besluit gaat verder: hij zal God loven en prijzen:
1. Met kostbare offeranden, die onder de wet ter eer van God geofferd werden. Alle mensen hadden het vermogen niet om deze offers te offeren of wel: de ijver ontbrak hun om zoveel onkosten te doen voor het loven van God, maar David, er wel toe in staat zijnde, is gaarne bereid om Gode op die wijze zijn hulde te brengen, vers 13. Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan. Zijn offeranden zullen in het openbaar gebracht worden, in de plaats, die God had verkoren "ik zal er mee in Uw huis gaan." Christus is onze helper, tot wie wij onze geestelijke gaven moeten brengen, en door wie zij geheiligd worden. Zij moeten van de beste soort zijn, brandoffers, die geheel verteerd werden op het altaar en waarin de offeraar niet deelde, en brandofferen van mergbeesten, niet het kreupele of het magere, maar het gemeste en dat hij op zijn eigen tafel het aangenaamste vond. God, die de beste is, moet gediend worden met het beste dat wij hebben. Het feestmaal, dat God voor ons bereidt, is "een feestmaal van vette spijzen, van mergrijke vette spijzen" Jesaja 25:6, en zodanige offeranden behoren wij Hem te brengen. Hij zal varren en rammen brengen, zo vrijgevig zal hij zijn in zijn betalen van geloften, maar niet karig zijn. Hij wilde niet offeren hetgeen hem niets kostte, maar hetgeen hem zeer veel kostte, en dat wel met rookwerk van rammen, dat is met het vet van de rammen, dat verbrand werd op het altaar, en waarvan de rook zou opgaan als de rook van wierook. Of, rammen met reukwerk. Het reukwerk is de afschaduwing van Christus' voorbede, zonder welke onze vetste offers niet welbehaaglijk zullen zijn, niet aangenomen zullen worden.
2. Door een nauwgezette vervulling van zijn geloften. Wij loven God niet op welbehaaglijke wijze voor onze redding uit benauwdheid, tenzij wij er een gewetenszaak van maken om onze geloften te betalen, die wij gedaan hebben toen wij in benauwdheid waren. Dit was het besluit van de psalmist, vers 13-14. Ik zal U mijn geloften betalen, die mijne lippen hebben geuit en mijn mond heeft uitgesproken als mij bange was.
a. Het is zeer gewoon en zeer loffelijk dat wij, als wij onder de druk zijn van een beproeving of een zegen zoeken te verkrijgen, geloften doen en ze plechtig uitspreken voor het aangezicht des Heeren, ons te verbinden om niet te zondigen, ons vaster te verbinden om onze plicht te doen, niet alsof dit een gelijkwaardige vergelding was voor de gunst van God, het is slechts een bevoegdmaking om de tekenen van die gunst te ontvangen.
b. De geloften, die wij deden toen wij bang waren, moeten niet worden vergeten als de benauwdheid voorbij is, maar nauwgezet vervuld worden want het is beter geen geloften te doen dan ze te doen en ze niet te betalen.
II. In hetgeen hij verhaalt aan zijn vrienden, vers 16. Hij roept een vergadering bijeen van Godvruchtigen, om zijn dankbare mededeling te horen van hetgeen God voor hem gedaan heeft. "Komt, hoort toe, o gij allen, die God vreest! want 1. Gij zult u met mij verenigen in mijn lofzeggingen en mij helpen in mijn dankzegging." En wij moeten even begerig wezen om de hulp te verlangen van hen, die God vrezen voor onze dankzegging voor de weldaden en zegeningen, die wij hebben ontvangen, als voor het bidden om die, welke wij verlangen.
2. "Gij zult gesticht en bemoedigd worden door hetgeen ik te zeggen heb, "de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn," Psalm 34:2
3. "Die U vrezen zullen mij aanzien, en zich verblijden," Psalm 119:74. Laat mij daarom hun gezelschap hebben, en ik zal hun verhalen, niet aan ijdele, vleselijk-gezinde lieden, die er mee zouden spotten" men moet geen paarlen werpen voor zwijnen "maar aan hen, die God vrezen en er een goed gebruik van zullen maken, wat God aan mijne ziel gedaan heeft," niet uit ijdelheid of hoogmoed, ten einde meer dan anderen voor een gunstgenoot des hemels gehouden te worden, maar tot eer van God, aan wie wij dit verschuldigd zijn, en tot stichting van anderen. Gods kinderen moeten elkaar hun ervaringen mededelen, wij behoren alle gelegenheden waar te nemen om elkaar te vertellen welke grote en goede dingen God voor ons gedaan heeft, inzonderheid die, welke Hij gedaan heeft aan onze ziel, de geestelijke zegeningen, waarmee Hij ons gezegend heeft. Door deze moeten wijzelf het meest getroffen en aangedaan zijn, en daarom ook wensen dat anderen er door getroffen zullen worden.
Wat nu was het, dat God aan zijn ziel gedaan heeft?
