Psalm 10:1-11
In deze verzen:
I. Legt David een grote genegenheid aan de dag voor God en Zijn gunst, want waar hij in tijden van benauwdheid het meest over klaagt is, dat God Zijn genadige tegenwoordigheid onthoudt, vers 1. "Waarom staat Gij van verre als iemand, die zich niet bekommert om de oneer, die Uw naam wordt aangedaan, en de mishandeling van Uw volk?" Als God zich terugtrekt is dit altijd zeer smartelijk voor Zijn volk, maar inzonderheid in tijden van benauwdheid. Uitwendige verlossing is ver af, is voor ons verborgen, en dan denken wij dat God verre is, en derhalve ontbreekt ons innerlijke vertroosting, maar dit is onze eigen schuld het is omdat wij oordelen naar de uiterlijke schijn, wij zijn ver van God door ons ongeloof en nu klagen wij dat God ver is van ons.
II. Een zeer grote verontwaardiging tegen de zonde, de zonden waardoor gevaarlijke tijden ontstaan. Hij ziet de overtreders en is gegriefd, verbaasd, en hij brengt hun kwaad gerucht tot zijn hemelse Vader, niet in verwaandheid en een roemen voor God, dat hij beter is dan "deze tollenaren," Lukas 18-11, en nog veel minder in een lucht-geven aan persoonlijke wrok of hartstocht, maar als iemand, die in zijn hart leed gevoelt om hetgeen aanstotelijk is voor God en alle Godvruchtigen, en verlangt naar een hervorming van de zeden. Hartstochtelijke en satirieke smaadredenen tegen slechte mensen doen meer kwaad dan goed, als wij van hun slechtheid willen spreken, laat ons het dan doen in het gebed tot God, want Hij alleen kan hen beter maken.
Deze lange voorstelling van de goddeloosheid van de goddelozen is hier saamgevat in de eerste woorden ervan, vers 2. De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige, waarin hun twee dingen ten laste worden gelegd: hoogmoed en vervolging, het eerste is de oorzaak van het tweede. Hoogmoedige lieden willen dat allen, die hen omringen, van hun gevoelen zijn, van hun Godsdienst, zeggen zullen wat zij zeggen, zich onderwerpen zullen aan hun heerschappij, instemmen zullen met wat zij voorschrijven, en hen, door wie zij in de schaduw worden gesteld, of die zich niet aan hen willen onderwerpen, benadelen. Zij haten deze met een onverzoenlijke haat. Tirannie, beide in de staat en in de kerk komt voort uit hoogmoed. De psalmist, zijn beschrijving begonnen zijnde, last nu terstond een kort gebed in een gebed in een tussenzin, dat aan de zin niet schaadt: laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben, zoals dit dikwijls aan hoogmoedige lieden gebeurt, vers 2. Laat hen met hun raad terneder geworpen worden.
Over deze twee hoofdpunten van de beschuldiging wordt hier nu verder uitgeweid.
1. Zij zijn hoogmoedig, zeer hoogmoedig, uiterst verwaand, met recht is hij er daarom over verwonderd, dat God niet zeer bijzonder tegen hen optrad, want Hij haat de hoogmoed en wederstaat de hovaardigen.
A. De zondaar roemt trotselijk in zijn macht en voorspoed, roemt over de wens van zijn ziel, roemt dat hij kan doen wat hem behaagt alsof God zelf hem niet onder bedwang kon leggen dat hij alles heeft wat hij begeerde en zijn doel heeft bereikt. Efraïm zegt: "ik ben rijk geworden, ik heb mij groot goed verkregen," Hosea 12:9. "Welaan, Heere, is het tot Uw eer en heerlijkheid om een zondig mens aldus naar de vrijmacht en het geluk van een God te laten staan?" B. Hovaardiglijk weerspreekt hij het oordeel Gods dat zeker naar waarheid is, want hij zegent de gierigaard die de Heere verafschuwt, vers 3-2). Zie hoe God en de mens verschillen in hun gevoelen omtrent personen: God verafschuwt gierige wereldlingen, die van het geld hun god maken en het aanbidden, Hij beschouwt hen als Zijn vijanden en wil geen gemeenschap met hen hebben: de vriendschap van de wereld is een vijandschap Gods. Maar trotse vervolgers zegenen hen en hebben een welbehagen in hun woorden, Psalm 49:14. Zij juichen hen toe als wijs, die door God dwaas worden genoemd, Lukas 12:20. Zij rechtvaardigen hen als onschuldig, die door God worden geoordeeld als diep schuldig voor Zijn aangezicht, en zij bewonderen hen als gelukkig wijl zij hun deel hebben in deze wereld, die door God dieswege als uiterst ongelukkig en ellendig worden genoemd: gij hebt goed ontvangen in uw leven.
