1. En Jezus, bij een latere tocht, die Hij eind september 28 van Kapérnaüm gemaakt had, bij Zijn teruggaan de scharen ziende, die Hem uit alle oorden van het land volgden (hoofdstuk . 4:25), is, terwijl Hij de discipelen met het volk in de vlakte achterliet, op een berg geklommen, die in de nabijheid was, om daar te bidden, en Hij bleef die nacht over in het gebed tot God. Toen het de volgende morgen dag werd, riep Hij uit de schare van hen, die in de ruimere zin van het woord Zijn discipelen waren (hoofdstuk . 8:21), enkelen tot Zich, die Hij wilde, en stelde er twaalf aan, dat zij met Hem zouden zijn (
Markus 3:13vv.
Lukas 6:12vv. ); en toen Hij opde hoogte van de berg gezeten was, en in een meer uitgebreide rede uitvoerig wilde verklaren, wat het wezen van Zijn rijk was en de geest van hen, die Hem toebehoren, kwamen Zijn discipelen, de twaalf, die Hij ook apostelen noemde, omdat Hij hen later wilde uitzenden, om in Zijnplaats te prediken, tot Hem, om de bepaald voor hen bestemde rede te horen.
Reeds bij de verklaring van het Oude Testament maakten wij er opmerkzaam op (1Sa 17:57), hoe de Bijbelse wijze van vertellen de voorvallen dikwijls meer met het oog op het zakelijke dan naar tijdorde rangschikt, en het niet gemakkelijk is, de laatste juist te vinden. Terwijl Wieseler in zijn chronologische Synopsis van de 4 Evangeliën van de veronderstelling uitgaat, dat Lukas met de uitdrukking in hoofdstuk . 1:3 van zijn Evangelie (kayexhv d. i. "naar de rij achter elkaar, " of "in ordelijke op elkaar volging, " onze Statenvertalers hebben: "vervolgens") bedoelde, dat hij een chronologisch gerangschikte wijze van vertellen wilde volgen, toch heeft hij bij zijn rangschikking en samenvoeging van de verschillende, in de vier Evangeliën ons meegedeelde gebeurtenissen uit het leven van Jezus ten richtsnoer genomen, en vervolgens met grote scherpzinnigheid bijna voor elke gebeurtenis de datum berekend, dat menigeen reeds heeft gemeend: "dat sluit dat het een lust is, " en de bijeenvoeging van Wieseler voor de werkelijk en ontwijfelbaar zekere Evangeliën-harmonie houdt. Wij kunnen echter die mening niet delen; wij willen integendeel één doorslaand bewijs ervoor aanvoeren, dat ook Lukas niet altijd de afzonderlijke verhalen in chronologische volgorde aan elkaar knoopte. Wat de boven aangehaalde uitdrukking van Lukas wil zeggen, zullen wij behandelen bij de plaats zelf.
Bij Lukas gaat nu (Lukas 6:1-5) het aren plukken op de Sabbat niet alleen vóór het gezantschap van de Doper (Lukas 7:18-35), maar ook vóór de spijziging van de vijfduizend (Lukas 9:10-17). De beide laatste gebeurtenissen nu vallen, zoals wij gezien hebben, in de tijd van het Paasfeest. Wieseler heeft, overeenkomstig zijn veronderstelling van de nauwkeurige chronologische orde bij Lukas, uitgerekend, dat de tweede-eerste sabbat in Lukas 6:1 , waaronder niets anders dan de eerste sabbatperiode (van de herfst van 27 tot op 34 na Chr. ) verstaan moet worden, op de 6 Nisan (= 9 april) 29 valt, het arenplukken dus 8-9 dagen voordat het Paasfeest plaats gevonden heeft. Ware dat juist, dan hadden de discipelen het verbod in Leviticus 23:14 overtreden, volgens welke voor het aanbieden van de beweeggarf op de 2de dag van het Paasfeest (16 Nisan = 19 april van het jaar 29), "geen brood, noch geroosterd koren, noch groene aren" mochten worden gegeten (vgl. Johannes 5:11vv. ) en de loerende Farizeeën hadden zeker niet nagelaten de Heere Jezus ook wegens deze wetsovertreding van Zijn discipelen verwijten te maken, waartoe zij nog veel meer recht zonden gehad hebben, dan tot de aanklacht wegens sabbatsschennis. Wij moeten dus zonder twijfel onder die nasabbat een sabbat na de tweede dag van het feest verstaan. Wij hebben echter zoals bij Lukas 6:1 nader zal worden aangetoond, aan de wekelijkse sabbat van de Paasweek (20 Nisan = 23 april, 29) te denken, zodat dientengevolge het aren plukken later dan het gezantschap van de Doper en de spijziging van de vijfduizend heeft plaatsgevonden. Werkelijk vertelt ook Mattheus (Mattheus 11:2-30) van dit gezantschap vroeger, dan van het arenplukken (Mattheus 12:1-8) en heeft bij de juiste chronologische orde bewaard, hoewel ook bij hem de spijziging van de vijfduizend (Mattheus 14:13-21) pas later volgt. Wij zouden nog meer bewijzen kunnen bijbrengen, dat er onder alle drie de Evangelisten geen enkele is, die van het begin tot het einde zijn mededeling naar chronologische orde rangschikt. Wat Lukas in het bijzonder aangaat, zo reikt bij hem de schildering van de werkzaamheid van de Heere in Galilea slechts van hoofdstuk . 