Exodus 40:16-33
Toen de tabernakel en de meubelen er van bereid waren, hebben zij met de oprichting er van niet gewacht totdat zij in Kanaän kwamen, hoewel zij hoopten dat zij er nu spoedig zijn zouden, maar in gehoorzaamheid aan de wil van God, hebben zij hem opgericht in het midden van hun leger, terwijl zij in de woestijn waren. Zij, die in een toestand van onbestendigheid zijn in de wereld, moeten niet denken dat dit hun voortdurende ongodsdienstigheid zal verontschuldigen, alsof het voldoende was dat zij God dienen, als zij beginnen gevestigd te zijn in de wereld. Neen, een tabernakel voor God is een zeer nodige en nuttige metgezel, zelfs in een woestijn, inzonderheid als wij bedenken dat ons dood lichaam in deze woestijn kan vallen, en wij in een andere wereld gevestigd kunnen wezen, eer wij het in deze wereld zijn.
De oprichting van de tabernakel vereiste een hele dag werk, de heiliging er van en van de priesters geschiedde enige dagen later. Hier hebben wij slechts een bericht van het werk op die nieuwjaarsdag.
1. Mozes deed niet slechts al wat God hem geboden had te doen maar hij deed het naar de volgorde door God bepaald, want God wil in goede orde gezocht worden.
2. Bij elk onderdeel is een uitdrukkelijke verwijzing naar het goddelijk bevel, waarnaar Mozes zich even zorgvuldig en nauwkeurig regelde als de werklieden, evenals tevoren wordt hier dus in minder dan veertien verzen zeven maal herhaald: gelijk de Heer Mozes geboden had. Mozes zelf heeft, hoe groot een man hij ook was, zich niet vermeten om ook maar in het minst of geringst af te wijken van de inzetting, er iets aan toe te voegen of er van af te nemen. Zij, die het bevelvoeren over anderen, moeten bedenken, dat ook hun Meester in den hemel is, en dat zij doen moeten wat Hij hun gebiedt, en zoals Hij het hun gebiedt.
3. Wat bedekt moest worden, bedekte hij, vers 21, en wat gebruikt moest worden, gebruikte hij terstond, voor het onderricht van de priesters, opdat zij, hem de verschillende diensten zagen verrichten, zouden leren om ze zelf goed en vaardig te kunnen verrichten. Hoewel Mozes eigenlijk geen priester was, wordt hij toch onder de priesters gerekend, Psalm 99:6, en de Joodse schrijvers noemen hem de priester van de priesters. Wat hij deed, deed hij bij bijzondere volmacht en onder de leiding van God veeleer als profeet of wetgever, dan als priester. Hij bracht de raderen in beweging, en toen liet hij het werk verder over aan hen, die er voor aangesteld waren.
a. Toen hij de tafel had geplaatst, heeft hij er het brood in orde op geschikt, vers 23, want God wil nooit Zijn tafel onvoorzien hebben.
b. Zodra hij de kandelaar had geplaatst, stak hij de lampen aan voor het aangezicht van de Heer, vers 25. Zelfs in die duistere bedeling mochten geen kaarsen onaangestoken blijven.
c. Het gouden altaar op zijn plaats zijnde, heeft hij er terstond reukwerk van welriekende specerijen op aangestoken, vers 27, want Gods altaar moet een rokend altaar zijn.
d. Het brandofferaltaar was niet zodra in de voorhof van de tabernakel opgericht, of hij offerde er brandoffer en spijsoffer op, vers 29. Sommigen denken dat dit, hoewel hier vermeld, toch pas later geschiedde, maar mij komt het voor dat hij met de plechtigheid van de wijding terstond is aangevangen hoewel zij niet dan zeven dagen later voltooid was. e. Zo heeft Mozes ook, toen hij het wasvat gesteld had, er zich de handen en voeten in gewassen. Zo heeft hij in al deze dingen niet slechts de priesters getoond hoe zij hun werk moesten doen, maar ons ook geleerd, dat Gods gaven bestemd zijn om gebruikt te worden, en niet slechts om er vertoning mede te maken. Hoewel de altaren de tafel en de kandelaar nieuw en fris waren, heeft hij toch niet gezegd, dat het jammer was om ze vuil te maken, neen, hij heeft ze terstond in gebruik genomen. Talenten werden gegeven om er handel mede te doen, niet om ze te begraven.