C. Trotselijk werpt hij de gedachten aan God en alle afhankelijkheid aan Hem, en toewijding aan Hem, van zich af, vers 4. Door de hoogmoed van zijn aangezicht, die hoogmoed van zijn hart, die op zijn gelaat te lezen staat, Spreuken 6:17, wil de goddeloze God niet zoeken, noch aan Hem denken, in al zijn gedachten is God niet, ja in geen ervan. Al zijn gedachten zijn dat er geen God is. Zie hier:
a. De aard van de goddeloosheid: die is: God niet te zoeken, en Hem niet in onze gedachten te hebben. Er wordt niet naar Hem gevraagd Job 35:10, Jeremia 2:6. Er is geen begeerte naar Hem, geen gemeenschap met Hem maar wel een geheime wens om onafhankelijk van Hem te zijn, niets aan Hem verplicht te wezen. Goddelozen willen God niet zoeken, dat is: willen Hem niet aanroepen, zij leven zonder gebed, en dat is leven zonder God. Zij hebben vele gedachten, vele plannen en raadslagen, maar in geen ervan hebben zij het oog op God, geen onderworpenheid aan Zijn wil, en zij bedoelen Zijn eer niet.
b. De oorzaak van deze goddeloosheid, en die is hoogmoed. De mensen willen God niet zoeken, omdat zij denken Hem niet nodig te hebben, hun eigen handen volstaan voor hen, zijn hun genoeg, zij achten het beneden zich om Godsdienstig te zijn, omdat Godsdienstige mensen weinig in aantal zijn, gering en veracht zijn, en de banden van de Godsdienst zijn een verkleining voor hen.
D. In zijn hoogmoed acht hij Gods geboden en rechten van weinig belang, vers 5. Zijn wegen maken te allen tijde smart, hij is zeer roekeloos en vastberaden in zijn zondig bestaan) hij wil op zijn weg, hoe vervelend en vermoeiend ook voor hemzelf, en hoe kwellend voor anderen, blijven wandelen, hij heeft smart en teleurstelling op zijn boze weg, maar zijn hoogmoed maakt dat hij er halsstarrig op voortgaat. Gods oordelen (wat Hij gebiedt en wat Hij dreigt wegens het overtreden van deze geboden) zijn een hoogte, verre van hem, buiten zijn gezicht, hij is zich niet bewust van zijn plicht volgens de wet van God, noch van zijn gevaar door de toorn en de vloek van God. Spreek hem van Gods gezag over hem, hij maakt er zich af door te zeggen dat hij God nooit gezien heeft, en dus niet weet of er wel een God is. Hij is in de hoogte des hemels, en "qua supra nos nihil ad nos. Wij hebben niets te doen met hetgeen boven ons is." Spreek hem van Gods oordelen, die volvoerd zullen worden aan hen, die voortgaan en volharden in hun zonden, en hij wil er niet van overtuigd worden dat daar werkelijkheid in is, zij zijn ver boven hem, buiten zijn gezicht, vers 5, en daarom denkt hij dat zij niet bestaan, dat er slechts mee gedreigd wordt om schrik aan te jagen.
E. In zijn hoogmoed veracht hij al zijn vijanden, ziet hij met de grootste minachting op hen neer. Hen, die door God worden bereid om een gesel voor hem te zijn en hem in het verderf te storten, blaast hij aan alsof hij hen allen terneder kon werpen, over allen zou kunnen zegevieren. Maar gelijk het onverstandig is om een vijand gering te achten, zo is het ook goddeloos om een werktuig van Gods toorn te verachten.
F. In zijn hoogmoed tart hij alle leed en moeite, en vertrouwt hij op de voortduur van zijn eigen voorspoed, vers 6. Hij zegt in zijn hart, en vleit zich met de gedachte dat hij niet zal wankelen, mijn goederen zijn opgelegd voor vele jaren en ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn, zoals de dochter van de Chaldeen, die zei: "ik zal koningin zijn in eeuwigheid," Jesaja 47:7, Openbaring 18:7. Diegenen zijn het dichtst bij het verderf, die het het verst af wanen.
2. Zij zijn vervolgers, wrede vervolgers. Tot streling van hun hoogmoed en hebzucht en in tegenspraak met God en Godsdienst zijn zij grote verdrukkers voor allen, die in hun bereik zijn.
Merk op betreffende deze vervolgers:
A. Dat zij zeer bitter en boosaardig zijn, vers 7, zijn mond is vol van vloek. Tegen hen aan wie hij geen werkelijk kwaad kan doen -spuwt hij toch zijn venijn en blaast hij de moord, die hij niet kan volvoeren. Zo zijn Gods getrouwe aanbidders in de ban gedaan en gevloekt. Waar een hart is vol van boosheid, daar is gewoonlijk een mond vol van vervloekingen.
B. Dat zij zeer vals en verraderlijk zijn. Er wordt kwaad beraamd, maar het is verborgen onder de tong om niet ontdekt te worden, want zijn mond is vol van bedriegerijen en list, hij heeft van de duivel geleerd om te bedriegen, en aldus te verderven, daarmee is zijn haat bedekt, Spreuken 26:26. Hij ziet er volstrekt niet tegen op om te liegen, of zijn eden te breken, of allerlei listen in het werk te stellen om zijn doel te bereiken.
