13. Daarom, zie af van uw eigen droevigen toestand en aanmerkliever het werk Gods, 1) waardoor Hij Zijnen wijzen raad en wil volvoert, dan zult gij erkennen, dat Zijn doen enkel zegen, Zijn weg enkel licht en Zijn bestuur almachtig, wijs, liefdevol en rechtvaardig, maar ook onveranderlijk is; want wie onder de mensenkinderen kan recht en effen maken, dat Hij in Zijne wijsheid krom gemaakt heeft; wie, het onvolmaakte, dat Hij beschikt heeft volmaken? 1) Den Heere moet gij vertrouwen, begeert gij de uitkomst goed; op Hem uw hope bouwen, zal `t slagen wat gij doet; door geen bekommeringen, geen klagen en geen pijn, laat God zich iets ontwringen; Hij wil gebeden zijn.
Aanmerk Gods werk aan, wil zeggen, erken in hetgeen geschiedt, zonder dat gij er over klaagt, dat God het is, die dit alles bewerkt heeft, dat Hij alles bestuurt, dat zonder Zijn wil er niets geschiedt, en dat geen mensenkind Zijn hand kan afslaan, of tot Hem zeggen, wat doet Gij? Als de Prediker dus ook zegt, dat niemand recht kan maken wat God krom gemaakt heeft, dan wil hij daarmee niet leren, dat God kromme dingen doet, maar dan is dit bij wijze van vergelijking gesproken, om daardoor duidelijk te doen uitkomen, dat de mens niets aan den Raad Gods kan veranderen en Zijn hoog besluit nimmer kan keren, dat de mens ten diepste afhankelijk is van den hogen God.