A. Hij had liefde in hem gewerkt voor de plicht van bidden en door Zijn genade zijn hart verruimd in die plicht, vers 17. Ik riep tot Hem met mijn mond. Maar indien God, onder andere dingen, gedaan voor onze ziel, ons niet de geest van de aanneming had gegeven, ons lerende en ons bekwaam makende, om te roepen: Abba, Vader, wij zouden het nooit gedaan hebben. Dat God ons verlof geeft om te bidden, een gebod geeft om te bidden, ons bemoedigingen geeft om te bidden, en, om het alles te kronen, een hart geeft om te bidden dat is het wat wij met dankbaarheid moeten vermelden tot Zijn lof, en dit te meer indien, als wij tot Hem geroepen hebben met onze mond, Hij verhoogd werd onder onze tong, indien wij door geloof en hoop in staat waren om Hem eer te geven, als wij genade en een zegen van Hem zochten te verkrijgen, en Hem konden loven voor een zegen in het vooruitzicht, hoewel die nog niet in ons bezit was. Door tot Hem te roepen verhogen wij Hem. Het behaagt Hem zich geëerd te echten door de ootmoedige, gelovige gebeden van de oprechten, en dit is een grote zaak, die Hij voor onze ziel gedaan heeft, dat het Hem behaagd heeft in zoverre Zijn belang met ons te verbinden, dat wij, door ons eigen welzijn te zoeken Zijn eer en heerlijkheid zoeken. Zijn verhoging was onder mijn tong, zo kan het gelezen worden, ik heb bij mijzelf overlegd hoe ik Zijn naam kon grootmaken en verhogen. Als gebeden in onze mond zijn, dan moeten lofliederen in ons hart wezen.
B. Hij had vrees in hem gewerkt voor de zonde, als vijandig aan het gebed, vers 18. Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, dan weet ik zeer goed dat de Heere mij niet gehoord zou hebben. Sommigen van de Joodse schrijvers, die besmet zijn met de zuurdesem van de Farizeen, welke is geveinsdheid, geven een zeer verdorven uitlegging aan deze woorden: Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, dat is: zeggen zij, als ik mij alleen toegeef in zonden van het hart, zonder dat de ongerechtigheid uitbreekt in mijn woorden en daden, dan zal God mij niet horen, dat is: Hij zal niet toornig op mij zijn, niet aan mij geërgerd wezen, er geen nota van nemen, om het als beschuldiging tegen mij in te brengen. alsof zonden van het hart in Gods schatting geen zonden waren! Het onware hiervan treeft onze Heiland aangetoond in Zijn geestelijke verklaring van de wet, Mattheus 5. Maar de bedoeling van deze schriftuurplaats is duidelijk: Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, dat is: Indien ik er gunstige gedachten van koester, indien ik haar bemin, er mij in toegeef, als ik haar welkom heet, er niet van wil scheiden, haar als iets lekkers onder mijn tong houd, dan zal, hoewel het slechts een zonde van het hart is, die aldus aangehouden en gekoesterd wordt, God mijn gebed niet horen, het niet aannemen, er geen behagen in hebben, en dan kan ik ook niet verwachten er een antwoord des vredes op te zullen ontvangen." Ongerechtigheid, aangezien met het hart, zal zeer zeker de vertroosting van het gebed bederven en er de goeden uitslag van verhinderen, want het offer van de goddelozen is de Heere een gruwel. Zij, die in verbond blijven met de zonde, hebben geen deel aan de belofte noch aan de Middelaar, en daarom kunnen zij niet verwachten wel te slagen in het gebed.
C. Hij had hem genadiglijk een antwoord des vredes gegeven op zijn gebed, vers 19. "Maar zeker, God heeft gehoord. Hoewel ik, mij bewust zijnde van veel dat in mij verkeerd is, begon te vrezen dat mijn gebeden afgewezen zouden, heb ik toch tot mijn vertroosting bevonden dat het Gode heeft behaagd te merken op de stem van mijn smeking." Dat heeft God gedaan voor zijn ziel, door zijn gebed te verhoren, heeft Hij hem een teken gegeven van Zijn gunst, en een bewijs dat Hij een goed werk in hem had gewrocht En daarom besluit hij, vers 20, Geloofd zij God. De twee voorgaande verzen zijn de major term en de minor term van een syllogisme (sluitrede). Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou mijn gebeden niet gehoord hebben dat is de stelling, maar zeker, God heeft geboord, dat is de aangenomen veronderstelling, waaruit hij redelijkerwijs had kunnen afleiden: "Dus heb ik niet naar ongerechtigheid met mijn hart gezien", maar in plaats van er voor zich de vertroosting van te nemen, geeft hij de eer aan God, geloofd zij God. Welke ook de voorafgaande stellingen mogen wezen, Gods eer en heerlijkheid moet altijd de conclusie zijn. God heeft mij gehoord, en daarom: Geloofd zij God. Wat wij winnen door het gebed moeten wij gebruiken met lof en dankzegging. Zegeningen, ontvangen als verhoring van ons gebed, verplichten ons zeer bijzonder tot dankbaarheid. Hij heeft mijn gebed niet afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij, opdat men niet zou denken dat de verlossing geschonken was ter wille van enigerlei waardigheid in zijn gebed, schrijft hij haar toe aan Gods goedertierenheid. Dit voegt hij er bij, bij wijze van verbetering, Net was niet mijn gebed, dat de verlossing gewerkt heeft, maar Zijn goedertierenheid, die haar heeft gezonden." God wendt ons gebed niet af omdat Hij zijn goedertierenheid niet afwendt, want deze is de grond van onze vertroostingen, en behoort daarom de stof te zijn van onze lof.