C. Dat zij zeer listig te werk gaan met hun plannen. Zij hebben wegen en middelen om hun doel te bereiken. Gelijk Ezau, deze listige jager, zit Hij in de achterlage van de hoeven, in verborgen plaatsen, en zijn ogen verbergen zich tegen de arme om hem kwaad te doen, niet omdat hij zich schaamt voor hetgeen hij doet, (als hij bloosde, er zou nog hoop zijn dat hij zich zou bekeren), noch omdat hij bevreesd is voor de toorn Gods, want hij verbeeldt zich dat God hem nooit ter verantwoording zal roepen, vers 11, maar omdat hij vreest dat zijn plannen ontdekt en daardoor verijdeld worden. Misschien wijst het inzonderheid op dieven en struikrovers, die in hinderlaag liggen om op eerzame reizigers te loeren, ten einde hen tot hun prooi te maken.
D. Dat zij zeer wreed en barbaars zijn. Hun boosaardigheid is tegen de onschuldigen gericht, die hen nooit getergd hebben of iets tegen hen hebben misdaan, tegen de armen, die hen niet kunnen weerstaan en over wie te triomferen hun geen roem zal bezorgen. Diegenen zijn wel volkomen verloren voor alle eer en trouw, tegen wier boosaardige plannen noch onschuld noch armoede beveiligd zijn. Zij, die macht hebben, behoren de onschuldigen te beschermen en de armen te verzorgen, maar hij wil de verderver zijn van hen, wier beschermer hij moest wezen. En wat beogen zij? Het is de ellendige te roven en hem in zijn net te trekken, hem in hun macht te krijgen, niet slechts om hem te beroven, maar om hem te vermoorden, zij leggen het op zijn kostbaar leven toe. Het zijn Gods armen, die zij vervolgen, die zij een dodelijke haat toedragen, om diens wille, wiens zij zijn en wiens beeld zij dragen, en daarom liggen zij op de loer om hen te vermoorden. Hij ligt in een verborgen plaats, zoals een leeuw in zijn hol, die dorst naar bloed en met genot aast op zijn prooi. De duivel, wiens agent hij is, wordt vergeleken bi, een briesende leeuw, die zoekt, niet wat maar wie hij zou kunnen verslinden.
E. Dat zij laaghartig en geveinsd zijn, vers 10. Hij duikt neer, hij buigt zich, zoals roofdieren doen, ten einde hun prooi binnen hun bereik te krijgen. Dit geeft te kennen dat de lage geest van vervolgers en verdrukkers zich tot alles hoe laag het ook zij zal nederbuigen, om hun boze plannen te volvoeren, getuige de schandelijke praktijken van Saul, toen hij David vervolgde en najoeg. Het geeft ook te kennen dat zij hun boze bedoelingen bemantelen met een voorkomen van zachtheid en nederigheid en van vriendelijkheid jegens hen, tegen wie zij het grootste kwaad beramen, zij schijnen zich neer te buigen, alsof zij wilden kennis nemen van de armen en zich hun belangen wilden aantrekken terwijl hun enige bedoeling is hen te doen vallen en tot hun prooi te maken.
F. Dat zij zeer goddeloos zijn, vers 11. Zij zouden niet aldus door alle wetten van gerechtigheid en goedheid jegens de mens kunnen heenbreken, indien zij niet eerst alle Godsdienstzin hadden afgeschud, en in opstand waren gekomen tegen het licht van alle Godsdienstige beginselen. Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten. Als zijn eigen geweten hem bestrafte om zijn goddeloosheid en hem dreigde met de gevolgen ervan, en vroeg hoe hij het zou verantwoorden voor de rechtvaardige rechter van hemel en aarde, dan maakte hij er zich af met dit: God heeft het land verlaten, Ezechiël 8:12, 9:9. Dit is een Godlasterlijke smaad:
a. Op Gods alwetendheid en voorzienigheid alsof Hij niet zag of niet kon zien wat de mensen doen in deze lagere wereld.
b. Op Zijn heiligheid en rechtheid, alsof Hij de onnatuurlijkste en onmenselijkste slechtheden wel zag, maar ze oogluikend wilde toelaten, daar zij Hem niet mishaagden.
c. Op Zijn gerechtigheid en de billijkheid van Zijn regering, alsof de goddeloosheid van de goddelozen Hem wel mishaagde en Hij haar ook wel zag, maar hen toch nooit ter verantwoording er voor doet roepen en hen er nooit voor zou straffen, hetzij omdat Hij het niet kon of niet durfde, of omdat Hij er niet toe genegen was. Laat hen, die lijden door trotse verdrukkers, hopen dat God ter bestemder tijd voor hen zal verschijnen, want zij die hen beledigen, beledigen ook de almachtige God.
Bij het zingen en biddend overdenken hiervan moet ons hart vervuld zijn van heilige toorn tegen de goddeloosheid van de verdrukkers, een teder medelijden met de verdrukten en een vrome ijver voor de eer en heerlijkheid Gods ook van een vast geloof dat Hij ter bestemder tijd recht zal doen aan hen die onrecht leden en met hen die het onrecht deden zal afrekenen.