4:14 tot hoofdstuk . 9:50 ; in hoofdstuk . 9:51-19:28 volgt dan een met geringe uitzondering en hem eigenaardige, noch volgens chronologische, noch volgens geografische gezichtspunten gerangschikte, zeer rijke samenstelling van evangelische stof, die door de lijst van de reizen van de Heere door Samaria naar Jeruzalem wordt bijeengehouden en met het oog op de uitgang, die de Heere te Jeruzalem zou volbrengen (hoofdstuk . 9:31), in het algemeen de uitbreiding van Zijn profetische werkzaamheid over de grenzen buiten Galilea voorstelt.
Voor het ogenblik nemen wij een overzicht over de werkzaamheid van de Heren in Galilea vóór ons, en dan zullen wij spoedig van de rangschikking, die de heilige Evangelisten volgen, deze indruk verkrijgen: 1) dat zij steeds slechts afzonderlijke groepen van bij elkaar behorende geschiedenissen samengevoegd hebben, groepen, die nu eens een grotere, dan weer een kleinere omvang hebben, ja menigmaal slechts een enkele afdeling omvatten; 2) deze groepen hebben zij op vrije wijze, zoals de orde van zaken, die ieder volgde, voor hem meebracht, aan elkaar gevoegd, waarbij dikwijls meer de plaats, waarheen het begin van de groep heenwees, dan de tijd waartoe zij behoorde, of enig ander gewichtig punt aanleiding gaf; 3) door vergelijking van alle drie de berichten met elkaar kan de juiste tijdsorde wel gevonden worden, wanneer men slechts met ware eenvoudigheid tewerk gaat en zich aan het woord van de waarheid met onbevooroordeeld en open gemoed onderwerpt. Wij zullen trachten te geven wat in onze macht is, en daar, waar het bijzonder noodzakelijk is, aanwijzen, wat ons gedrongen heeft, de chronologie zo te rangschikken, als de Evangeliën-harmonie in het slotwoord op de vier Evangeliën aangeeft. Veel zal aanstonds in de inleiding bij elke afdeling kunnen worden opgenomen, en andere zaken, die voor de omvang van dit Bijbelwerk te uitvoerig zijn, ter zijde worden gelaten. Wat nu de hier voor ons liggende bergrede aangaat, zo is die zonder twijfel eerst gehouden, nadat Jezus reeds een tijd lang werkzaam was geweest, en in zoverre in Zijn goddelijke grootheid bekend was geworden, dat Hij met het volle gezag van Messiaanse wetgever en van toekomstige wereldrechter kon optreden, nadat zich ook een bepaalde tegenstelling van de Farizese partij tegen Hem gevormd had, die Hem bij het volk probeerde verdacht te maken, alsof Hij de instellingen van het Oude Verbond wilde omverstoten en een godsdienstig revolutionair worden; eindelijk toen onder het volk een scheiding begon te komen tussen de mensen, die Hem slechts met vleselijke gezindheid aanhingen en allerlei onreine verwachtingen van Hem koesterden, en degenen, die hun harten aan Hem overgaven en Hem tot verzameling van een eigen gemeente midden onder het kromme en verdraaide geslacht van die tijd, de beginselen aanboden in hun naar zaligheid dorstende zielen. Aan de andere zijde mogen wij de bergrede ook niet tot een te late tijd verschuiven, want zij staat in onmiddellijke samenhang met de afzondering van de twaalf apostelen, die reeds vrij vroeg plaats had, en zij brengt de goddelijke gedachten, die aan het jubeljaar van het Oude Verbond ten grondslag liggen tot hare volkomen ontvouwing voor het leven in het Nieuwe Verbond 25:55); zij valt dus zeker nog vóór de tijd, waarmee het jubeljaar van herfst 27 tot 28 n. C. eindigde, al is het ook eerst geheel aan het einde van deze tijd.
