Bijbelstudie
Boeken
2 Koningen 19
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
1
EN
a
het geschiedde als de koning Hizkía
dat
hoorde, zo
1
scheurde hij zijn klederen, en
2
bedekte zich met een zak en ging in het huis des HEEREN.
2
Daarna zond hij Eljakim,
3
den hofmeester, en Sebna,
4
den schrijver, en de oudsten der priesters, met zakken bedekt, tot
5
Jesaja, den profeet,
b
den zoon van Amoz.
3
En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkía: Deze dag is een dag
6
der benauwdheid en der schelding en der lastering; want de
7
kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte en er is geen kracht om te baren.
4
8
Misschien zal de HEERE uw God horen al de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft om den levenden God te honen
9
en te schelden met woorden, die de HEERE uw God gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel
10
dat gevonden wordt.
5
En de knechten van den koning Hizkía kwamen tot Jesaja.
6
En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gij tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede Mij de
11
dienaars des konings van Assyrië gelasterd hebben.
7
Zie, Ik zal een
12
geest in hem geven, dat hij een
13
gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
8
Zo kwam Rabsaké weder, en vond den koning van Assyrië strijdende tegen
14
Libna; want hij had gehoord dat hij van Lachis vertrokken was.
9
Als
15
hij nu hoorde van Tirhaka, den
16
koning van Cusch, zeggen: Zie, hij is uitgetogen om tegen u te strijden,
17
zond hij weder boden tot Hizkía, zeggende:
10
Zo zult gij spreken tot Hizkía, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.
11
Zie, gij hebt gehoord wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die
18
verbannende; en
19
zoudt gij gered worden?
12
Hebben de goden der volken die mijn vaders verdorven hebben, dezelve gered,
als
20
Gozan en
21
Haran, en
22
Rezef, en de kinderen van
23
Eden die in
24
Telassar waren?
13
Waar is de koning van Hamath, en de koning van
25
Arpad, en de koning der stad Sefarváïm,
26
Hena en Ivva?
14
Als nu Hizkía de brieven uit der boden hand ontvangen en die gelezen had, ging hij op in het
27
huis des HEEREN, en Hizkía breidde die uit
28
voor het aangezicht des HEEREN.
15
En Hizkía bad voor het aangezicht des HEEREN en zeide: O HEERE, God Israëls, Die tussen
29
de cherubs
30
woont, Gij Zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde, Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt.
16
O HEERE, neig Uw oor en hoor, doe, HEERE, Uw ogen open en zie; en hoor de woorden van Sanherib, die
31
dezen gezonden heeft om den levenden God te honen.
17
Waarlijk, HEERE, hebben de koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest,
18
En hebben hun goden in het vuur
32
geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.
19
Nu dan, HEERE onze God, verlos ons toch uit zijn hand; zo zullen alle koninkrijken der aarde weten dat Gij, HEERE, alleen God zijt.
20
Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkía, zeggende: Zo spreekt de HEERE, de God Israëls: Wat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik gehoord.
21
Dit is het
33
woord dat de HEERE over hem gesproken heeft:
34
De jonkvrouw, de
35
dochter Sions, veracht u, zij bespot u, de dochter Jeruzalems
36
schudt het hoofd achter u.
22
Wien hebt gij gehoond en gelasterd? En tegen Wien hebt gij de stem verheven,
37
en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den
38
Heilige Israëls.
23
39
Door middel
40
uwer boden hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagens beklommen de hoogte der bergen, de zijden van
41
Libanon; en ik zal zijn
42
hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennenbomen afhouwen, en zal komen in
43
zijn uiterste herberg, in het woud zijns
44
schonen velds.
24
45
Ik heb gegraven en heb gedronken
46
vreemde wateren;
47
en ik heb met mijn voetzolen alle
48
rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
25
49
Hebt gij niet gehoord dat Ik zulks lang tevoren gedaan heb, en dat
50
van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.
26
51
Daarom waren haar inwoners
52
handenloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren
als
het gras des velds en de
53
groene grasscheutjes, het hooi der daken, en het brandkoren, eer het overeind staat.
27
Maar Ik weet uw
54
zitten, en uw uitgaan en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
28
Om uw woeden tegen Mij en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is,
55
zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen en
56
Mijn gebit
57
in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg door denwelken gij gekomen zijt.
29
58
En dat zij u een teken, dat men
in
dit jaar eten zal
59
wat vanzelf gewassen is, en in het tweede jaar
60
wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar en maait, en plant wijngaarden en eet hun vruchten.
30
Want het
61
ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal
62
wederom
63
nederwaarts wortelen, en zal opwaarts
64
vrucht dragen.
31
Want van Jeruzalem zal het
65
overblijfsel uitgaan en het ontkomene van den berg Sion;
66
de ijver des HEEREN der heirscharen zal dit doen.
32
Daarom, zo zegt de HEERE van den koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij
met
geen schild daarvoor komen en zal geen wal daartegen opwerpen.
33
Door den weg dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.
34
Want
c
Ik zal deze stad beschermen om die te verlossen,
67
om Mijnentwil en
68
om Davids, Mijns knechts wil.
35
Het
d
geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de engel des HEEREN uitvoer en sloeg in het
69
leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen
70
zij zich des morgens vroeg opmaakten, zie,
71
die allen waren dode lichamen.
36
Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen en keerde weder; en hij bleef te
72
Ninevé.
37
Het geschiedde nu als hij in het huis van
73
Nisroch, zijn god, zich
74
nederboog,
e
dat Adrammélech en Sarézer,
zijn zonen
,
75
hem met het zwaard versloegen, doch zij ontkwamen in het land van
76
Ararát; en
77
Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.