Als de berg, waarheen Jezus zou gegaan zijn en waarvan Hij Zijn rede gehouden zou hebben (naar het begin de berg van de zaligheden, of de zaligsprekingen genoemd), wijst de Latijnse overlevering de in hoofdstuk . 4:25 vermelde bergbomen van Hattin (Kurun Hattin) aan, die aan de westzijde van het meer Gennesareth 3 ½ uur van Tiberias liggen. Aan het noordeinde van een vruchtbare hoge vlakte (Ard el Hamma) gelegen verheft zich de hoogte met haar twee punten zadelvormig, ongeveer 60 voet hoog, en heeft zij uit de verte hei uitzicht als van hoornen, waarnaar het in de nabijheid gelegen dorp Hattin heet. Het is dezelfde plaats, waarbij in de beroemde slag van 4 juli 1187 de dappere sultan Saladin de macht van de Franken verbrak, koning Guido van Jeruzalem gevangen nam, het kruis, dat de bisschop van Bethlehem droeg, veroverde, en de stad ook spoedig genomen werd. Volgens zijn ligging evenals naar zijn eigenaardige vorm kan deze berg zeer goed de berg van de zaligsprekingen zijn, want Jezus is bij Zijn terugkeren van een reis door Galilea juist tot dit punt gekomen, en wil vóór Zijn terugkeren naar Kapernaüm nog een slotwoord aan de Hem natrekkende volksmenigte geven. De berg zelf, die op zijn hoogte een vlakke plaats heeft, is als het ware tot een kansel gemaakt, en staat met zijn beide naar boven gebogen einden als de kleine troon van een machtige, wiens voetbank de vaste grond van de aarde is. Hasebroek in zijn "bergen van het Nieuwe Testament" zegt over hem: "Bekoorlijker ligging kan men zich nauwelijks voorstellen. Ten noorden steekt de Hermon het zilveren hoofd in de wolken, ten zuiden verheffen de Thabor en de Karmel hun groene kruin, rechts ligt het meer Gennesareth door zijn bergen omkranst, links in het verre verschiet ruist de Middellandse Zee. Stelt men zich de Heere voor, op de berg staande, met het aangezicht naar het noorden gekeerd, dan had Hij recht voor Zich het uitzicht op de bergen, wier hoogste punt Safed draagt. Safed, de hoogste van Syrisch steden, die zich even hoog als de Thabor zelf boven de oppervlakte van de zee verheft. " Maar niet alleen de omtrek en het uitzicht van de berg van de zaligheden bevelen hem aan: ook zijn eigen gedaante en zijn voorkomen worden geprezen. "Reeds zijn bijzondere vorm schijnt hem een eigenaardige bestemming aan te wijzen. Hij is geheel groen tot aan de top, en deze is hoornsgewijs voorovergebogen als een natuurkansel over drie gesloten dalen uitstekende. Men zou voor geen redenaar een meer geschikte plaats weten te vinden, om veelvermogend op zijn toehoorders te werken. "
De berg is zeer gelukkig gelegen om hier een rede te houden. Op zijn kruin heeft hij een tamelijke vlakte en zijn schuinte is aan alle zijden uiterst gemakkelijk. Hij is dus zeer geschikt tot een kansel, of tot een plaats waar het volk kan toehoren.
Waarom de Heere juist een berg koos om Zijn rede te houden, daarvoor zal wel niet de enige oorzaak in de behoefte aan zo'n geschikte kansel geweest zijn. Immers bij andere gelegenheden koos de Heere ook elders Zijn spreekplaats, ja, aan de oevers van een meer niet zelden het schip, dat Hem voerde, daartoe uit. Maar de Berg hier ter plaatse heeft een betekenis, die de gemeente vanouds getoond heeft te voelen door de naam, die zij aan de hier gehouden rede geeft. Als de Middelaar van het Nieuwe Verbond, die komt om ons genade te brengen, waardoor alleen de wet wordt vervuld, hier Zijn mond opendoet, om ons van begin af aan zaligheid te verkondigen, dan denkt men onwillekeurig terug aan gindse Berg van de wet, die de vloek hoorde bedreigen.
De berg van de zaligheden en de berg van de wet! Inderdaad die twee vormen een tegenstelling, die reeds door hun uitwendig voorkomen wordt aangeduid, en waarin zich een nieuwe harmonie van de God van de hemel en de aarde en de God en Vader van Jezus Christus openbaart. Het verschil tussen Sinaï en Moria vinden wij hier terug. En geen wonder, want de berg van de zaligheden staat tot de berg Moria in soortgelijke betrekking als de belofte tot de vervulling. Hij, wie thans de berg van de zaligheden draagt, Hij zelf is de zegen door God op Moria aan Abraham beloofd. Hij is degene, wiens dag Abraham met verheuging verlangd heeft te zien, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest.
Wij houden de rede, die wij hier bij Mattheus vinden voor die, die Jezus in de gesloten kring van de twaalven op de oostelijke hoorn gehouden heeft, terwijl Hij vervolgens op het hoog gelegen platte land aan de voet van de beide hoornen neerdaalde, en de rede volgens haar hoofdgedachten en wezenlijken inhoud herhaalde in een rede, die meer geschikt was voor de bevatting van het volk. Deze kortere inhoud vinden wij in Lukas 6:20vv. , terwijl de eigenlijke bergrede, om met P. Lange te spreken, geheel het karakter van een rede heeft, zoals Christus die thans nog niet openlijk voor het volk kon houden. Dit geldt vooral voor de karakterisering van de Farizeeën en Schriftgeleerden en van hun gerechtigheid en van de scherpe voorstelling van het onderscheid van de leer van Jezus en van de hare. Op deze wijze kon de Heere nog niet tot het Joodse volk in het algemeen spreken, zonder Zijn volk in het grootste gevaar te brengen. Ook was het volk nog niet rijp om zo'n volheid van de waarheid te ontvangen. Zijn het echter de twaalf apostelen, tot wie de Heere Zich wendt, zo moeten wij nader bekend worden met hun namen, die Mattheus pas in hoofdstuk . 10 aanvoert, bij gelegenheid, dat de Heere hen eens uitzond. Vier maal wordt ons in de geschiedboeken van het Nieuwe Testament een lijst van hen gegeven. Zij laten zich in drie klassen elk van vier verdelen, Wij geven hier ene tafel tot overzicht.
A. MATTHEUS 10:2-4 . 1. Simon Petrus. 2. Andreas. 3. Jakobus I. 4. Johannes. 5. Filippus. 6. Bartholomeüs. 7. Thomas. 8. Mattheus 9. Jakobus II. 10. Lebbeüs. (Thaddeüs) 11. Simon Kananites. 12. Judas Iskarioth.
B. Markus 3:16-19 . 1. Simon Petrus. 2. Jakobus I. 3. Johannes. 4. Andreas. 5. Filippus. 6. Bartholomeüs. 7. Mattheus 8. Thomas. 9. Jakobus II. 10. Thaddeüs (Judas Jakobi). 11. Simon Kananites. 12. Judas Iskarioth.
C. Lukas 6:14-16 . 1. Simon Petrus. 2. Andreas. 3. Jakobus I. 4. Johannes. 5. Filippus. 6. Bartholomeüs. 7. Mattheus 8. Thomas. 9. Jakobus II. 10. Simon Zelotes. 11. Judas, broeder van Jakobus. 12. Judas Iskarioth.
D. Handelingen 1:13 . 1. Petrus. 2. Jakobus I. 3. Johannes. 4. Andreas. 5. Filippus. 6. Thomas. 7. Bartholomeüs. 8. Mattheus 9. Jakobus II. 10. Simon Zelotes. 11. Judas, broeder van Jakobus.
Het is duidelijk, dat de eerste klasse de 4 hoofdapostelen bevat, dezelfde wier roeping ons in hoofdstuk . 4:18vv. is meegedeeld. Deze zijn in B en D volgens hun betekenis in de kerk gerangschikt, terwijl in A en C de beide broederparen bij elkaar geplaatst zijn. De tweede klasse van de daaropvolgende apostelen begint in alle vier de opgaven met Filippus, omdat deze zich vroegtijdig bij de Heere heeft aangesloten (Johannes 1:43vv. ) en groot aanzien in de kerk verkreeg, Bartholomeüs is dezelfde, die in Johannes 1:45vv. Nathanaël heet. Mattheüs de tollenaar, ook Levi genoemd, is de schrijver van dit Evangelie (hoofdstuk . 9:9vv. ). De naam van Thomas betekent "tweeling" (Johannes 11:16; 20:24
). In de derde klasse staat Jakobus, de zoon van Alfeüs vooraan; Judas Iskarioth sluit de rij, terwijl hij, zoals vanzelf spreekt, in D geheel wordt voorbijgegaan. Voor Simon Kananites hebben wij in C en D Simon Zelotes (= de ijveraar), Judas de broeder van Jakobus (dus niet te verwisselen met Judas Iskarioth) en door Markus Thaddeüs (de krachtige), draagt de bijnaam naar zijn broeder Jakobus II, de broeder van de Heere (brief van Judas 1:1), en is alzo, evenals deze Jakobus, de zoon van Alfeüs, en ook Simon de ijveraar zelf een van de broeders van de Heere (hoofdstuk . 13:55). Wij behouden ons voor bij hoofdstuk . 10:4 over deze apostelen nader te spreken; voor nu houden wij vast, dat zij rondom de Heere staan als de vertegenwoordigers en hoofden van de wordende kerk; het volk daarentegen, dat op de hoge vlakte van de berg zich heeft gelegerd, is een vertegenwoordiger van de wereld, waaruit de kerk uitgebreid zal worden, en dat deze haar leden ook uit de heidenwereld zal verzamelen, waarvan een waarteken is de meer uitgebreide kring van discipelen, waarvan de Heere er overigens nog meer dan twaalf gehad heeft, en van wie Hij vervolgens zeventig zal afzonderen (Lukas 10:1vv.
). Het gezicht van de grote, naar wonderen begerige, voor het ware geloof onvatbare menigte, die Jezus op Zijn tocht vergezelde en van Hem niets anders begeerde, dan verlossing van de lichamelijke nood en niets anders verwachtte dan vervulling van haar aardse begeerten, moest Hem de overtuiging geven, dat het nu de tijd was, het Israël naar het vlees, dat zich, zoals vroeger in Judea, zo ook nu in Galilea Zijn verschijning onwaardig betoonde, en Hem verwierp met het hemelrijk, dat Hij was komen stichten, in zijn geheel op te geven, en een afzondering van de overigen tot stand te brengen, waarvan Jesaja (hoofdstuk . 10:20vv. ) geprofeteerd had, dat hun alleen de Zaligheid ten zegen worden. Nadat Hij de gehele nacht met Zijn hemelse Vader in het gebed had beraadslaagd, zondert Hij uit de samengeroepen schare van Zijn discipelen de twaalven af volgens het getal van de twaalf stammen van Israël. Deze zullen na Zijn heengaan tot de Vader Zijn werk op aarde voortzetten en als hoofden aan de spits treden van de nieuwtestamentische gemeente, die de gehele wereld in zich bevat. Nu stelt Hij in de tot hen gerichte rede voor, welke gezindheid voor het deelgenootschap aan het hemelrijk gevorderd wordt, en beschrijft Hij de ware gerechtigheid, waartoe Hij de Zijnen wil opvoeden, in tegenstelling tot de valse van het oude Israël en zijn leidslieden, de Farizeeën en Schriftgeleerden.